Ieperse vestingen (1/3).

Het was de laatste dag van de maand maart en het was uitzonderlijk warm. De thermometer haalde met gemak 25 graden. Amper een week later zou het terug vriezen en zelfs sneeuwen, maar die dag werden alle warmterecords alweer verbroken.
We bevonden ons op de Grote Markt van Ieper, waar de fonteinen zo vroeg op het jaar al voor wat verfrissing moesten zorgen.

We hadden op de radio gehoord dat het bijzonder druk was aan de kust en in steden zoals Brugge, Gent en Brussel. Maar hier lag de zonovergoten Grote Markt er rustig en virus-veilig bij.

De toren van de majestueuze Lakenhallen is aan renovatie toe en stond in de steigers.

Van de Grote Markt kuierden we via de Rijselstraat tot aan de Rijselpoort.

De Rijselpoort werd reeds in 1384 gebouwd onder Filips de Stoute, de eerste hertog van Bourgondië. Oorspronkelijk werd de poort geflankeerd door twee ronde torens. Het is de enige stadspoort uit de 14e eeuw die Ieper nog rest. De poort werd in de loop der eeuwen herhaalde malen verbouwd en werd tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd.

Bovenop de poort heeft men een mooi uitzicht op de vestingen en de vestinggrachten van Ieper. In Vlaanderen, waar door de eeuwen heen heel wat oorlogen zijn uitgevochten, zijn niet zoveel vestingen en stadswallen bewaard gebleven. Vreemd genoeg is dat in Ieper wel het geval, hoewel de stad tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig met de grond werd gelijk gemaakt.

Tussen 1388 en 1409 werd in Ieper deze omwalling opgetrokken. De oorspronkelijk aarden wal werden aangevuld met een acht meter hoge bakstenen muur, omgeven door een 40-tal torens en tien stadspoorten.
Vanaf 1678 liet de Franse bouwkundige Vauban de omwalling gedeeltelijke slopen en vervangen door een gebastioneerde muur. Vanaf 1683 werd de vestinggracht aangebracht. In 1815 werd Ieper een laatste keer militair versterkt, Pas in 1853 werd door de Belgische regering beslist om de vesting te ontmantelen. Torens en poorten verdwenen, maar de versterkte omwalling bleef zelfs na twee wereldoorlogen grotendeels overeind.

Vanop de Rijselpoort liepen we de vestigen op tot aan Brits militair kerkhof. Zoals op de zovele militaire kerkhoven in deze streek, liggen ook hier tientallen jonge mannen begraven die ver van huis sneuvelden tijdens “den grooten oorlog”.

Vandaar volgden we verder het wandelpad langs de vestinggracht. Het plaatje klopte niet. Het was echt zomers warm, we hadden onze truien al lang uitgetrokken, maar de bomen stonden nog bladerloos in hun wintertenue. Schaduwrijk waren ze dus niet.

Wat verder kwamen we bij de restanten van de Leeuwentoren, iets wat ons eerst een gevaarlijk uitziende put leek, waar je vooral niet wilde in vallen.

De oorspronkelijke Bourgondische toren uit de 14e eeuw werd in de Franse tijd, aan het einde van de 18e eeuw, verlaagd en omgebouwd tot een geschutsplatform waar, tussen de twee en een halve meter dikke muren, kanonnen werden geplaatst.

Een tunnelgang verbond de toren met de binnenstad. Maar die tunnel is niet meer toegankelijk.

Van hier zetten we onze gemoedelijke lentetocht verder langs de uitgestrekte vestinggracht.

(wordt vervolgd)

Van het belfort naar het begijnhof.

Van de Broeltorens en de Leiekaaien in Kortrijk wandelden we naar de Grote markt met het belfort, het oorlogsmonument en het 18de eeuwse stadhuis.

De oorspronkelijke belforttoren dateert nog uit de tijd van de Bourgondische hertogen, maar werd intussen al herhaalde keren verbouwd.

We wandelden verder in de richting van het begijnhof. Onderweg vielen ons nog enkele fraaie gevels op.

En zo kwamen we bij het Sint-Elisabethbegijnhof.

Het begijnhof werd in 1238 gesticht door Johanna van Constantinopel, Gravin van Vlaanderen en Zeeland. De stichteres werd vereeuwigd in een standbeeld dat je meteen bij het betreden van het begijnhof ziet staan.

Het begijnhof telt 41 huisjes uit de 17 de eeuw. Het hele begijnhof is opgenomen op de lijst van werelderfgoed van de Unesco.

Een jonge kunstenares zat ingeduffeld op een bankje vlijtig te tekenen.

