Terug naar het verleden.

Morgen is het 1 september en is de zomervakantie alweer voorbij. Intussen heb ik mijn vrijwilligerswerk in het museum van Deinze hervat, daar waar ik ruim vijf maanden geleden gebleven was, toen alles plotseling werd stilgelegd omwille van het corona-virus.
Ik ben opnieuw in het fotoarchief van het museum gedoken. Er moeten nog heel wat foto’s worden gedigitaliseerd en geïnventariseerd.
Foto’s zoals deze hieronder, die genomen is in Deinze tijdens de Eerste Wereldoorlog. Achter het stadhuis, in de Kaaistraat, stonden de mensen aan te schuiven voor de soep- en melkbedeling. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar. Dat kon want er was toen geen corona. Maar er was wel veel honger en ellende.

Ook bij de Erfgoedcel is er een interessant project waar ik als vrijwilliger graag wil aan meewerken.
Er zijn op zolder, bij een overleden groottante van een mevrouw uit de Leiestreek, een aantal dozen gevonden met daarin talloze brieven. Brieven die geschreven zijn tussen 1913 en 1916 door de moeder van die groottante. Ze schreef naar haar liefje en naar haar familie. Ze werkte als dienstmeid bij een rijke Duitse familie. Toen de oorlog uitbrak moest die familie vluchten, eerst naar Parijs en later naar Duitsland. En zij moest met hen mee, omdat ze als dienstmeid zowat tot het meubilair van die familie behoorde.
Ze schrijft in haar brieven ook over de gruwelen van de oorlog. Het zijn getuigenissen uit eerste hand, op het moment dat het zich allemaal afspeelde, geschreven met potlood op broze velletjes papier.
Een schat aan erfgoedmateriaal dat allemaal moet worden gedigitaliseerd .

Voorts zijn mijn vriend Manu en ik deze zomer in de ban geraakt van een beeldschone vrouw. Wij zijn haar achterna gegaan. Geen sinecure voor twee verlegen jongens, zoals wij. Maar de dame is het waard, want ze is niet alleen mooi en knap, ze is ook rijk, intelligent, sympathiek en reeds 538 jaar dood. Maar dat laatste is slechts een detail. 🙂
Het komende najaar vertel ik er vast en zeker meer over op deze blog.

Een dorp ten voeten uit. (6/8)

Op onze wandelzoektocht door het dorp Machelen waren mijn vrouw bij het Roger Raveelmuseum aangekomen. Omdat dit museum deel uitmaakt van de biënnale van de schilderkunst, die deze zomer in de Leiestreek wordt georganiseerd, gingen we binnen eens een kijkje nemen.
De benedenverdieping van het museum is volledig aan het thema van de biënnale gewijd (binnenskamers), terwijl op de bovenverdieping de vaste collectie te zien is met vooral werken van de grootmeester zelf.
Nu moet ik eerlijk bekennen dat het werk van Roger Raveel, niettegenstaande zijn wereldwijde faam, nooit echt mijn ding is geweest. Maar wie ben ik, om daarover te oordelen ?

Voor we het museum verlieten gingen we eerst nog even een kijkje nemen in de achtertuin van het museum.

Een half uurtje later stonden we opnieuw aan de buitenkant van het moderne gebouw, dat aan de binnenkant een heel bijzondere architectuur heeft en aan de buitenkant fel contrasteert met de kapel van het oude klooster dat er recht tegenover staat.

Vandaar wandelden we naar het pleintje naast de Kloosterstraat, waar zich een kleine speeltuin bevindt en waar een arduinen ping-pong tafel staat. Het correcte Nederlandse woord is een beetje raar, vind ik : tafeltennistafel. Dat is natuurlijk omdat je op een tennistafel tafeltennis speelt. 🙂

Er zijn hier ook enkele petanque-banen aangelegd. In een normale zomer worden hier vaak petanque-toernooien gespeeld. Maar in deze corona-tijden ligt dit pleintje er meestal verlaten bij.

Op deze plaats moesten verder geen vragen of fotopuzzels meer worden opgelost. We keerden terug naar de Petegemstraat. Terwijl achter ons een dikke, grijze wolk kwam opzetten, passeerden we nogmaals café ”’t Tonneke”. Ook de andere kant van de straat was afgesloten voor doorgaand verkeer, maar te voet konden wij erdoor.

