In de ban van de hertogin / 15

Reeds sinds de 15de eeuw was Dadizele een bekend bedevaartsoord, waar pelgrims het albasten beeld van Onze-Lieve-Vrouw met kind kwamen aanbidden.
Naast de Heilige Bloedkapel in Brugge wilde de toenmalige bisschop van Brugge in 1857 ook hier een Basiliek, ter vervanging van een laatgotische kerk. Tien jaar later werd in de nieuwe, reusachtige kerk de eerste mis opgedragen. In het jaar 1882 werd de kerk van Dadizele tot basiliek verheven door Paus Leo XIII.

450 jaar daarvoor, in 1432, werd Jan van Dadizele geboren als Jan van Veerdeghem, zoon van de heer van Dadizele. Hij woonde in het kasteel Mariënstede. Hij was amper acht jaar oud toen zijn vader stierf en hij diens titel over erfde. Later huwde hij met Katheline Breydel, een telg uit een vooraanstaande Brugse familie. Samen kregen ze vier kinderen.
In 1465 trad hij in dienst van Karel de Stoute, de hertog van Bourgondië. Zo maakte hij ook kennis met de dochter van de hertog, Maria van Bourgondië. Tien jaar later zou zij van hem één van de machtigste mannen van Vlaanderen maken.

Uit “Flandria Illustrata” door Antonius Sanderus (1641)

De enige plaats waar we nog iets over van Jan van Dadizele konden vinden, was in de basiliek van Dadizele, hoewel deze pas 400 jaar na zijn dood werd gebouwd.
De basiliek staat helemaal buiten proportie imposant te wezen in deze landelijke gemeente. Ze is zo groot dat je ze onmogelijk op haar geheel op de foto kan krijgen.

Ook binnenin straalt deze basiliek ontzag en rijkdom uit.

Het albasten Mariabeeldje uit de 15e eeuw heeft er een prominente plaats gekregen.

De basiliek heeft prachtige glasramen die de geschiedenis van Dadizele vertellen. Eén van die glasramen viel ons meteen op. Daar stond het hertogelijk paar, Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk. Ze zijn nooit in deze Basiliek geweest omdat die er toen nog niet stond, maar ze bezochten Dadizele wel, op 19 augustus 1479. De man die hen had uitgenodigd, Jan van Dadizele staat afgebeeld op een ander glasraam (rechts op de foto).

Voorlopig was dit het enige spoor dat naar Jan van Dadizele verwees. Maar we wisten dat we de man konden vinden in de crypte van de basiliek. Vanaf een gouden baldakijn, afgeschermd door een smeedijzeren hek, leidde een dubbele trap met even mooie smeedijzeren leuningen ons naar beneden, naar de crypte toe.

(wordt vervolgd)

Een fietstochtje van niks. (2/2)

Met mijn fiets aan de hand had ik via het vlonderpad de meersen overgestoken, nabij het mini-dorp “Zeveren”. Eenmaal aan de overkant fietste ik verder langsheen een mooi natuurgebied.

Volgens “Natuurpunt” heet het hier de “Zeverenbeekvallei”, een beschermd natuurgebied van 200 hectaren dat bestaat uit diverse biotopen, zoals meersen, dotterhooilanden en broekbossen. Dit natuurgebied ontstond na de ijstijden, toen hier een moeras van een metersdikke veenlaag werd gevormd.

Ik trapte gezwind verder langs een kaarsrecht macadam-baantje, met links van mij een bos en aan mijn rechterkant malse weiden, tot ik bij enkele boerderijen aankwam.

Zo reed ik ook voorbij het hoevetje waar kunstenaar Juul Claeys woonde. Toen Juul Claeys hier in 1966 zijn intrek nam, maakte hij van de stal en de duiventoren, aanpalend aan de woning, zijn atelier.

Juul Claeys werd geboren in 1930. Hij combineerde vanaf 1964 het beroep van piloot met een opleiding aan de academies van Gent en Deinze. Hij ging in de leer bij Jan Burssens, Armand Blondeel en Roger Raveel en werd in 1972 zelf leraar aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in Deinze. De kunstenaar debuteerde in een vrij klassieke stijl en evolueerde naar abstract expressionisme. Hij overleed in 2002.

