Wetenschap, twijfel & kunst. (1/4)

Het Gents Universiteits Museum (GUM) is gelegen aan het Citadelpark in Gent, met het Museum voor Schone kunsten (MSK) als buur. We hadden de aanpalende plantentuin van de Universiteit bezocht, van waaruit we al een blik hadden kunnen werpen op het gebouw waarin het museum is ondergebracht.

Naast de ingang van het gebouw is op de rechtergevel een enorme muurschildering aangebracht. Op een oppervlakte van 290 m2 schilderde muralist ROA (pseudoniem voor een anonieme street-art kunstenaar) de skeletten van een olifant, neushoorn, grizzlybeer en okapi.

Op een muurtje bij de inkomhal staat de slogan en het motto waaronder dit museum zich profileert : “Forum voor wetenschap, twijfel & kunst”.

Eenmaal binnen in het gebouw ging het met de lift naar hogere verdiepingen, waar we langs de mural heen een prachtig uitzicht kregen over de plantentuin en de Victoriaserre, waarin we een half uurtje ervoor nog hadden rondgelopen.

Het eerste wat we zagen toen we het museum betraden was “chaos”.

Dit museum herbergt een enorme collectie aan academisch erfgoed. Het is een bont allegaartje aan studieobjecten uit de meest verschillende takken van de wetenschap : natuurkunde, geneeskunde, kunstwetenschappen, biologie, geologie, archeologie, technologie en nog veel meer “ologieën”. Het is alsof ze in iedere faculteit van de unief hun zolder hebben opgeruimd en al het materiaal hier hebben gedeponeerd.
Wetenschappers leggen vaak collecties aan van de dingen die ze bestuderen. De kunst is om die collectie in goede staat te houden.

Het reconstrueren van deze skeletten van een zwaardvis en een krokodil is waarschijnlijk niet zo eenvoudig als het lijkt.

Etnologische voorwerpen van oude en vreemde culturen zijn eveneens ruimschoots verzameld in dit museum. Zo zagen we in deze kast een masker dat volgens de bijhorende informatie een “sacraal Glé-hoofd” was, afkomstig van de Afrikaanse Ivoorkust, dat tijdens rituelen werd besmeurd met gif en bloed.

Ook deze “vuurspuwmasker” werden gebruikt tijdens rituele dansen van de Senofo-stam. Deze etnische voorwerpen werden verzameld tijdens een expeditie aan de Ivoorkust in 1938.

Het was algauw duidelijk dat het onbegonnen werk zou zijn om alle voorwerpen die in dit museum zijn tentoon gesteld apart te bekijken.
Het motto van het museum leek in elk geval van toepassing. We hadden in deze eerste zaal al wetenschap gezien en Afrikaanse Kunst en we hadden hier en daar al getwijfeld. En ons museumbezoek was nog maar pas begonnen.

(wordt vervolgd)

Erfenis van de Koude Oorlog.

Onze zoon was deze zomer op vakantie in het mooie Heuvelland, in de verre Westhoek. We zijn hem daar een keertje gaan opzoeken. Ik was helaas mijn fototoestel vergeten. Voor dit postje mocht ik gelukkig enkele foto’s lenen die Zoonlief met z’n gsm heeft genomen.

We brachten een bezoek aan de Commandobunker Kemmel, die zich bevindt in de buik van de Kemmelberg. Deze enorme bunker werd gebouwd in volle Koude Oorlog, ergens begin jaren vijftig. Toen was het bestaan van deze bunker een strikt militair geheim. Het was een coördinatiebunker voor de West-Europese luchtverdediging. Het is een zeldzame getuige van de toen gespannen situatie tussen de communistische wereld en het Westen.
Maar na de val van de Berlijnse muur in 1989 verloor hij zijn nut en bleef de bunker ongebruikt achter. Omdat men vond dat deze site te waardevol was om te laten verloren gaan, bouwde men de bunker om tot een museum.
Voor de ingang ervan staat een origineel stuk van de Berlijnse muur opgesteld.

De Commandobunker heeft drie verdiepingen onder de grond en telt meer dan vijftig lokalen. De tijd is er als het ware blijven stil staan. Alles is zoveel mogelijk in originele staat behouden.

Allerhande toestellen, voor die tijd ultra modern en zeer geheim materiaal, staan er opgesteld.

Er zijn kantoren ingericht, uitgerust met telefoon en telexen. Overal hangen landkaarten aan de muur.

Er is ook een verpleegpost.

De “Operation Room”, was destijds het zenuwcentrum van de bunker. Aan de wanden bevinden zich weer zeer gedetailleerde landkaartenwaar en een negen meter lange tijdsbalk.