De sombere wolk kon ons niet inhalen, noch de pret bederven. Op het kruispunt van de Petegemstraat met de Molenkouterstraat staat het merkwaardig huisje, waarin een piepklein winkeltje met allerlei prullaria is in ondergebracht. Maar die namiddag leek alles in het dorp wel potdicht, zo ook het winkeltje. Het dorp leek wel in lockdown, maar het was gewoon een rustige maandagnamiddag, vlak na afloop van de dorpskermis.

Vanaf hier begon het laatste gedeelte van deze wandelzoektocht, dat ons weer een eindje buiten de dorpskern zou brengen.

(wordt vervolgd)

Een dorp ten voeten uit. (5/8)

Mijn vrouw en ik waren dus de wandelzoektocht aan het doen, die deze zomer in Machelen wordt georganiseerd en we waren intussen op het Leieplein aangekomen. Op de hoek van het Leieplein met de Karperstraat staat een huis waar vroeger “De Karper” was gevestigd, een dorpscafé dat vele jaren lang werd uitgebaat door twee zussen. Deze zussen vormden het onderwerp van één van de quizvragen die bij deze zoektocht hoorden. We moesten de namen van de zussen zien te achterhalen. Ze hebben het ons echt niet gemakkelijk gemaakt, daar in dat dorp aan de Leie.
De Karper heeft inmiddels zijdelings achteraan een moderne aanbouw gekregen (niet te zien op de foto) waarin nu een restaurant is gevestigd.
Wij wandelden verder de Karperstraat in.

Halfweg de Karperstraat staat het “Biechtstoeleke“. Zo wordt het oudste huisje van Machelen genoemd. Het huisje dateert van de 17e eeuw. Ooit woonde er een chirurgijn. Later was het ook een bakkerijtje en een kruidenierswinkeltje. Tussen de winkelruimte en de leefruimte was een muur gebouwd met een kleine opening waardoor men kon zien of er klanten in de winkel stonden. Het luik in de muur deed een beetje denken aan een luik in een biechtstoel, vandaar de naam van het huisje.
In het huisje heeft lange tijd kunstschilder Martin Wallaert gewoond. Maar die is vorige jaar verhuisd naar een andere plek in het dorp. Momenteel woont er iemand die houten muziekinstrumenten maakt.

Een brouwerij uit de buurt brouwt op kleine schaal een ambachtelijk bier met dezelfde naam als het huisje. Een biechtstoeleke schijnt een zeer verfrissend biertje te zijn met een rijke smaak en een licht alcoholgehalte en wordt naar verluid bij de poort naast het huisje sporadisch aangeboden.

Omtrent het biechtstoelke werden geen quizvragen gesteld, dus liepen we hier voorbij. Aan het einde van de Karperstraat, op het kruispunt met de Gildestraat, kom je bij het Roger Raveelmuseum, niet te verwarren met het atelier van de kunstenaar, dat we vroeger op deze wandeling tegenkwamen. Maar voor we naar het museum toe gingen, liepen we eerst nog even verder tot aan het dorpspleintje.

Op het dorpspleintje staat sinds jaar en dag het café/brasserie “De Afspanning”, dat op deze stille namiddag gesloten was.

“De Afspanning” is reeds te zien op heel oude foto’s van het dorp. Zoals op de foto hieronder, die dateert van omstreeks 1900. Op de kerktoren staat nog een kleine, wat afgeknotte spits. In 1914 was men begonnen met het bouwen van een grotere spits op de kerktoren, maar die werd in 1918 alweer kapot geschoten tijdens een Duits bombardement.
In die tijd was de afspanning deels herberg en deel gemeentehuis.

Aan de andere kant van het dorpspleintje, bij het begin van de Petegemstraat, staat het “Tonneke”. Nog zo’n gezellig dorpscafé dat hier al heel lang staat. In de jaren ’50 en ’60 van vorige eeuw werden hier reeds “carambole wedstrijden” gehouden, wat nu nog altijd gebeurt.
Doordat het cafeetje niet zo groot is en ook geen buitenterras heeft, was er een probleem met de huidige corona toestanden. Daarom heeft de burgemeester de Petegemstraat laten afsluiten en kan de herbergier op de straat een terras open stellen en zo wat meer volk ontvangen, terwijl iedereen op virus-veilige afstand van elkaar kan blijven. Te voet kan je nog steeds de straat in, maar voertuigen dienen hier voortaan en tot nader order de pijlen van de wegomlegging te volgen.