Omgeven door groen en natuurschoon, fietste ik verder in de richting van het dorpscentrum van Zeveren…

… tot ik aan het dorpspleintje kwam waar de Sint-Amanduskerk staat.

De deur stond open en ik ging even binnepiepen in dit stemmig kerkje.

Op het pleintje voor de kerk staat nog steeds een schandpaal. Deze staat hier al sinds de middeleeuwen en werd tot in de 19e eeuw gebruikt. De paal die er nu staat is slechts een kopie van de originele paal, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd werd. Wat er nog rest van de oorspronkelijke paal wordt bewaard in het Museum van Deinze en de Leiestreek.

Bij deze schandpaal eindigde mijn rit. Het was tijd om huiswaarts te keren.
Net zoals het bruggetje van daarnet, was dit een fietstochtje van niks. Maar voor mij volstond het om het algemeen welzijn van mijn gewrichten te onderhouden en te genieten van een fijne nazomerdag. 🙂

Het Galgenpad. (1/2)

Op dinsdag 20 juli waren mijn vrouw en ik in Westrem, een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Wetteren. Een streek die we vrij goed kennen omdat we daar negen jaar hebben gewoond en waar we nog graag eens naar terugkeren.
Die dinsdag was het nog prachtig zomerweer, iets wat we sindsdien niet zo vaak meer hebben gehad. We zouden het “Galgenpad” volgen, een bewegwijzerde wandeling van 6,9 km, ideaal om onze stramme gewrichten los te krijgen en ver weg van alle drukte. De wandeling begon aan het pittoreske kerkje van Westrem.

De St.Martinuskerk en haar omringend kerkhof zijn gebouwd op een kleine heuvel, midden in het dorp. Sinds 1936 is het kerkje een beschermd monument. De eerste vermelding van de St.Martinuskerk is terug te vinden in een document uit 1145. Het kerkje werd in de loop der eeuwen enkele keren verbouwd.

De kerk wordt sinds januari 2018 echter niet meer gebruikt voor erediensten. Ze werd een tijd geleden ontwijd en er was intussen zelfs even een antiekzaak in gevestigd. Nu wordt ze vooral gebruikt door de cultuurdienst van de gemeente Wetteren voor kleine tentoonstellingen of evenementen.

We vertrokken dus aan het kerkje voor een rustige, zomerse wandeling.
Algauw moesten we over de spoorweg via een steil gebogen “ezelsbrugje”, zoals het hier wordt genoemd. Of er nog altijd ezels dit brugje oversteken betwijfel ik.

“Het Galgenpad” liep verder langs de spoorlijn.

Het duurde een hele poos voor we naast ons de spoorweg achter het struikgewas zagen verdwijnen en het pad ons langs de akkers naar een klein bosje leidde.

Aan de rand van dat bosje moesten we een wegel inslaan, ” Het Leentje” genaamd, die uitkwam op “Het Galgenveld”.

“Het Galgenveld” is een onontgonnen veld waar in de donkerste jaren van de middeleeuwen boeven, of gewoon arme drommels die pech hadden gehad, werden opgehangen. Misschien steken hier, diep in de grond, nog de knoken van middeleeuwers die op dit veld hun laatste adem uitbliezen ? ’s Nachts dwalen hun geesten hier waarschijnlijk nog rond.

Het veld is nu een soort niemandsland. Geen boer die het in z’n hoofd haalt om dit stuk grond te bewerken of er iets aan te planten.

In de schaduw van de bomen, aan de rand van het veld, hielden we een korte drinkpauze, waarna we onze wandeling verder zetten.

(wordt vervolgd)

Het archeologisch park. (2/2)

We hadden uiteindelijk de archeologische site van Ename bereikt, dat enkele honderden meters achter het provinciaal erfgoedcentrum ligt.
Hier stond ooit de Sint-Salvatorabdij van Ename.

