De kunst van het drukken / 6

Wat vooraf ging

Deel 6 / De eerste uitgeversmagnaat

Christoffel Plantijn door Pieter Paul Rubbens

De pioniers die de drukkersstiel beoefenden deden dat op ambachtelijke wijze en hun oplagen bleven veeleer beperkt. Boeken waren in den beginne uitsluitend beschikbaar voor wetenschappers, religieuzen en humanisten.

Christoffel Plantijn zag dat anders. Hij heette eigenlijk Plantin, was van Franse afkomst, maar vestigde zich in 1549 in Antwerpen waar hij met zijn achtergrond als leerbewerker en boekbinder een drukkerij opende. Hij gaf zijn drukkerij de naam “De Gulden Passer” en ontwierp er een logo voor.

Het embleem van Plantijn met de “Gulden Passer’ en de bijhorende spreuk ‘Labore et constantia’ (werk en doorzettingsvermogen)


Plantijn was gehuwd met Jeanne Rivière, die hij had leren kennen in Normandië. Samen kregen ze zes dochters en een zoon. Eén dochter en één zoon stierven vroeg. Zijn andere vijf dochters leerde hij persoonlijk lezen en schrijven, zodat ze op jonge leeftijd reeds in de drukkerij konden meehelpen om de proefdrukken te lezen, zowel in het Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Italiaans en Aramees.

Het ging Plantijn voor de wind met z’n drukkerszaak, maar hij kreeg het aan de stok met het Spaanse bewind. Hij verhuisde prompt naar Leiden (Nederland), waar hij in 1576 een nieuwe drukkerij opende en algauw benoemd werd tot drukker van de universiteit van Leiden.

Gedenksteen in Leiden


Maar ondertussen slaagde hij erin om terug in de gratie te komen van de Spaanse koning Fillips II. In 1585 keerde hij terug naar Antwerpen, waar hij zich ontpopte tot een belangrijke drukker van (Spaanse) religieuze boeken. Maar hij bleef ook wetenschappelijke en humanistische werken drukken en verwierf eveneens faam als drukker van muziekpartituren.

Plantijn geloofde sterk in de maatschappelijke rol van boeken. Hij zag het groots en begon ook met het drukken van kaarten en atlassen en zelfs het vervaardigen van wereldbollen en maakte boeken met prenten voor de ongeletterden. Naast zijn drukkerijen in Antwerpen en Leiden, opende hij ook een drukkersatelier in Parijs en Frankfurt.

In Antwerpen stelde hij aan 16 persen meer dan 50 werknemers te werk, wat voor die tijd ongezien was. Het werk werd onderling geregeld via schriftelijke ordonnanties. Hierin stonden de verantwoordelijkheden van zowel het werkvolk als van de baas genoteerd. Wie zich niet aan de afspraken hield, betaalde een boete in geld of in bier.
Plantijn bood over heel Europa de meest diverse drukwerken aan, in meerdere talen en in een record aantal lettertypes. Hij deed zelfs aan een vorm van merchandising. Christoffel Plantijn was een “marketeer” die van het drukkersambacht een commerciële bedrijvigheid maakte.

Zijn vijf dochters huwelijkte hij uit en zijn vijf schoonzoons gaf hij allemaal een functie in één van zijn drukkerijen. Bij de familie Plantijn stond het belang van de zaak steeds voorop.
Het was uiteindelijk één van de schoonzoons, Jan Moretus die samen met dochter Martina Plantijn de zaak overnam, toen Christoffel Plantijn in 1589 stierf.

Jan Moretus en Martina Plantijn

Vier jaar geleden bezocht ik het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. In dit prachtig museum duik je als het ware de 16 de eeuw binnen en kom je in de wereld van Plantijn terecht. Zijn persen en letterkasten zijn er nog te bewonderen, alsook boekenkasten vol met schitterende boeken.


Geraadpleegde bronnen :
museumplantinmoretus.be
visitantwerpcity.com
medium.com
Wikipedia
Illustraties : Wikipedia (publiek domein)

Poppenkastpoppenverzameling.

Nazaire Beeusaert, speelgoedfabrikant in Deinze tussen 1940 en 1960, was eveneens befaamd omwille van zijn poppenkastpoppen. Hij maakte bijna vijftig poppenkastfiguurtjes uit papier-maché, die hij voorzag van een bijpassend katoenen outfit.
Van ieder van deze poppenkastfiguurtjes hebben ze in de erfgoedafdeling van het Museum van Deinze (Mudel) een exemplaar bewaard.

