Hard, maar plezant labeur.

Voortaan werk ik weer iedere dinsdag- en vrijdagnamiddag als vrijwilliger in het museum van Deinze (Mudel). Toen ik vorige week bij mijn bureau kwam was mijn ouwe computer verdwenen en stond daar een splinternieuwe computer te pronken. Meer nog, er stonden twee splinternieuwe computers te pronken, een desktop en een laptop die aan mekaar zijn gekoppeld. Een kadootje van de stad Deinze.
Ik heb die computers natuurlijk niet gekregen, ik mag er enkel op werken in het museum. Ik heb er een paar foto’ s van genomen met m’n mobieltje om te tonen hoe hard ik daar wel werk. šŸ˜‰

Op een lange tafel naast m’n bureau staan de dozen met originele foto’s opgestapeld. Dat is maar een deeltje van het fotoarchief. Ik doe het werk nu al bijna vijf jaar (met een corona-onderbreking van vijf maanden) en in die tijd heb ik ongeveer 4000 foto’s gedigitaliseerd en gearchiveerd. Van iedere foto tracht ik zoveel mogelijk achtergrond gegevens te achterhalen die ik in een beknopte commentaartekst verwerk. Alle foto’s met de nodige uitleg verschijnen op de website van erfgoedinzicht.be
Het is dus niet zo dat vrijwilligers hun tijd verbeuzelen. Er liggen overigens nog stapels foto’s op mij te wachten in het museum. Als ik alles gedaan wil krijgen moet ik minstens 100 jaar oud worden. šŸ™‚

De kunst van het drukken / 3

WAT VOORAF GING

Deel 3 / De letterkast en de cicero

foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

De “letterkast”was in de drukkerijen van destijds een zeer inventief meubelstuk. Zo’n kast bestond uit ongeveer vijventwintig uitneembare lades, die men bovenop een schuine desk kon zetten. Iedere lade bevatte loden letters in een bepaald lettertype en in een bepaalde grote. Bovenop de kast stond nog een opzetstuk en een stevige lamp zorgde voor de nodige verlichting.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

Zo’n lade van een letterkast was universeel en werd wereldwijd op dezelfde manier onderverdeeld. Men kan het vergelijken met een toetsenbord van een schrijfmachine of computer.
In de onderste vakken lagen de “kleine letters”. Die noemde men in vakjargon “onderkastletters“. Bovenaan lagen de “hoofdletters”, die noemde men “kapitalen”. Nu nog steeds spreekt men in vakjargon over onderkastletters en kapitalen, ook al worden de letterkasten al lang niet meer gebruikt.

Verder waren er in de lade vakken voorzien voor leestekens en speciale lettertekens en ook ruimtes voor het “kastwit” waarmee men spaties tussen de woorden en wit-ruimtes tussen de regels tot stand bracht.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent


Zoals een typist blindelings moet kunnen typen, zo moest een letterzetter blindelings iedere letter in de kastlade weten te vinden en ze aan een snel tempo Ć©Ć©n voor Ć©Ć©n in de zethaak kunnen plaatsen. Ieder letter stond uiteraard in spiegelschrift. Een letterzetter moest dus ook perfect een tekst in spiegelschrift kunnen lezen aan hetzelfde tempo waarop men een normale tekst leest. Al hield men bij twijfel al wel eens een spiegeltje boven het zetsel.

Binnenzicht van de de letterzetterij in drukkerij Van Melle (Gent) omstreeks 1935.
Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent
Typografische letterproef van het lettertype Egmont.
Het cijfer naast elke regel is de lettergrote
uitgedrukt in cicero. De afbeelding is niet op ware grote.
(afb :industriemuseum Gent)

De letterzetter moest dus over heel wat “skills” beschikken. Voor het zetten van een tekst had hij een zethaak ter beschikking, maar ook een cicerometer of metalen cicerolat. In de typografie werd de grote van de letters en de tussenruimtes niet uitgedrukt in centimeter, maar in cicero, genoemd naar de Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero. EĆ©n cicero was gelijk aan 4,512 mm. Een cicero was niet decimaal, maar was onderverdeeld in twaalf punten. Op een cicerolat stonden bovenaan de cicero’s aangeduid en onderaan de centimeters.

