Berekoud aan de Kattebeek.

De winter heeft ons stevig in zijn greep deze week. Hier bij ons, in de Leiestreek, kregen we maar een dun laagje sneeuw. Maar het is zoals overal in het land, ook hier berekoud.
Bij glibberige temperaturen ga ik zelden wandelen of fietsen, uit schrik om te vallen, iets wat mijn kaduke rug niet ten goede zou komen. Maar maandag maakte ik toch een voorzichtige wandeling langs de Kattebeek.

De Kattebeek kronkelt zich sinds mensenheugenis door onze gemeente, waarschijnlijk reeds in de tijd dat de dino’s hier nog rondliepen. Op sommige plaatsen is de beek thans overwelfd, maar achter onze woonwijk ligt ze open en bloot en maandag lag ze er vooral kouwelijk bij. Van bij me thuis volgde ik een eind de Kattebeek langs de aangelegde wandelpaden. Het water in de beek stond vrij hoog en er zat een sterke stroming op, waardoor de beek niet gauw kan dichtvriezen.
Hoewel ik me goed ingeduffeld had sneed de ijzige wind, die volgens mij rechtstreeks vanuit de noordpool kwam, dwars door me heen.

Soms waagde ik me op het bevroren terrein langsheen de beek om enkele kiekjes te maken, maar meestal bleef ik veilig op het sneeuw- en ijsvrij gemaakt wandelpad, waar ik minder kans had op een ongelukkige valpartij.

Er waren nog enkele moedige wandelaars die op deze ijzige maandagochtend de weergoden trotseerden, maar aangekomen bij het brugje hield ik het voor bekeken. De kou was niet te harden. Ik keerde op mijn stappen terug en haastte me naar huis toe. Ik besloot om dit soort diepvries-wandelingen in het vervolg over te laten aan de eskimo’s.

Kouwelijke akkers.

Vorige zaterdag trotseerde ik de barre vrieskou en baande ik me een weg door de mist voor mijn wekelijkse ochtendwandeling. Ik volgde de kattebeek en bevond me, niet zover van huis, op de boerenbuiten. Het was intussen halfweg in de voormiddag, de winterzon deed nog steeds haar best om de mist te verdrijven, maar slaagde daar maar moeizaam in.

Het povere zonlicht zorgde af en toe voor een vreemde rozige gloed in de lucht.

Ik vervolgde mijn weg langs akkers en velden die er kouwelijk bijlagen.

De zon had nog wel wat werk voor de boeg om de mist helemaal op te ruimen. Mijn handen deden pijn van de kou. Door artrose kan ik maar moeilijk kou verdragen en daarom trok ik mijn thermisch isolerende duimwanten aan. Die zijn lekker warm, maar erg onhandig als je wil fotograferen. Dus stopte ik, na dit laatste kiekje, mijn fototoestel maar terug in z’n tas. Niet erg, ik was toch bijna aan het einde van mijn wandellus gekomen.

Toen ik thuiskwam zag ik, voor ik naar binnen ging, door het keukenraam Vrouwtjelief achter het fornuis staan. Ik snoof de geur op van verse groentensoep. Een tas warme soep, dat was net wat ik nodig had.

Op een koude winterochtend.

Vorige zaterdag sloeg ik mijn fototas over mijn schouder en trok ik de deur achter me dicht om aan mijn wekelijkse ochtendwandeling te beginnen. Kwestie van mijn conditie een beetje op peil te houden. Het was barkoud buiten en een grijze mist hield het opkomend daglicht tegen. Ik had me warm ingeduffeld met m’n dikste trui, jas en sjaal aan en had m’n wollen muts diep over m’n oren getrokken.

Zo ging ik op stap en volgde, zoals gewoonlijk, de wandelpaden langs de kattebeek die achter onze woonwijk loopt.

De mist werd steeds dikker naarmate ik de open velden naderde. Behalve een man die z’n hond uitliet leek er verder niemand te zijn die zin had om het huis uit te komen.

Een zwak zonnetje deed vruchteloze pogingen om door de hardnekkige mist heen te prikken.

Maar het klein beetje zonlicht zorgde toch voor een tikkeltje meer kleur in het landschap.

Hier en daar was de mist aangevroren en dat zorgde voor enkele haast onzichtbare, maar gevaarlijk glibberige stroken op de wandelpaden.