We zouden hier later nog eens langskomen, om onze zoektocht verder te zetten. Maar eerst keerden we op onze stappen terug naar het Roger Raveelmuseum, waar schuin tegenover de ingang alweer een “zuil van Raveel” staat.

Het Roger Raveelmuseum maakt eveneens deel uit van het drieluik van de biënnale van de schilderkunst, waar ik het vorige week reeds over had. Daarom wilden wij binnen wel eens een kijkje gaan nemen.

(wordt vervolgd)

Binnenskamers.

Vorige week heeft het Museum van Deinze en de Leiestreek (Mudel) haar deuren opnieuw geopend voor een gloednieuwe tentoonstelling. Hoog tijd dus om weer een beetje reclame te maken voor “ons” museum.
De nieuwe tentoonstelling loopt onder de titel “‘Binnenskamers”. Dit thema werd reeds gekozen voor de uitbraak van het coronavirus maar heeft in deze tijden een bijzondere weerklank gekregen.
De tentoonstelling past in het kader van de zevende biënnale van de schilderkunst en wordt tezelfdertijd in drie verschillende Leiemusea georganiseerd, namelijk in het Mudel in Deinze, het Roger Raveelmuseum in Machelen aan de Leie en het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. De musea liggen op een kwartiertje fietsafstand van elkaar en kan je met eenzelfde toegangsticket bezoeken.

In het museum in Deinze zijn alvast heel mooie werken te zien en niet alleen van kunstenaars uit de Leiestreek. Zo zijn er onder meer schilderijen te bewonderen van drie belangrijke Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw : Jan Sluijters, Charley Toorop en Carel Willink. Daarnaast zijn enkele fijne schilderijen van Jan van Beers uit Lier mij ook opgevallen.
Bij de moderne kunst had ik vooral oog voor het verbluffend werk van de Russische kunstenares Olga Fedorova. Er hangt ook opvallend werk van enkele jonge Gentse kunstenaars, onder meer knappe composities van Bendt Eyckermans en erotische kunst van Joëlle Dubois.
Naast nog heel wat meer aanstormend talent zijn natuurlijk ook de oude Latemse klassiekers aanwezig, zoals Emile Claus en Léon De Smet.
Het is een zeer gevarieerde tentoonstelling, waarin iedere kunstliefhebber wel zijn gading zal vinden en die volledig corona-proof wordt georganiseerd. Het is overigens voor de medewerkers van het museum een huzarenstukje geweest om deze tentoonstelling in volle lockdown-periode tot stand te brengen.

Hieronder staan foto’s van enkele werken die momenteel in het Mudel te zien zijn. De foto’s zijn aanklikbaar om ze in een groter formaat te bekijken. Ik nam de foto’s vorige vrijdag losjes uit de hand met m’n smartphone, waardoor de kwaliteit niet altijd optimaal is.

De Lange Max. (4/4)

Van het terrein waar zich de geschutsbedding van de Lange Max bevond, keerden we langs dezelfde weg terug naar het centrale plein van de site. Het eerste gebouw, waar je langs komt op de site is een nieuw gebouwd huis, waarin zich een infostand bevindt en waar je tickets kan kopen.

Maar wat meteen opvalt is het “bakhuisje” dat ernaast staat. Dit bakhuisje, dat mooi gerestaureerd is, stond hier reeds toen de Duitse troepen zich hier hadden verzameld rond hun superkanon, en maakte ooit deel uit van een boerderijtje dat door de Duitsers in beslag was genomen. Een idyllisch huisje, dat midden de Vlaamse velden stond… tweehonderd meter verderop bulderde het kanon.

We wandelden even omheen het huisje. Aan de en zijkant bevond zich de deur van het kleinste kamertje, dat indertijd wellicht enkel door de hogere officieren mocht worden gebruikt.

Binnenin ziet de bakplaats, waar zich de oven bevindt, er nog steeds hetzelfde uit als toen. In deze oven hebben Duitse soldaten hun brood gebakken.

Achter de bakplaats was destijds een kleine koeienstal. De dieren in de stal konden in de winter mee profiteren van de warmte van de bakoven.
De koeienstal was nu omgebouwd tot een mini-bioscoopzaaltje. Daar speelde doorlopend een kort filmpje waarin in een notendop de historie van de Lange Max uiteen werd gezet.