cicerolat

De maateenheid cicero wordt nu nog steeds gebruikt in moderne computerprogramma’s voor het opmaken van teksten. Niet alleen bij dtp-programma’s voor de grafische industrie, maar ook bij het dagelijks gebruik van onze pc. De editor van WordPress maakt er weliswaar geen gebruik van, maar Microsoft Word en heel wat e-mail programma’s bijvoorbeeld, doen dat wel.
Zo kan je bij het typen van een e-mail bovenaan in je werkbalk de grote van de letters aanpassen door een dropdown open te klikken. Dan komt er een lijstje tevoorschijn van cijfers, meestal van 6 tot 72. Deze getallen zijn geen millimeters, maar cicero-punten. Letters in een normale, platte tekst hebben meestal een grote van 10 Ć  12 pt.
Dat hebben wij allemaal te danken aan de oude letterzetters van weleer.


In het industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : letterkasten en zetsels in het industriemuseum van Gent


Bron en illustraties : industriemuseum Gent

Terug naar het verleden.

Morgen is het 1 september en is de zomervakantie alweer voorbij. Intussen heb ik mijn vrijwilligerswerk in het museum van Deinze hervat, daar waar ik ruim vijf maanden geleden gebleven was, toen alles plotseling werd stilgelegd omwille van het corona-virus.
Ik ben opnieuw in het fotoarchief van het museum gedoken. Er moeten nog heel wat foto’s worden gedigitaliseerd en geĆÆnventariseerd.
Foto’s zoals deze hieronder, die genomen is in Deinze tijdens de Eerste Wereldoorlog. Achter het stadhuis, in de Kaaistraat, stonden de mensen aan te schuiven voor de soep- en melkbedeling. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar. Dat kon want er was toen geen corona. Maar er was wel veel honger en ellende.

Ook bij de Erfgoedcel is er een interessant project waar ik als vrijwilliger graag wil aan meewerken.
Er zijn op zolder, bij een overleden groottante van een mevrouw uit de Leiestreek, een aantal dozen gevonden met daarin talloze brieven. Brieven die geschreven zijn tussen 1913 en 1916 door de moeder van die groottante. Ze schreef naar haar liefje en naar haar familie. Ze werkte als dienstmeid bij een rijke Duitse familie. Toen de oorlog uitbrak moest die familie vluchten, eerst naar Parijs en later naar Duitsland. En zij moest met hen mee, omdat ze als dienstmeid zowat tot het meubilair van die familie behoorde.
Ze schrijft in haar brieven ook over de gruwelen van de oorlog. Het zijn getuigenissen uit eerste hand, op het moment dat het zich allemaal afspeelde, geschreven met potlood op broze velletjes papier.
Een schat aan erfgoedmateriaal dat allemaal moet worden gedigitaliseerd .

Voorts zijn mijn vriend Manu en ik deze zomer in de ban geraakt van een beeldschone vrouw. Wij zijn haar achterna gegaan. Geen sinecure voor twee verlegen jongens, zoals wij. Maar de dame is het waard, want ze is niet alleen mooi en knap, ze is ook rijk, intelligent, sympathiek en reeds 538 jaar dood. Maar dat laatste is slechts een detail. šŸ™‚
Het komende najaar vertel ik er vast en zeker meer over op deze blog.

Een dorp ten voeten uit. (6/8)

Op onze wandelzoektocht door het dorp Machelen waren mijn vrouw bij het Roger Raveelmuseum aangekomen. Omdat dit museum deel uitmaakt van de biƫnnale van de schilderkunst, die deze zomer in de Leiestreek wordt georganiseerd, gingen we binnen eens een kijkje nemen.
De benedenverdieping van het museum is volledig aan het thema van de biƫnnale gewijd (binnenskamers), terwijl op de bovenverdieping de vaste collectie te zien is met vooral werken van de grootmeester zelf.
Nu moet ik eerlijk bekennen dat het werk van Roger Raveel, niettegenstaande zijn wereldwijde faam, nooit echt mijn ding is geweest. Maar wie ben ik, om daarover te oordelen ?