Ik bevond mij nu op de boerenbuiten, waar de hoevetjes er op deze vroege zaterdagochtend nog dromerig bijlagen en waar de boer wellicht van de gelegenheid gebruik maakte om een keertje lekker lang uit te slapen.

Volgende keer wandelen we nog wat verder.

Hulpverleners in de oorlog.

Naar aanleiding van de week van 11 november post ik vandaag enkele foto’s uit het archief van het Mudel, die gelinkt zijn aan de wereldoorlogen.
Tijdens W.O. I heerste vanaf 1915 in onze contreien hongersnood. Overal te lande probeerde het Nationaal hulp- en voedingscomité de mensen te voorzien van melk, soep en alles wat aan voedsel voorhanden was. Zo ook, hier bij ons in Deinze. Op de eerste foto zien we de “melkdienst”, een groep vrijwilligers die instond voor de melkbedeling in Deinze.

Op deze foto zien we een bedeling van voedsel aan kinderen in een schoolkantine in Petegem-aan-de-Leie.

Het waren voornamelijk dochters uit gegoede kringen die deze voedselhulp organiseerden. Hieronder een groepsfoto van vrijwillige hulpverleensters. De foto werd genomen aan diezelfde school in Petegem-aan-de-Leie.

De foto’s zijn eigendom van het Mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) en werden reeds gepubliceerd op erfgoedinzicht.be

Back to normal.

Vrijdag dertien maart 2020 zullen we ons nog lang herinneren. De dag dat een gluiperig virus ons leven en al onze plannen overhoop kwam gooien.
Intussen wordt het leven stilaan terug normaal. Sinds gisteren drijven sombere wolken boven ons hoofd en krijgen we af en toe de langverwachte regenbuitjes over ons heen, die het nijpend tekort aan grondwater zouden moeten bijvullen. Maar voorlopig stellen die buitjes nog niet veel voor. Ik kwam net terug van de kine toen het begon te druppelen. Wat verder zat het verkeer helemaal vast door allerhande wegenwerken. Er werd getoeterd en gevloekt. Fietsers kronkelden zich vervaarlijk tussen de stilstaande auto’s. Iedereen leek nerveus en gehaast en ik werd nat.
Ik dacht aan de heerlijk rustige, zonovergoten quarantaine-wandelingetjes van een maand geleden. Zo zou een mens heimwee krijgen naar de lockdown.

Quarantainewandeling.

Ik weet niet of ik bij deze een nieuw woord heb uitgevonden, maar ik denk dat het intussen al in het woordenboek staat. Sinds de quarantaine maatregelen van kracht zijn maak ik, zoals vele mensen doen, iedere dag een wandelingetje, hier in de buurt. Dat is ook nodig nu ik niet meer bij de kine terecht kan. Ik moet ervoor zorgen dat ik in beweging blijf.
Ik wandel het liefst op de boerenbuiten, maar een stukje natuur of landbouwgebied vinden in onze overvol bebouwde gemeente is niet eenvoudig. Ooit was het hier een landelijke buurt, maar sinds mijn jeugdjaren is alles danig veranderd dat er geen vergelijk meer mogelijk is.
Maar doordat ik hier ben geboren en getogen, ken ik nog wel enkele her en der verborgen wegeltjes, die de tand des tijds hebben doorstaan en mij leiden naar de laatste stukjes platteland die er in onze gemeente nog resten.

Het stadsbestuur doet weliswaar zijn best om de gemeente zoveel mogelijk te verfraaien en leefbaar te houden. Zo is er een hele tijd geleden al achter onze woonwijk een netwerk van wandelpaden aangelegd. De paden volgen de diep liggende, kronkelende kattebeek. Op sommige plaatsen werd een klein parkje aangelegd.

Als kind speelde ik vaak met mijn vriendjes in en rondom de kattebeek. We gingen tot aan onze knieën het water in en schepten met een schepnet kleine stekelbaarsjes op, die we dan in ons emmertje gooiden en meenamen naar huis, tot grote ergernis van mijn vader.
Door de droogte staat het water nu laag in de beek en ondanks het feit dat het water momenteel erg zuiver is valt er maar weinig leven in te bespeuren. Visjes zitten er blijkbaar niet meer in maar weldra zullen aan de rand van de beek krekels tsjirpen, zullen er libellen zweven, vlinders fladderen en bijtjes zoemen. Het virus zal hen een worst wezen.