Hulpverleners in de oorlog.

Naar aanleiding van de week van 11 november post ik vandaag enkele foto’s uit het archief van het Mudel, die gelinkt zijn aan de wereldoorlogen.
Tijdens W.O. I heerste vanaf 1915 in onze contreien hongersnood. Overal te lande probeerde het Nationaal hulp- en voedingscomité de mensen te voorzien van melk, soep en alles wat aan voedsel voorhanden was. Zo ook, hier bij ons in Deinze. Op de eerste foto zien we de “melkdienst”, een groep vrijwilligers die instond voor de melkbedeling in Deinze.

Op deze foto zien we een bedeling van voedsel aan kinderen in een schoolkantine in Petegem-aan-de-Leie.

Het waren voornamelijk dochters uit gegoede kringen die deze voedselhulp organiseerden. Hieronder een groepsfoto van vrijwillige hulpverleensters. De foto werd genomen aan diezelfde school in Petegem-aan-de-Leie.

De foto’s zijn eigendom van het Mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) en werden reeds gepubliceerd op erfgoedinzicht.be

Back to normal.

Vrijdag dertien maart 2020 zullen we ons nog lang herinneren. De dag dat een gluiperig virus ons leven en al onze plannen overhoop kwam gooien.
Intussen wordt het leven stilaan terug normaal. Sinds gisteren drijven sombere wolken boven ons hoofd en krijgen we af en toe de langverwachte regenbuitjes over ons heen, die het nijpend tekort aan grondwater zouden moeten bijvullen. Maar voorlopig stellen die buitjes nog niet veel voor. Ik kwam net terug van de kine toen het begon te druppelen. Wat verder zat het verkeer helemaal vast door allerhande wegenwerken. Er werd getoeterd en gevloekt. Fietsers kronkelden zich vervaarlijk tussen de stilstaande auto’s. Iedereen leek nerveus en gehaast en ik werd nat.
Ik dacht aan de heerlijk rustige, zonovergoten quarantaine-wandelingetjes van een maand geleden. Zo zou een mens heimwee krijgen naar de lockdown.

Quarantainewandeling.

Ik weet niet of ik bij deze een nieuw woord heb uitgevonden, maar ik denk dat het intussen al in het woordenboek staat. Sinds de quarantaine maatregelen van kracht zijn maak ik, zoals vele mensen doen, iedere dag een wandelingetje, hier in de buurt. Dat is ook nodig nu ik niet meer bij de kine terecht kan. Ik moet ervoor zorgen dat ik in beweging blijf.
Ik wandel het liefst op de boerenbuiten, maar een stukje natuur of landbouwgebied vinden in onze overvol bebouwde gemeente is niet eenvoudig. Ooit was het hier een landelijke buurt, maar sinds mijn jeugdjaren is alles danig veranderd dat er geen vergelijk meer mogelijk is.
Maar doordat ik hier ben geboren en getogen, ken ik nog wel enkele her en der verborgen wegeltjes, die de tand des tijds hebben doorstaan en mij leiden naar de laatste stukjes platteland die er in onze gemeente nog resten.

Het stadsbestuur doet weliswaar zijn best om de gemeente zoveel mogelijk te verfraaien en leefbaar te houden. Zo is er een hele tijd geleden al achter onze woonwijk een netwerk van wandelpaden aangelegd. De paden volgen de diep liggende, kronkelende kattebeek. Op sommige plaatsen werd een klein parkje aangelegd.

Als kind speelde ik vaak met mijn vriendjes in en rondom de kattebeek. We gingen tot aan onze knieën het water in en schepten met een schepnet kleine stekelbaarsjes op, die we dan in ons emmertje gooiden en meenamen naar huis, tot grote ergernis van mijn vader.
Door de droogte staat het water nu laag in de beek en ondanks het feit dat het water momenteel erg zuiver is valt er maar weinig leven in te bespeuren. Visjes zitten er blijkbaar niet meer in maar weldra zullen aan de rand van de beek krekels tsjirpen, zullen er libellen zweven, vlinders fladderen en bijtjes zoemen. Het virus zal hen een worst wezen.