Voor we het museum verlieten gingen we eerst nog even een kijkje nemen in de achtertuin van het museum.

Een half uurtje later stonden we opnieuw aan de buitenkant van het moderne gebouw, dat aan de binnenkant een heel bijzondere architectuur heeft en aan de buitenkant fel contrasteert met de kapel van het oude klooster dat er recht tegenover staat.

Vandaar wandelden we naar het pleintje naast de Kloosterstraat, waar zich een kleine speeltuin bevindt en waar een arduinen ping-pong tafel staat. Het correcte Nederlandse woord is een beetje raar, vind ik : tafeltennistafel. Dat is natuurlijk omdat je op een tennistafel tafeltennis speelt. šŸ™‚

Er zijn hier ook enkele petanque-banen aangelegd. In een normale zomer worden hier vaak petanque-toernooien gespeeld. Maar in deze corona-tijden ligt dit pleintje er meestal verlaten bij.

Op deze plaats moesten verder geen vragen of fotopuzzels meer worden opgelost. We keerden terug naar de Petegemstraat. Terwijl achter ons een dikke, grijze wolk kwam opzetten, passeerden we nogmaals cafĆ© ”’t Tonneke”. Ook de andere kant van de straat was afgesloten voor doorgaand verkeer, maar te voet konden wij erdoor.

De sombere wolk kon ons niet inhalen, noch de pret bederven. Op het kruispunt van de Petegemstraat met de Molenkouterstraat staat het merkwaardig huisje, waarin een piepklein winkeltje met allerlei prullaria is in ondergebracht. Maar die namiddag leek alles in het dorp wel potdicht, zo ook het winkeltje. Het dorp leek wel in lockdown, maar het was gewoon een rustige maandagnamiddag, vlak na afloop van de dorpskermis.

Vanaf hier begon het laatste gedeelte van deze wandelzoektocht, dat ons weer een eindje buiten de dorpskern zou brengen.

(wordt vervolgd)

Een dorp ten voeten uit. (5/8)

Mijn vrouw en ik waren dus de wandelzoektocht aan het doen, die deze zomer in Machelen wordt georganiseerd en we waren intussen op het Leieplein aangekomen. Op de hoek van het Leieplein met de Karperstraat staat een huis waar vroeger “De Karper” was gevestigd, een dorpscafĆ© dat vele jaren lang werd uitgebaat door twee zussen. Deze zussen vormden het onderwerp van Ć©Ć©n van de quizvragen die bij deze zoektocht hoorden. We moesten de namen van de zussen zien te achterhalen. Ze hebben het ons echt niet gemakkelijk gemaakt, daar in dat dorp aan de Leie.
De Karper heeft inmiddels zijdelings achteraan een moderne aanbouw gekregen (niet te zien op de foto) waarin nu een restaurant is gevestigd.
Wij wandelden verder de Karperstraat in.

Halfweg de Karperstraat staat het “Biechtstoeleke“. Zo wordt het oudste huisje van Machelen genoemd. Het huisje dateert van de 17e eeuw. Ooit woonde er een chirurgijn. Later was het ook een bakkerijtje en een kruidenierswinkeltje. Tussen de winkelruimte en de leefruimte was een muur gebouwd met een kleine opening waardoor men kon zien of er klanten in de winkel stonden. Het luik in de muur deed een beetje denken aan een luik in een biechtstoel, vandaar de naam van het huisje.
In het huisje heeft lange tijd kunstschilder Martin Wallaert gewoond. Maar die is vorige jaar verhuisd naar een andere plek in het dorp. Momenteel woont er iemand die houten muziekinstrumenten maakt.