Boven de “Operation Room” zijn er ruimtes, een soort kantoren, van waaruit men de besprekingen beneden kon volgen en van hieruit informatie kon doorsturen. Je kan hier nog steeds de zenuwachtige gespannenheid voelen van de militairen die hier indertijd rondliepen of vergaderden.

Infoborden, touchscreens, uniek beeldmateriaal en authentieke voorwerpen verduidelijken er de rol van de NAVO en het Belgisch leger tijdens de Koude oorlog. Wij vonden het een interessant museum dat je confronteert met een kille en gevaarlijke periode uit onze recente geschiedenis, maar dat zeker een bezoek waard is.

Met dank aan Zoonlief voor het gebruik van zijn foto’s. 🙂

Naar molens kijken. (2/2)

Op de bovenverdieping van het provinciaal erfgoedcentrum in Ename loopt een uitgebreide kunsttentoonstelling van landschapsschilderijen met de molen als centraal thema. Er zijn talrijke werken te zien van befaamde kunstenaars uit de Latemse school zoals Valerius de Saedeleer, Emile Claus, Gustave De Smet, Albert Saverys, Albijn Van den Abeele en Frits Van den Berghe.
Daarnaast hangen er ook werken van kunstenaars uit de Dendermondse school, waarvan Franz Courtens, Leo Spanoghe en Louis Jacobs de meest bekende zijn.
Ik maakte er enkele sfeerbeelden.

Leo Spanoghe – Landschap met boer bij windmolen (1920)
Franz Courtens – Landschap met molen (1890)
Constant Permeke – Landschap met molen te Tiegem (ca.1920)
Valerius de Saedeleer

Schilderijen van idyllische landschappen uit vervlogen tijden, die stuk voor stuk werden vervaardigd door grootmeesters in de schilderkunst.
De tentoonstelling “Naar molens kijken” is absoluut een bezoekje waard. Wij verlieten welgezind het erfgoedcentrum. Maar achter het gebouw in Ename is nog iets interessants te zien. Geen molen en ook geen kunst. Maar wel een abdij van de paters Benedictijnen of wat er nog van rest.
Daarover vertel ik een volgende keer meer.

(wordt vervolgd)

Naar molens kijken. (1/2)

Samen met het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen organiseren de erfgoedsite Mola en het provinciaal erfgoedcentrum in Ename momenteel een expo over het aloude ambacht van de molenaar. Een ambacht dat door de UNESCO is erkend als immatereel erfgoed.

Op 11 juni gingen wij een kijkje nemen in het erfgoedcentrum van Enname, waar aan de hand van maquettes, beelden en verhalen de geschiedenis van de molen uit de doeken wordt gedaan.

Windmolens associeert men vooral met Nederland, waar men nog steeds de meeste en de mooiste molens aantreft. Iedereen denkt dan ook dat de windmolens uit Nederland vandaan komen, maar dat blijkt niet te kloppen.

In de Romeinse tijd kende men reeds de watermolen en tijdens de Han-dynastie (25-220 na Chr.) zouden er in China reeds windmolens hebben gestaan.
De oudste geschreven documenten die op het bestaan van een windmolen in onze contreien wijzen, komen uit Zuid-Engeland en Noord-West Frankrijk. De allereerste windmolen, zoals wij die kennen, zou rond het jaar 1180 in Normandië zijn gebouwd.
Maar wetenschappers hebben recent ontdekt dat reeds honderd jaar daarvoor, omstreeks 1040, windmolens werden gebouwd in het graafschap Vlaanderen.

In het middeleeuws feodaal tijdperk waren landeigenaars ook eigenaar van water en wind. In hun heerlijkheid werden molenaars gedwongen om, in ruil voor een stuiver, al het gemalen graan af te staan aan de kasteelheer. Zij die het waagden om voor eigen rekening te malen werden met harde hand gestraft.

Jan Brueghel de Oude (1607)

Het is niet bekend wie het mechanisme van de molen heeft uitgevonden, maar het moet een genie zijn geweest die zijn tijd ver vooruit was. De huidige motor in voertuigen is nog steeds gebaseerd op hetzelfde mechanisch principe als dat van de windmolen.

In de 14de eeuw begon men in Nederland aan een heuse inhaalbeweging. Vooral in de 15de en 16de eeuw werden volop windmolens gebouwd in Nederland. In hun vlakke land konden de molens immers heel wat wind opvangen.

De geschiedenis van de Nederlandse molen komt in deze tentoonstelling ook ruim aan bod. Dat er bij de bouw van een molen ook wiskundige kennis aan te pas komt bewijst het middeleeuws handboek, uitgegeven in Amsterdam, dat naast enkele miniatuurmolens (replica’s van ooit echt bestaande molens in Nederland) is opgesteld.

