Back to my roots.

We keren nog even terug naar het Industriemuseum in Gent. Het was vooral de afdeling “Grafische technieken” van het museum die er onze bijzondere aandacht kreeg.
In de historische drukkerij van het Industriemuseum werd ik als het ware veertig jaar terug in de tijd geflitst. Ik gaf uitleg aan mijn metgezellen over alles wat er te zien was en haalde herinneringen op aan vervlogen tijden.

Beroepshalve heb ik 40 jaar van mijn leven doorgebracht in de wereld van de grafische technieken en kunsten. Toen ik nog studeerde leerden we nog over de oude methodes, waarbij er nog werd gewerkt met uit lood gegoten letters, typografie genaamd. Een techniek die ik in het begin van mijn loopbaan nog zelf in de praktijk heb toegepast. Maar ook de nieuwste ontwikkelingen van de moderne offset-druk kwamen in mijn studietijd reeds aan bod. Ik was amper afgestudeerd toen de “offset” voor een enorme omwenteling zorgde in de grafische sector. De typografie was in het huwelijksbootje gestapt met de fotografie en werd voortaan de reprografie.
Nog later was het de digitalisering die in een mum van tijd de hele drukkerswereld op z’n kop zette. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt.

Foto : ©Industriemuseum Gent

Nu dacht ik zo bij mezelf, ik ben al meer dan vijftien aan het bloggen en heb het op mijn blog haast nooit gehad over het beroep dat ik zovele jaren heb uitgeoefend. Nu ik al twee jaar met pensioen ben is het misschien tijd om daar eens iets meer over te gaan schrijven.
Daarom heb ik het vermetel plan opgevat om vanaf nu, ongeveer om de maand, een artikeltje op deze blog te posten over de geschiedenis van de drukkunst, aangevuld met persoonlijke anekdotes uit mijn beroepsleven.
Het eerste artikel komt er vrijdag al aan. Daarin zal ik het hebben over het prille begin van de drukkunst toen Bi Sheng, een Chinees die leefde in de elfde eeuw, plots op een mooie dag in het jaar 1040 een lumineus idee kreeg.

Een warm weerzien.

smart

Na bijna vier maanden afwezigheid ben ik gisteren namiddag voor het eerst terug in ons museum geweest.
En of het me deugd heeft gedaan ! Het was een hartelijk en warm weerzien met iedereen die ik al die tijd heb moeten missen. Het deed me echt wel wat om terug op “den bureau” te komen. Het voelde een beetje als thuiskomen. Er was helaas ook minder goed nieuws. Twee medewerksters zullen weldra het museum definitief verlaten om andere horizonten te gaan verkennen. Zij zullen er weliswaar nog af en toe over de vloer komen, maar mede door dit nieuws werd het toch een beetje een emotionele namiddag.

Ik maakte ook van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling van de glaskunst van Jan Leenknegt te gaan bekijken en met m’n smartphone enkele kiekjes te nemen.
Wie deze tentoonstelling of de tentoonstelling “design op wielen” nog wil bezoeken in het Mudel moet zich reppen, want dit weekend is het laatste weekend dat de tentoonstellingen lopen. Virtueel zijn ze nog wel een tijdje toegankelijk, onder meer door in de rechterkolom van deze blog even te klikken op de betreffende links.

De komende weken wordt in het museum alles afgebroken en volgt de opbouw van de volgende tentoonstelling. Eenmaal dat achter de rug, kan ik mijn werkzaamheden aan het fotoarchief van het museum hervatten. Ten laatste rond half augustus kan ik er weer aan de slag als vrijwilliger. Tenminste als corona niet weer roet in het eten komt gooien.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriële evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriële nijverheden uit de voorbije eeuwen . Eén daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog véél meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.

Het industriemuseum.

Vorig weekend brachten wij een bezoek aan het Industrie museum van Gent. Ik was er vorig jaar geweest met m’n vriend Manu en deed het bezoek vorige zondag nog eens over met m’n vrouw. Ik had een bijzondere reden voor ons bezoek, maar daar kom ik later nog zeer uitgebreid op terug.
Het museum is ondergebracht in een voormalige katoenspinnerij, gelegen aan de Minnemeers in Gent. Het hoofdgebouw dateert uit 1905.

Gent was in de middeleeuwen een vooraanstaand centrum voor de wol- en katoenproduktie. In de 13 de en 14 de eeuw waren de Gentse lakens bekend tot ver buiten de landsgrenzen. Sinds de 16 de eeuw rezen in Gent textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond.
Wanneer je boven op de vijfde verdieping van het museum door de grote ramen kijkt heb je een prachtig panorama op de binnenstad van Gent.

Wanneer je goed kijkt zie je aan de horizon zowat alle torens van Gent opduiken. Van links naar rechts herken je de toren van de Sint-Baafskathedraal, de Sint- jacobskerk, het Belfort, de Sint-Niklaaskerk, de gebouwen van de Bond-Moyson op de Vrijdagmarkt en het Gravensteen.

Vooreerst bezochten wij in het museum de zeer interessante afdeling over de woelige geschiedenis van de textielnijverheid in Gent. In een volgend postje laat ik daar enkele sfeerbeelden van zien.
Maar eigenlijk waren we voor iets anders naar het museum gekomen. Iets waar ik later zeer uitgebreid op terug zal komen. Of had ik dat al gezegd ?