Een brouwerij uit de buurt brouwt op kleine schaal een ambachtelijk bier met dezelfde naam als het huisje. Een biechtstoeleke schijnt een zeer verfrissend biertje te zijn met een rijke smaak en een licht alcoholgehalte en wordt naar verluid bij de poort naast het huisje sporadisch aangeboden.

Omtrent het biechtstoelke werden geen quizvragen gesteld, dus liepen we hier voorbij. Aan het einde van de Karperstraat, op het kruispunt met de Gildestraat, kom je bij het Roger Raveelmuseum, niet te verwarren met het atelier van de kunstenaar, dat we vroeger op deze wandeling tegenkwamen. Maar voor we naar het museum toe gingen, liepen we eerst nog even verder tot aan het dorpspleintje.

Op het dorpspleintje staat sinds jaar en dag het cafĆ©/brasserie “De Afspanning”, dat op deze stille namiddag gesloten was.

“De Afspanning” is reeds te zien op heel oude foto’s van het dorp. Zoals op de foto hieronder, die dateert van omstreeks 1900. Op de kerktoren staat nog een kleine, wat afgeknotte spits. In 1914 was men begonnen met het bouwen van een grotere spits op de kerktoren, maar die werd in 1918 alweer kapot geschoten tijdens een Duits bombardement.
In die tijd was de afspanning deels herberg en deel gemeentehuis.

Aan de andere kant van het dorpspleintje, bij het begin van de Petegemstraat, staat het “Tonneke”. Nog zo’n gezellig dorpscafĆ© dat hier al heel lang staat. In de jaren ’50 en ’60 van vorige eeuw werden hier reeds “carambole wedstrijden” gehouden, wat nu nog altijd gebeurt.
Doordat het cafeetje niet zo groot is en ook geen buitenterras heeft, was er een probleem met de huidige corona toestanden. Daarom heeft de burgemeester de Petegemstraat laten afsluiten en kan de herbergier op de straat een terras open stellen en zo wat meer volk ontvangen, terwijl iedereen op virus-veilige afstand van elkaar kan blijven. Te voet kan je nog steeds de straat in, maar voertuigen dienen hier voortaan en tot nader order de pijlen van de wegomlegging te volgen.

We zouden hier later nog eens langskomen, om onze zoektocht verder te zetten. Maar eerst keerden we op onze stappen terug naar het Roger Raveelmuseum, waar schuin tegenover de ingang alweer een “zuil van Raveel” staat.

Het Roger Raveelmuseum maakt eveneens deel uit van het drieluik van de biƫnnale van de schilderkunst, waar ik het vorige week reeds over had. Daarom wilden wij binnen wel eens een kijkje gaan nemen.

(wordt vervolgd)

Binnenskamers.

Vorige week heeft het Museum van Deinze en de Leiestreek (Mudel) haar deuren opnieuw geopend voor een gloednieuwe tentoonstelling. Hoog tijd dus om weer een beetje reclame te maken voor “ons” museum.
De nieuwe tentoonstelling loopt onder de titel “‘Binnenskamers”. Dit thema werd reeds gekozen voor de uitbraak van het coronavirus maar heeft in deze tijden een bijzondere weerklank gekregen.
De tentoonstelling past in het kader van de zevende biƫnnale van de schilderkunst en wordt tezelfdertijd in drie verschillende Leiemusea georganiseerd, namelijk in het Mudel in Deinze, het Roger Raveelmuseum in Machelen aan de Leie en het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. De musea liggen op een kwartiertje fietsafstand van elkaar en kan je met eenzelfde toegangsticket bezoeken.