In het museum hebben ze ook een exemplaar in “poppenkastpopvorm” van de goedheilige man en zijn trouwe vriend zelf.

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn alvast heel erg hun nopjes met deze “poppenkastpoppenverzameling”, zoals men dat volgens Zwarte Piet noemt.
Alle poppenkastpoppen staan netjes opgesteld in een speciaal daarvoor voorziene glazen kast, wat men dan, zo vertelde Zwarte Piet mij, een “poppenkastpoppenverzamelingkast” noemt.

Leverancier van Sinterklaas.

In de eerste helft van de vorige eeuw was de stad Deinze, waar ik woon, een belangrijk centrum voor de speelgoedindustrie. Hier waren enkele topleveranciers van Sinterklaas gevestigd.
Eén van hen was Nazaire Beeusaert. In zijn fabriek, langs de Gentsesteenweg, startte hij omstreeks 1941 onder meer met het vervaardigen van speelgoedsoldaatjes. Geen tinnen soldaatjes, maar soldaatjes gemaakt uit papier-maché. Dat was beter voor de geldbeugel van Sinterklaas. Zo maakte hij het hele leger van Napoleon, Wellington en de Pruisen na in papier-maché. Maar ook het Belgisch koningshuis; soldaten uit Wereldoorlog I, en de gendarmerie uit die tijd kwamen aan bod.
In het Museum van Deinze (Mudel) bewaart men nog steeds een schitterende collectie van deze speelgoedsoldaatjes. Sinterklaas komt ieder jaar persoonlijk langs in het museum om ze te bewonderen. Maar niet dit jaar, helaas, want de goede heilige man is al een dagje ouder en behoort bijgevolg tot de risicogroep voor covid en daarom blijft hij zoveel mogelijk in zijn bubbel.

(wordt vervolgd)

Middeleeuwse pins.

Ik keer nog even terug naar het Yper museum, waar men een schitterende collectie middeleeuwse insignes bewaart.
Deze insignes zijn loodtinnen draagspeldjes die men overal in Europa uit de grond heeft opgegraven. Ze werden massaal gedragen vanaf de twaalfde eeuw tot midden de zestiende eeuw.
Rondreizende marskramers en verhalenvertellers boden ze te koop aan op jaarmarkten en kermissen en op alle plaatsen waar veel volk bijeen kwam. Pelgrims kochten ze als aandenken op bedevaartplaatsen. Anderen kochten ze om er hun status, levensmotto, geloof of bijgeloof mee uit te drukken.

De thematiek van de pins was zeer verschillend. Zo had je speldjes met heiligen, koningen, prinsessen, ridders en mythische figuren, maar ook speldjes met muzikanten, molenaars of scheepvaarders en er waren bijvoorbeeld ook speldjes met wapens, gebruiksvoorwerpen en dieren. Men kan geen onderwerp zo gek bedenken of men had er in de middeleeuwen een speldje voor.
Het meest in trek echter waren de speldjes met erotische voorstellingen. De gemiddelde middeleeuwer bleek lang niet zo preuts te zijn als men denkt. Speldjes met suggestieve voorstellingen van wandelende of gevleugelde penissen en vagina’s of uitbeeldingen van fantasierijke seksuele standjes werden met trots door mannen en vrouwen op de jas gedragen.

De middeleeuwse insignes die in het Yper museum worden tentoongesteld zijn meer dan de moeite waard om van naderbij te bekijken. Ze geven een unieke en soms geestige inkijk in de leefwereld van de middeleeuwse mens.

Geraadpleegde bronnen :

ypermuseum.be
medievalbadges.org
historiek.net

Hard, maar plezant labeur.

Voortaan werk ik weer iedere dinsdag- en vrijdagnamiddag als vrijwilliger in het museum van Deinze (Mudel). Toen ik vorige week bij mijn bureau kwam was mijn ouwe computer verdwenen en stond daar een splinternieuwe computer te pronken. Meer nog, er stonden twee splinternieuwe computers te pronken, een desktop en een laptop die aan mekaar zijn gekoppeld. Een kadootje van de stad Deinze.
Ik heb die computers natuurlijk niet gekregen, ik mag er enkel op werken in het museum. Ik heb er een paar foto’ s van genomen met m’n mobieltje om te tonen hoe hard ik daar wel werk. 😉