Rechts van het bakhuisje stond een grote schuur. Slechts een deel ervan is nog origineel. Ernaast stond een sculptuur in knalrood metaal van Gerrit Germonpré, dezelfde kunstenaar van wie we daarvoor bij de geschutsbedding ook al werken hadden gezien.
In deze schuur bevond zich het eigenlijke museum.

Het museum is niet bijzonder groot, maar wel heel interessant. Het vertelt het verhaal over de Lange Max en belicht daarbij vooral de Duitse kant van de Eerste Wereldoorlog. Alles wordt geïllustreerd met prachtige uitvergrote foto’s en interactieve computerschermen. Er is eveneens een schaalmodel van de Lange Max nagebouwd.

Toen het Duitse leger in oktober 1918 op de vlucht moest slaan voor het Belgische en Franse eindoffensief, hebben ze nog zelf geprobeerd om het kanon te vernietigen, alvorens te vertrekken. Ze lieten de loop zakken en vuurden een granaat af op de metersdikke betonnen omwalling in de hoop dat het kanon hierdoor zou imploderen. Maar de granaat sloeg enkel een bres in het beton. Het kanon zelf bleef intact.
Na de oorlog werd het kanon een studieobject voor Franse, Britse en Amerikaanse artillerie specialisten. Tijdens het interbellum werd de Lange Max zelfs een toeristische bezienswaardigheid.
Maar in 1940 vielen de Duitsers opnieuw ons land binnen, namen het kanon in beslag en voerden het terug naar Duitsland om het aldaar te ontmantelen en te recycleren tot nieuw oorlogstuig.

Het was een boeiend bezoek aan deze Lange Max site. Een museum dat er kwam op initiatief van, en gerund wordt door enkele enthousiaste vrijwilligers, in samenwerking met archeologische kringen uit de streek en met het geld van enkele welgestelde sponsors.
Wij vonden dat het echt wel de moeite loont om voor dit museum naar het verre West-Vlaanderen te komen. Hoedje af voor wat de vrijwilligers hier voor mekaar hebben gekregen.

We dronken achteraf nog een koffie in de cafétaria. Doordat we ’s middags ons buikje hadden rond gegeten, hadden we nog geen trek in pannenkoeken of andere lekkernijen.
We verlieten de Lange Max site met een goed gevoel. Nu kwam het er alleen nog op aan om de juiste weg terug naar huis te vinden.

De Lange Max. (2/4)

We waren in Leugenboom, een gehucht dat bij de gemeente Koekelare hoort, en we waren de weg kwijt. We wisten niet meer welke kant we uit moesten. Aan de bomen hoef je het in Leugenboom niet te vragen, natuurlijk.
We sakkerden verder langs de smalle wegjes die zich tussen de West-Vlaamse velden kronkelden. Maar plots zagen we, geheel onverwacht, langs de kant van de weg een onopvallend bordje staan die de richting aanwees naar het Lange Max Museum. En ja hoor, even later reden we door een smeedijzeren hek (dat gelukkig open stond) de parking van het museum op.

Oef ! Wat we al lang niet meer hadden durven hopen, was toch gebeurd : we hadden onze bestemming bereikt. Intussen was het al voorbij het middaguur. We waren reeds van ’s ochtends op pad en we hadden honger gekregen. Gelukkig vonden wij wat verder op de parking een fraaie cafetaria, waar we vriendelijk en volkomen corona-proof werden onthaald en waar we voor een democratische prijs van een stevige en super lekkere maaltijd konden genieten.

Daarna gingen we op pad om de site te verkennen. Het museum zelf ging pas open om twee uur, dus hadden we nog even tijd om wat rond te wandelen.
De weg naar de plaats waar de bedding zich bevindt, waarin ooit de Lange Max had gestaan, bleek tussen twee hoge hagen te lopen. Er stond niemand op wacht, dus hadden we vrije doorgang.

Zo kwamen we op een open terrein terecht, waar we aan de rand ervan, ietwat verscholen onder de bomen, een mini-versie van de Lange Max zagen staan.

Bij de toegang naar het terrein stond nog een gehavend wachthuisje, ditmaal opgetrokken uit beton. Geen idee of het een origineel wachthuisje uit W.O.I was.
Daar omheen waren diverse kunstwerken opgesteld van de uit Koekelare afkomstige en in 2017 overleden kunstenaar Gerrit Germonpré.

Vanonder een hoge boom keek een bankje uit over het terrein.

We liepen verder het veld op en plotseling stond wij voor een immens grote put.

(wordt vervolgd)