In het museum in Deinze zijn alvast heel mooie werken te zien en niet alleen van kunstenaars uit de Leiestreek. Zo zijn er onder meer schilderijen te bewonderen van drie belangrijke Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw : Jan Sluijters, Charley Toorop en Carel Willink. Daarnaast zijn enkele fijne schilderijen van Jan van Beers uit Lier mij ook opgevallen.
Bij de moderne kunst had ik vooral oog voor het verbluffend werk van de Russische kunstenares Olga Fedorova. Er hangt ook opvallend werk van enkele jonge Gentse kunstenaars, onder meer knappe composities van Bendt Eyckermans en erotische kunst van Joƫlle Dubois.
Naast nog heel wat meer aanstormend talent zijn natuurlijk ook de oude Latemse klassiekers aanwezig, zoals Emile Claus en LĆ©on De Smet.
Het is een zeer gevarieerde tentoonstelling, waarin iedere kunstliefhebber wel zijn gading zal vinden en die volledig corona-proof wordt georganiseerd. Het is overigens voor de medewerkers van het museum een huzarenstukje geweest om deze tentoonstelling in volle lockdown-periode tot stand te brengen.

Hieronder staan foto’s van enkele van de werken die momenteel in het Mudel te zien zijn. De foto’s zijn aanklikbaar om ze in een groter formaat te bekijken. Ik nam de foto’s vorige vrijdag losjes uit de hand met m’n smartphone, waardoor de kwaliteit niet altijd optimaal is.

De Lange Max. (4/4)

Van het terrein waar zich de geschutsbedding van de Lange Max bevond, keerden we langs dezelfde weg terug naar het centrale plein van de site. Het eerste gebouw, waar je langs komt op de site is een nieuw gebouwd huis, waarin zich een infostand bevindt en waar je tickets kan kopen.

Maar wat meteen opvalt is het “bakhuisje” dat ernaast staat. Dit bakhuisje, dat mooi gerestaureerd is, stond hier reeds toen de Duitse troepen zich hier hadden verzameld rond hun superkanon, en maakte ooit deel uit van een boerderijtje dat door de Duitsers in beslag was genomen. Een idyllisch huisje, dat midden de Vlaamse velden stond… tweehonderd meter verderop bulderde het kanon.

We wandelden even omheen het huisje. Aan de en zijkant bevond zich de deur van het kleinste kamertje, dat indertijd wellicht enkel door de hogere officieren mocht worden gebruikt.

Binnenin ziet de bakplaats, waar zich de oven bevindt, er nog steeds hetzelfde uit als toen. In deze oven hebben Duitse soldaten hun brood gebakken.

Achter de bakplaats was destijds een kleine koeienstal. De dieren in de stal konden in de winter mee profiteren van de warmte van de bakoven.
De koeienstal was nu omgebouwd tot een mini-bioscoopzaaltje. Daar speelde doorlopend een kort filmpje waarin in een notendop de historie van de Lange Max uiteen werd gezet.

Rechts van het bakhuisje stond een grote schuur. Slechts een deel ervan is nog origineel. Ernaast stond een sculptuur in knalrood metaal van Gerrit GermonprƩ, dezelfde kunstenaar van wie we daarvoor bij de geschutsbedding ook al werken hadden gezien.
In deze schuur bevond zich het eigenlijke museum.

Het museum is niet bijzonder groot, maar wel heel interessant. Het vertelt het verhaal over de Lange Max en belicht daarbij vooral de Duitse kant van de Eerste Wereldoorlog. Alles wordt geĆÆllustreerd met prachtige uitvergrote foto’s en interactieve computerschermen. Er is eveneens een schaalmodel van de Lange Max nagebouwd.

Toen het Duitse leger in oktober 1918 op de vlucht moest slaan voor het Belgische en Franse eindoffensief, hebben ze nog zelf geprobeerd om het kanon te vernietigen, alvorens te vertrekken. Ze lieten de loop zakken en vuurden een granaat af op de metersdikke betonnen omwalling in de hoop dat het kanon hierdoor zou imploderen. Maar de granaat sloeg enkel een bres in het beton. Het kanon zelf bleef intact.
Na de oorlog werd het kanon een studieobject voor Franse, Britse en Amerikaanse artillerie specialisten. Tijdens het interbellum werd de Lange Max zelfs een toeristische bezienswaardigheid.
Maar in 1940 vielen de Duitsers opnieuw ons land binnen, namen het kanon in beslag en voerden het terug naar Duitsland om het aldaar te ontmantelen en te recycleren tot nieuw oorlogstuig.