Op een lange tafel naast m’n bureau staan de dozen met originele foto’s opgestapeld. Dat is maar een deeltje van het fotoarchief. Ik doe het werk nu al bijna vijf jaar (met een corona-onderbreking van vijf maanden) en in die tijd heb ik ongeveer 4000 foto’s gedigitaliseerd en gearchiveerd. Van iedere foto tracht ik zoveel mogelijk achtergrond gegevens te achterhalen die ik in een beknopte commentaartekst verwerk. Alle foto’s met de nodige uitleg verschijnen op de website van erfgoedinzicht.be
Het is dus niet zo dat vrijwilligers hun tijd verbeuzelen. Er liggen overigens nog stapels foto’s op mij te wachten in het museum. Als ik alles gedaan wil krijgen moet ik minstens 100 jaar oud worden. 🙂

De kunst van het drukken / 3

WAT VOORAF GING

Deel 3 / De letterkast en de cicero

foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

De “letterkast”was in de drukkerijen van destijds een zeer inventief meubelstuk. Zo’n kast bestond uit ongeveer vijventwintig uitneembare lades, die men bovenop een schuine desk kon zetten. Iedere lade bevatte loden letters in een bepaald lettertype en in een bepaalde grote. Bovenop de kast stond nog een opzetstuk en een stevige lamp zorgde voor de nodige verlichting.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

Zo’n lade van een letterkast was universeel en werd wereldwijd op dezelfde manier onderverdeeld. Men kan het vergelijken met een toetsenbord van een schrijfmachine of computer.
In de onderste vakken lagen de “kleine letters”. Die noemde men in vakjargon “onderkastletters“. Bovenaan lagen de “hoofdletters”, die noemde men “kapitalen”. Nu nog steeds spreekt men in vakjargon over onderkastletters en kapitalen, ook al worden de letterkasten al lang niet meer gebruikt.

Verder waren er in de lade vakken voorzien voor leestekens en speciale lettertekens en ook ruimtes voor het “kastwit” waarmee men spaties tussen de woorden en wit-ruimtes tussen de regels tot stand bracht.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent


Zoals een typist blindelings moet kunnen typen, zo moest een letterzetter blindelings iedere letter in de kastlade weten te vinden en ze aan een snel tempo één voor één in de zethaak kunnen plaatsen. Ieder letter stond uiteraard in spiegelschrift. Een letterzetter moest dus ook perfect een tekst in spiegelschrift kunnen lezen aan hetzelfde tempo waarop men een normale tekst leest. Al hield men bij twijfel al wel eens een spiegeltje boven het zetsel.

Binnenzicht van de de letterzetterij in drukkerij Van Melle (Gent) omstreeks 1935.
Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent
Typografische letterproef van het lettertype Egmont.
Het cijfer naast elke regel is de lettergrote
uitgedrukt in cicero. De afbeelding is niet op ware grote.
(afb :industriemuseum Gent)

De letterzetter moest dus over heel wat “skills” beschikken. Voor het zetten van een tekst had hij een zethaak ter beschikking, maar ook een cicerometer of metalen cicerolat. In de typografie werd de grote van de letters en de tussenruimtes niet uitgedrukt in centimeter, maar in cicero, genoemd naar de Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero. Eén cicero was gelijk aan 4,512 mm. Een cicero was niet decimaal, maar was onderverdeeld in twaalf punten. Op een cicerolat stonden bovenaan de cicero’s aangeduid en onderaan de centimeters.

cicerolat

De maateenheid cicero wordt nu nog steeds gebruikt in moderne computerprogramma’s voor het opmaken van teksten. Niet alleen bij dtp-programma’s voor de grafische industrie, maar ook bij het dagelijks gebruik van onze pc. De editor van WordPress maakt er weliswaar geen gebruik van, maar Microsoft Word en heel wat e-mail programma’s bijvoorbeeld, doen dat wel.
Zo kan je bij het typen van een e-mail bovenaan in je werkbalk de grote van de letters aanpassen door een dropdown open te klikken. Dan komt er een lijstje tevoorschijn van cijfers, meestal van 6 tot 72. Deze getallen zijn geen millimeters, maar cicero-punten. Letters in een normale, platte tekst hebben meestal een grote van 10 à 12 pt.
Dat hebben wij allemaal te danken aan de oude letterzetters van weleer.


In het industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : letterkasten en zetsels in het industriemuseum van Gent


Bron en illustraties : industriemuseum Gent