In het museum is eveneens een maquette te zien van een rosmolen, waarbij paarden werden aangespannen aan een lange, gebogen balk die verbonden was met een spoorwiel of tandrad die de molensteen aandreef.

Op de bovenverdieping van het museum loopt een tentoonstelling over molens in de kunst. Molens zijn voor landschapsschilders steeds een bron van inspiratie geweest.
Op die bovenverdieping gaan we volgende keer een kijkje nemen.

Making my past.

Intussen ben ik al ruim een maand aan de slag als vrijwilliger in het Museum van Deinze en de Leiestreek en heb ik me weer helemaal verdiept in het fotografisch verleden van de Leiestreek.
In de zalen beneden loopt momenteel een tentoonstelling onder de titel “Making my past” van kunstenaar Michel Buylen.

Michel Buylen (°1953, Gent) is een kunstschilder die verbaast door zijn verbluffende virtuositeit. Eeuwenoude onderwerpen zoals het naakt, het kind, het landschap en de zee brengt hij met behulp van acryl tot leven. Bij elk werk toont hij op hyperrealistische wijze een sublieme, ietwat afstandelijke en bevreemende werkelijkheid.

Michel Buylen schildert vooral natuurlandschappen, bloemen en vrouwelijke naakten. Dat zijn ook de drie mooiste scheppingen op aarde. 🙂
De afbeeldingen hieronder lijken foto’s, maar het zijn wel degelijk schilderijen of tekeningen.

© Michel Buylen en Mudel

De hierboven afgebeelde werken van Michel Buylen fotografeerde ik in de zaal met mijn gsm. Door lichtweerkaatsingen zijn de afbeeldingen niet altijd even goed van kwaliteit. In het echt zijn de schilderijen mooier.

De expositie van Michel Buylen loopt nog in het Mudel tot 12 september en kan iedere dag, behalve op maandag, worden bezocht mits reservatie.
Voor meer info kan je klikken op onderstaande afbeelding.

De kunst van het drukken / 10

Wat vooraf ging

Deel 10 / Degels en cilinders

Met de komst van de regelzetmachine en het rastercliché was in de 19e eeuw de vooruitgang in de letterzetterijen er reeds flink op vooruit gegaan. Ook de drukpersen maakten in de loop der eeuwen een hele evolutie door.
De allereerste persen werden manueel aangedreven, op louter man- en spierkracht, waarbij een degel met de geïnkte drukvorm door middel van een hefboom op een schroef tegen het papier werd gedrukt.

Later kwamen de trapdegels, waarbij de draaibeweging van een wiel, de degel dicht liet klappen en zo het papier tegen de drukvorm perste. Deze persen werden vaak via een voetpedaal bediend.

Nog later kwamen de cilinderpersen, waarbij het papier op een roterende cilinder werd geklemd. Het zetsel bevond zich in een raam onder de cilinder. Via een vliegwiel ging de cilinder over en weer en draaide daarbij ook om z’n eigen as.
De automatische inktbak was eveneens een innoverende nieuwigheid. Via een “likrol” werd een streepje inkt op een inkttafel gelegd en daarna via een “verdeelrol” gelijkmatig verdeeld. De inkt werd vervolgens overgezet op drie andere inktrollen die uiteindelijk het zetsel inkten. Dit mechanisme zorgde voor een enorme vooruitgang in de druktechniek.

Toen kwam ook de stoommachine eraan te pas die voor de aandrijving zorgde en daarna kwam de elektriciteit. In de loop der tijden werden heel wat druksystemen uitgedokterd, de één al wat complexer dan de andere. Het zou ons veel te ver leiden om op al deze verschillende technieken in te gaan. Illustraties uit de 19e eeuw tonen een overzicht van wat er zoal aan drukpersen werd ineen geknutseld.

Het basisprincipe bij al deze technieken bleef steeds hetzelfde : het te bedrukken papier werd op een of andere manier tegen een geïnkt loden zetsel aangedrukt. Dit principe zou stand houden tot in de jaren ’70 van vorige eeuw. Pas met de komst van het “offset-methode” en de “reprografie” zouden deze machines, samen met de loden letters, definitief naar de musea verhuizen.

Wat drukpersen betreft is er één naam die klinkt als muziek in de oren van elke drukker. Het is de naam van een Duitse stad, in de deelstaat Baden-Württemberg, maar bovendien de naam van een iconisch drukpersenmerk : Heidelberg, de populairste onder alle drukpersen.
Volgende keer vertel ik daar wat meer over.


In het Industriemuseum van Gent

Bij een bezoek aan het Industriemuseum in Gent nam ik enkele foto’s van oude degel- en cilinderpersen.


Geraadpleegde bron : Industriemuseum Gent
Illustraties : Industriemuseum Gent
WikiCommons (publiek domein)