De kunst van het drukken

Deel 9 / Grote en kleine punten.

De eerste foto van Joseph Niépce uit 1826, genomen vanuit het dakraam van huis op zijn landgoed “Le Gras”

Na een belichtingstijd van meer dan acht uren, lukte het Joseph Niépce in 1826 om met zijn camera obscura de allereerste foto te maken. Hij deed dat vanuit zijn dakraam op zijn landgoed “Le Gras” in de Franse gemeente Saint-Loup-de-Varennes. Door het draaien van de zon zie je op de foto de schaduw tweemaal. Niépce bracht op de achterwand van de camera obscura een lichtgevoelige plaat aan waarmee hij het beeld kon “vasthouden”. Dit proces noemde Niépce “heliografie”, ofwel “schrijven met de zon”.

Joseph Niépce

Aanvankelijk deed men nogal geringschattend over deze “heliografie”. Het besef dat Niépce’s uitvinding revolutionair was, zou pas later komen. Pas nadat anderen, waaronder Louis Daguerre, het procedé hadden verbeterd, de belichtingstijd fel hadden teruggeschroefd en er zelfs in slaagden om ook mensen op de gevoelige plaat af te beelden, zag men het belang in van deze nieuwe techniek, die men intussen “fotografie” was gaan noemen (“schrijven met licht”).

Ook in de wereld van drukkerijen en uitgeverijen zag men algauw in dat de fotografie heel wat nieuwe mogelijkheden schiep. De hamvraag was echter : “Hoe kon men zo’n foto in meerdere exemplaren op papier afdrukken ?”
Er werd heel hard gezocht naar een manier om dat te bewerkstelligen maar een oplossing werd niet meteen gevonden, tot men in 1881 het rastercliché ontwikkelde.
Bij een rastercliché werden werd het negatief van een foto belicht op een koperen of zinken plaat voorzien van een lichtgevoelige laag, volgens hetzelfde principe als bij een etsplaat. Het beeld werd niet omgezet in halftonen (lijnen en vlakken) zoals bij een ets, maar in een raster gevormd door grote en kleine punten.

Afbeelding van een zinken rastercliché

Donkere partijen van een foto in een rastercliché bestonden uit grotere punten, terwijl lichte partijen door kleinere puntjes werden gevormd, met meer “wit” ertussen. Zo werd de suggestie van grijswaarden gecrëerd, terwijl alles toch gewoon met zwarte inkt werd gedrukt. Door het raster erg te verfijnen waren de punten afzonderlijk met het blote oog niet meer waarneembaar en bekwam men de illusie van het beeld van de foto. Deze eenvoudige, maar tegelijk geniale uitvinding werd in 1881 door Georg Meisenbach (Duitsl. – 1841/1912) gepatenteerd.
Een uitvergroot raster van Marilyn Monroe maakt het principe duidelijk. (klik op de foto om te vergroten)

In 1882 was er van Marilyn Monroe nog geen sprake, maar vanaf dan kon men rastercliché’s in het loden zetwerk invoegen en zo pamfletten, boeken en kranten illustreren met foto’s. Daarmee had de druktechniek alweer een belangrijke stap voorwaarts gezet.

De rasterpunten in het cliché bestonden uit minuscule, metalen pinnetjes, waarvan de topjes werden in geinkt. De gedeelten tussen de puntjes bleven wit. Men moest daarom bij het drukken de inkttoevoer goed doseren, vooral in de donkere partijen van de foto, want anders werden de kleine witte gedeelten dichtgesmeerd, waardoor men alle details in de donkere partijen verloor en men een eerder slordige afdruk verkreeg.
De drukker moest dus tijdens het drukken regelmatig de afdruk van de rasterpunten controleren met behulp van een loupe of vergrootglas.

Het principe van de rasterpunten zou veel later, zij het in een aangepaste en iets meer gecompliceerde vorm, eveneens worden toegepast bij de kleurenfotografie. Maar zover zijn we nog lang niet in onze reis doorheen de geschiedenis van de drukkunst.