Het was een boeiend bezoek aan deze Lange Max site. Een museum dat er kwam op initiatief van, en gerund wordt door enkele enthousiaste vrijwilligers, in samenwerking met archeologische kringen uit de streek en met het geld van enkele welgestelde sponsors.
Wij vonden dat het echt wel de moeite loont om voor dit museum naar het verre West-Vlaanderen te komen. Hoedje af voor wat de vrijwilligers hier voor mekaar hebben gekregen.

We dronken achteraf nog een koffie in de cafĆ©taria. Doordat we ’s middags ons buikje hadden rond gegeten, hadden we nog geen trek in pannenkoeken of andere lekkernijen.
We verlieten de Lange Max site met een goed gevoel. Nu kwam het er alleen nog op aan om de juiste weg terug naar huis te vinden.

De Lange Max. (2/4)

We waren in Leugenboom, een gehucht dat bij de gemeente Koekelare hoort, en we waren de weg kwijt. We wisten niet meer welke kant we uit moesten. Aan de bomen hoef je het in Leugenboom niet te vragen, natuurlijk.
We sakkerden verder langs de smalle wegjes die zich tussen de West-Vlaamse velden kronkelden. Maar plots zagen we, geheel onverwacht, langs de kant van de weg een onopvallend bordje staan die de richting aanwees naar het Lange Max Museum. En ja hoor, even later reden we door een smeedijzeren hek (dat gelukkig open stond) de parking van het museum op.

Oef ! Wat we al lang niet meer hadden durven hopen, was toch gebeurd : we hadden onze bestemming bereikt. Intussen was het al voorbij het middaguur. We waren reeds van ’s ochtends op pad en we hadden honger gekregen. Gelukkig vonden wij wat verder op de parking een fraaie cafetaria, waar we vriendelijk en volkomen corona-proof werden onthaald en waar we voor een democratische prijs van een stevige en super lekkere maaltijd konden genieten.

Daarna gingen we op pad om de site te verkennen. Het museum zelf ging pas open om twee uur, dus hadden we nog even tijd om wat rond te wandelen.
De weg naar de plaats waar de bedding zich bevindt, waarin ooit de Lange Max had gestaan, bleek tussen twee hoge hagen te lopen. Er stond niemand op wacht, dus hadden we vrije doorgang.

Zo kwamen we op een open terrein terecht, waar we aan de rand ervan, ietwat verscholen onder de bomen, een mini-versie van de Lange Max zagen staan.

Bij de toegang naar het terrein stond nog een gehavend wachthuisje, ditmaal opgetrokken uit beton. Geen idee of het een origineel wachthuisje uit W.O.I was.
Daar omheen waren diverse kunstwerken opgesteld van de uit Koekelare afkomstige en in 2017 overleden kunstenaar Gerrit GermonprƩ.

Vanonder een hoge boom keek een bankje uit over het terrein.

We liepen verder het veld op en plotseling stond wij voor een immens grote put.

(wordt vervolgd)

De kunst van het drukken.

Deel 1 / Het prille begin

Reeds van bij het prilste begin van de beschaving hebben mensen ernaar gestreefd om ideeƫn te verspreiden via teksten en afbeeldingen. Van zodra het perkament was uitgevonden (ca. 200 v.Ch.) werd het kunstig beschreven.
In onze contreien waren het vooral monniken die boeken schreven in sierlijke letters, verlucht met prachtige miniaturen. Ieder bladzijde van het boek vormde een kunstwerk op zich. Het waren in den beginne haast uitsluitend Bijbelse teksten en getijdenboeken die werden vervaardigd in opdracht van de machtigen en rijken der aarde. Monniken werkten soms jarenlang aan Ć©Ć©n boek. De kunst van het boekbinden hadden zij ook al onder de knie. Hun monnikenwerk was bewonderenswaardig maar ook extreem tijdrovend.