Eerst stond er een burcht die de grens van het Heilig Roomse Rijk met Frankrijk moest beschermen. Maar in 1033 werd de burcht ingenomen door Boudewijn IV, de graaf van Vlaanderen. Diens zoon, Boudewijn V hervormde, op verzoek van zijn vrouw, het militair bolwerk tot een abdij ten bate van de benedictijnen orde.
In de eeuwen die daarop volgden vestigden boeren en werklieden zich rondom de abdij en werd de abdij in de streek het centrum van het leven.

Uit de “Flandria Illustrata” door Anonius Sanderius (1641)

Dat bleef zo tot 1794 wanneer de Franse revolutionairen de abdij lieten sluiten en afbreken. Later werden met de afgebroken stenen huizen gebouwd in Ename.

Het eerste archeologisch onderzoek op deze site werd reeds gedaan in 1946, wanneer de grondvesten van de abdijkerk werden blootgelegd.
Sinds 1982 zijn de opgravingswerken op systematische en grootschalige wijze hervat. Niet alleen de grondvesten van de abdij werden in kaart gebracht, maar ook de grondvesten van de oorspronkelijke burcht.

De rijke archeologische vonsten die op deze site werden gedaan worden bewaard in het Provinciaal Archeologisch Museum (PAM) in Ename. Men kan er ook een virtuele middeleeuwse rondwandeling maken in en rondom de abdij.

Een dorp in wit en blauw. (3/4)

De oorspronkelijke Parochiekerk Sint-Petrus-en-Paulus van Hansbeke dateerde van de 12e eeuw, maar werd in 1790 volledig herbouwd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de kerk echter grotendeels verwoest, waardoor ze, in de jaren twintig van vorige eeuw, voor een tweede keer moest worden heropgebouwd.

Op het kerkplein staat een schandpaal uit vroegere tijden. Ik heb niet kunnen achterhalen voor hoever dit een origineel exemplaar is.
Aan de oostkant is tegenaan de kerk een boogvormig gewelf gebouwd met daarin een grafmonument van de adelijke familie Borluut.

Het voormalig kerkhof is verdwenen en vervangen door een gekasseid plein, afgezoomd met een muur en met prachtige leilinden.

Ik ging binnen in de kerk ook eens een kijkje nemen. Een verrassend mooie kerk met witgekalkte muren en heel veel lichtinval.

Naast en achter de kerk bevind zich een grasperk met daarin nog meer van deze mooie leilinden, netjes in een rij opgesteld. Reeds in de 18e eeuw werden deze leilinden aangepland en zijn nu geklasseerd en beschermd als monument.

Achter de kerk zette ik mijn verkenningstocht door het dorp van Hansbeke verder, op zoek naar nog meer vensterluiken of deuren in wit en blauw.

Erg lang hoefde ik daar niet naar te zoeken.

(wordt vervolgd)

Een dorp in wit en blauw. (2/4)

Ik was op wandel in Hansbeke, een deelgemeente van Nevele. Nadat ik even had binnen gegluurd in de Onze-Lieve-vrouw-van-Lourdes Kapel, stapte ik verder in de richting van het dorpscentrum. Aan het begin van de dorpskom merkte ik aan een zijgevel weer de typische wit-blauwe vensterluiken. Het huis is een gastenverblijf met bed & breakfast, waar een blauw-wit gestreepte deur toegang verschaft.

Aanpalend aan het gastenverblijf staan twee lage boerenarbeidershuisjes uit de 18e eeuw.

Deze arbeidershuisjes behoren tot de meest authentieke huisjes van het dorp en zijn sinds 1981 als monument beschermd.

Wat verder springt, aan de overkant van de straat, dit alleenstaand groot dubbelhuis in het oog, waaraan ook de witblauwe vensterluiken niet ontbreken.

Dit huis was oorspronkelijk een afspanning die reeds wordt vermeld in documenten uit 1648. Circa 1774 werd de afspanning omgebouwd tot “wethuijs” en van 1880 tot 1959 deed het dienst als postkantoor.
Momenteel is er ook in dit huis een restaurant in gevestigd.

Recht tegenover dat huis staat aan de overzijde van de straat de Sint-Petrus-en-Pauluskerk.

(wordt vervolgd)