Wij hadden plots trek in koffie. En het toeval wou dat één van de begijnenhuisje was omgebouwd tot een gezellig koffiehuis. De strenge corona-maatregelen waren nog niet van kracht en zoals het bordje aan de deur aangaf, was het koffiehuis gewoon open.

Na de koffie wandelen we nog wat verder.

Torens in Kortrijk.

Vorige week reden wij naar Kortrijk. We hadden de wagen achtergelaten op de grote parking aan de Leie, nabij de “Buda-wijk”, aan de zogenaamde “Buda-beach”.
De naam “Buda” heeft niets te maken met het boeddhisme, maar is een naam die reeds ontstond op het einde van de 17de eeuw. Men had zich toen geïnspireerd op de versterkte stad Buda in Hongarije. Toen men in 1690 een natuurlijk eiland in de Leie met een vesting liet versterken tegen onvriendelijke aanvallen van buitenaf, gaf men het eiland de naam “klein Buda”. Die naam is blijven hangen en is inmiddels de officiële naam van deze stadswijk geworden.

Op deze plek ligt nu een brug voor de “zachte weggebruikers” die zich sierlijk over de Leie kromt. Aan de overkant staat de “K-Tower”. Deze toren is met zijn 66,5 meter één van de hoogste torens in Kortrijk. Het gebouw, dat 68 flats telt, werd ontworpen door Philippe Samijn en werd in 2018 voltooid.
Toen wij daar stonden werd de blauwe lucht gedeeltelijk bedekt met een merkwaardig wolkendeken, wat een beetje voor merkwaardig licht zorgde. Ik vond het geheel wel wat hebben en maakte er enkele kiekjes van.

Vanaf daar wandelden we de binnenstad in, via twee torens die heel wat ouder zijn dan de K-Tower. De Broeltorens van Kortrijk dateren uit 1385, toen de Bourgondische hertogen over onze contreien heersten. Ze vormen het enig overblijfsel van de middeleeuwse stadsomwalling van Kortrijk.
Het bleek tijdens onze wandeling dat er in de stad overal werken aan de gang waren. Er werd gebouwd en verbouwd dat het een lieve lust was en heel wat straten waren opgebroken om her aan te leggen.

Men doet duidelijk in Kortrijk aan stadsvernieuwing en ook deze kade aan de Leie is nieuw aangelegd.

Volgende keer wandelen we nog een beetje verder.

Het industriemuseum.

Vorig weekend brachten wij een bezoek aan het Industrie museum van Gent. Ik was er vorig jaar geweest met m’n vriend Manu en deed het bezoek vorige zondag nog eens over met m’n vrouw. Ik had een bijzondere reden voor ons bezoek, maar daar kom ik later nog zeer uitgebreid op terug.
Het museum is ondergebracht in een voormalige katoenspinnerij, gelegen aan de Minnemeers in Gent. Het hoofdgebouw dateert uit 1905.

Gent was in de middeleeuwen een vooraanstaand centrum voor de wol- en katoenproduktie. In de 13 de en 14 de eeuw waren de Gentse lakens bekend tot ver buiten de landsgrenzen. Sinds de 16 de eeuw rezen in Gent textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond.
Wanneer je boven op de vijfde verdieping van het museum door de grote ramen kijkt heb je een prachtig panorama op de binnenstad van Gent.

Wanneer je goed kijkt zie je aan de horizon zowat alle torens van Gent opduiken. Van links naar rechts herken je de toren van de Sint-Baafskathedraal, de Sint- jacobskerk, het Belfort, de Sint-Niklaaskerk, de gebouwen van de Bond-Moyson op de Vrijdagmarkt en het Gravensteen.

Vooreerst bezochten wij in het museum de zeer interessante afdeling over de woelige geschiedenis van de textielnijverheid in Gent. In een volgend postje laat ik daar enkele sfeerbeelden van zien.
Maar eigenlijk waren we voor iets anders naar het museum gekomen. Iets waar ik later zeer uitgebreid op terug zal komen. Of had ik dat al gezegd ?

Traktatie.

Omdat ik vandaag jarig ben trakteer ik met een nieuwe reeks foto’s over Gent. Ik heb een tweede pagina toegevoegd aan “Gent in the picture” met 24 extra foto’s uit mijn albums over Gent. Allemaal foto’s die ik de voorbije tien jaar heb genomen in de stad waar ik mij thuis voel. Iedere foto is aanklikbaar en in groter formaat te bekijken.
Om naar “Gent in the picture / deel 2” te gaan hoeven jullie alleen maar op onderstaande foto te klikken.