Getijdenboek ca.1420

Het probleem met deze manuscripten was ook dat er van elk boek slechts Ć©Ć©n uniek exemplaar bestond. Reeds lang zocht men naar een manier om beschreven perkament te vermenigvuldigen.
In het oude China was omstreeks het jaar 750 een kunstvorm ontstaan, waarbij men uit een blok hout letters en afbeeldingen in spiegelbeeld kerfde. Het te drukken geheel werd in Ć©Ć©n keer uit het blok gesneden. Door inkt op de uitgesneden gedeelten aan te brengen en er een vel papier (dat toen in China reeds was uitgevonden) tegenaan te wrijven, verkreeg men een afdruk van de houtsnede. Het oudste bekende boek dat op deze manier werd vervaardigd heet de diamantsutra en werd in China omstreeks het jaar 868 vervaardigd. Het wordt nog steeds bewaard in het Britisch Museum in Londen.
Omstreeks het jaar 1050 zouden er in China reeds drukpersen hebben bestaan waarmee speelkaarten werden gedrukt.

Een bladzijde uit de diamantsutra (868) / ernaast een middeleeuwse blokdruk houtsnede met de bijhorende afdruk

De oude Chinese techniek, die ook wel eens “blokdruk” wordt genoemd, was eerder een “stempeltechniek” dan een “druktechniek” en het uitkerven in spiegelbeeld van tekst in hout was nog tijdrovender en moeilijker dan het rechtstreeks schrijven op papier. De techniek van de houtsnede is wel als kunstvorm blijven bestaan tot op de dag van vandaag.
Maar omstreeks het jaar 1040 was er een Chinese ambachtsman, Bi Sheng genaamd, die op een mooie dag op het lumineuze idee kwam om aparte letters in spiegelbeeld te gaan uitsnijden in kleinere houten blokjes en deze dan samen te voegen tot een volledige tekst. De letters konden telkens worden hergebruikt voor andere teksten. Bi Sheng heeft tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit de eer ervoor mogen opstrijken, maar hij kan wel worden beschouwd als de uitvinder van het ambacht der letterzetters.

Pas in de 14 de en de eerste helft van de 15 de eeuw waaide het drukken met losse houten letters over naar Europa. Algauw werden in Europa ook de eerste drukpersen in elkaar geknutseld. Daarmee moest men met de hand een hefboom op een schroef overhalen om zo via een degel of drukijzer de drukvorm tegen het papier te persen. Het papier was op voorhand vastgeklemd en de drukvorm werd door middel van tampons met inkt ingestreken.
Maar deze techniek was niet erg populair in de middeleeuwen en er werden algauw weer boeken met de hand geschreven.
De reden daarvoor was dat de letters in hout niet erg duurzaam waren. Er werd een vrij zachte houtsoort gebruikt om het uitsnijden van de letters mogelijk te maken. Maar na enkele malen onder de pers te hebben gelegen, waren de letters plat gedrukt en vervormd. Er moesten dus regelmatig nieuwe letters worden uitgekerfd en dat nam dan alweer veel tijd in beslag. Met andere woorden, het hele systeem was voor verbetering vatbaar.
Die verbetering werd in Duitsland, in het jaar 1439, bedacht door ene Johannes Gutenberg. Maar daar heb ik het een volgende keer over.


In het Industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : een houten en gietijzeren handpers. Beide handpersen dateren uit de 19de eeuw (1825 – 1850).
Gedurende 400 jaar waren handpersen de enige persen waarmee kon worden gewerkt. Blad per blad werd het papier handmatig op de drukvorm gelegd. Door een hefboom op schroef om te halen kwam de degel vertikaal op het papier neer.
Het tegengewicht op de gietijzeren pers is versierd met het embleem van Waterloo.

De oudst bewaarde drukpersen te wereld zijn te bewonderen in het prachtige Museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

Bronnen :
Industriemuseum Gent
Erfgoedinzicht
Illustraties : Wikipedia (publiek domein) / Pixabay (rechtenvrij)

Back to my roots.

We keren nog even terug naar het Industriemuseum in Gent. Het was vooral de afdeling “Grafische technieken” van het museum die er onze bijzondere aandacht kreeg.
In de historische drukkerij van het Industriemuseum werd ik als het ware veertig jaar terug in de tijd geflitst. Ik gaf uitleg aan mijn metgezellen over alles wat er te zien was en haalde herinneringen op aan vervlogen tijden.

Beroepshalve heb ik 40 jaar van mijn leven doorgebracht in de wereld van de grafische technieken en kunsten. Toen ik nog studeerde leerden we nog over de oude methodes, waarbij er nog werd gewerkt met uit lood gegoten letters, typografie genaamd. Een techniek die ik in het begin van mijn loopbaan nog zelf in de praktijk heb toegepast. Maar ook de nieuwste ontwikkelingen van de moderne offset-druk kwamen in mijn studietijd reeds aan bod. Ik was amper afgestudeerd toen de “offset” voor een enorme omwenteling zorgde in de grafische sector. De typografie was in het huwelijksbootje gestapt met de fotografie en werd voortaan de reprografie.
Nog later was het de digitalisering die in een mum van tijd de hele drukkerswereld op z’n kop zette. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt.

Foto : Ā©Industriemuseum Gent

Nu dacht ik zo bij mezelf, ik ben al meer dan vijftien aan het bloggen en heb het op mijn blog haast nooit gehad over het beroep dat ik zovele jaren heb uitgeoefend. Nu ik al twee jaar met pensioen ben is het misschien tijd om daar eens iets meer over te gaan schrijven.
Daarom heb ik het vermetel plan opgevat om vanaf nu, ongeveer om de maand, een artikeltje op deze blog te posten over de geschiedenis van de drukkunst, aangevuld met persoonlijke anekdotes uit mijn beroepsleven.
Het eerste artikel komt er vrijdag al aan. Daarin zal ik het hebben over het prille begin van de drukkunst toen Bi Sheng, een Chinees die leefde in de elfde eeuw, plots op een mooie dag in het jaar 1040 een lumineus idee kreeg.

Een warm weerzien.

smart

Na bijna vier maanden afwezigheid ben ik gisteren namiddag voor het eerst terug in ons museum geweest.
En of het me deugd heeft gedaan ! Het was een hartelijk en warm weerzien met iedereen die ik al die tijd heb moeten missen. Het deed me echt wel wat om terug op “den bureau” te komen. Het voelde een beetje als thuiskomen. Er was helaas ook minder goed nieuws. Twee medewerksters zullen weldra het museum definitief verlaten om andere horizonten te gaan verkennen. Zij zullen er weliswaar nog af en toe over de vloer komen, maar mede door dit nieuws werd het toch een beetje een emotionele namiddag.

Ik maakte ook van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling van de glaskunst van Jan Leenknegt te gaan bekijken en met m’n smartphone enkele kiekjes te nemen.
Wie deze tentoonstelling of de tentoonstelling “design op wielen” nog wil bezoeken in het Mudel moet zich reppen, want dit weekend is het laatste weekend dat de tentoonstellingen lopen. Virtueel zijn ze nog wel een tijdje toegankelijk, onder meer door in de rechterkolom van deze blog even te klikken op de betreffende links.

De komende weken wordt in het museum alles afgebroken en volgt de opbouw van de volgende tentoonstelling. Eenmaal dat achter de rug, kan ik mijn werkzaamheden aan het fotoarchief van het museum hervatten. Ten laatste rond half augustus kan ik er weer aan de slag als vrijwilliger. Tenminste als corona niet weer roet in het eten komt gooien.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriƫle evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriƫle nijverheden uit de voorbije eeuwen . EƩn daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog vƩƩl meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.