Een kunstenares in een mannenwereld.(2/2)

De ‘Académie Julian’ werd opgericht in 1868 door Rodolphe Julian. Het was een privéschool waar ook vrouwelijke studenten werden toegelaten, al moesten vrouwen er meer dan dubbel zoveel inschrijvingsgeld betalen dan mannen. De academie leverde vermaarde kunstenaars af, zoals Fernand Khnopff, Käthe Kollwitz en Henri Matisse, om er maar enkele te noemen.
In 1890 had Julian zeventien ateliers in Parijs, sommige met meer dan 150 leerlingen. Mannen en vrouwen werden in aparte ateliers ondergebracht. Aan het begin van de week kreeg ieder atelier een model toegewezen dat een bepaalde pose moest aannemen. De leerlingen kregen een week tijd om die pose op doek of op papier vast te leggen.
De leermeesters beoordeelden op het einde van de week het resultaat. Ze kozen in elk atelier telkens het beste werk van de week. De winnaar mocht de volgende week als eerste een zitplaats kiezen, wat in de overvolle ateliers een belangrijk voordeel was. De vrouwen die er les volgden waren echter vaak afhankelijk van de goodwill van hun mannelijke leermeesters.

Leerling-kunstenaressen in de académie Julian anno 1889


Hoe dan ook, in de Académie Julian leerde Louise De Hem alle knepen van het vak. In de zomer van 1891 keerde Louise terug naar Ieper en begon ze haar carrière als kunstenares uit te bouwen. Nadat ze aanvankelijk haar familieleden uitkoos om voor haar te poseren (vooral haar moeder en oudere zussen waren gewillige slachtoffers), mocht ze in 1892 de erevoorzitter van het Hof van Cassatie op doek vereeuwigen. Het was haar eerste belangrijke portretopdracht.

Louise De Hem is portretten blijven schilderen. Ze vereeuwigde leden van de lokale adel, de bourgeoisie, overheden, stadsbesturen en zelfs oversten van kloosters. Het bracht haar een aardige stuiver op. Maar daarnaast schilderde ze ook sociale taferelen, zoals het schilderij van de arme moeder die samen met de oma naar het weeshuis gaat om er haar kindje af te staan (zie lightbox deel 1).
Omstreeks 1904 besloot ze om naar Brussel te verhuizen. In Vorst ~ dan nog een plattelandsgemeente aan de rand van Brussel ~ betrok ze een dubbelwoning in art-nouveaustijl, ontworpen door Ernest Blériot. In haar nieuwe atelier werkte Louise verder aan haar oeuvre. Haar werk heeft een vrouwelijke, soms ietwat dromerige toets en wordt geklasseerd onder het post-impressionisme en het realisme.

Pas in 1908, ze is dan al 41, huwde Louise De Hem met Frédéric Lebbe, een naar Brugge uitgeweken Ieperling die als ingenieur bij de spoorwegen werkte. Van dan af werd Louise De Hem minder productief als kunstenares. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze zich met haar man schuil in het bezet Brussel. Na de oorlog kon ze blijkbaar de moed niet meer opbrengen om haar artistiek werk verder te zetten. Ze stierf bijna onopgemerkt op 22 november 1922. Ze werd net geen 56 jaar oud.

Dankzij onder meer een milde schenking van Hélène De Hem, oudere zus van Louise, en daarnaast nog tal van giften en aankopen, verwierf het stedelijke museum van Ieper een uitgebreide openbare collectie, bestaande uit bijna 90 werken van Louise De Hem, waarvan ongeveer de helft permanent worden tentoongesteld in het Yper Museum.

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door jan Dewilde, uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Een kunstenares in een mannenwereld.(1/2)

Louise De Hem zag voor het eerst het levenslicht in Ieper op 10 december 1866. Ze was het achtste kind van Henri De Hem en Eulalie Bartier en groeide op in een ontwricht huishouden. Haar vader was niet aanwezig bij haar geboorte. Hij had zijn gezin in de steek gelaten en woonde over de grens in Armentières.
Haar moeder runde een café in de Vleeshouwersstraat. Daar kwam geregeld Théodore Ceriez over de vloer, kunstschilder en lesgever aan de plaatselijke academie. Na verloop van tijd trok Théodore in bij het gezin, kreeg er kost en inwoon en huwde Louise’s oudere zus Hélène, ondanks het leeftijdsverschil van 26 jaar. Hij was het die als eerste het aangeboren tekentalent van Louise ontdekte en zijn schoonzus aanmoedigde om daarin verder te gaan. Aangezien er in die tijd op de academie nog geen meisjes werden toegelaten gaf hij haar thuis zelf een doorgedreven opleiding in de tekenkunst. Hij slaagde er ook in om een aantal van haar werken tentoon te stellen op belangrijke exposities, waar Louise meteen lovende kritieken oogstte.

In 1886 verliet Louise het ouderlijk huis en trok eerst naar Brussel en later naar Parijs. In Parijs lukte het haar om les te gaan volgen bij Alfred Stevens, een Belgische kunstschilder die toen furore maakte in het mondaine Parijs. De man gaf enkel les aan vrouwen. Verscheidene Belgische kunstenaressen uit die tijd ontmoeten er elkaar. Het was nog steeds een tijd waarin vrouwen hun werken vaak signeerden met de naam van hun man omdat, in de kunstwereld van toen, vrouwen nog niet echt meetelden.
Alfred Stevens liet zich overdag zelden zien in het atelier van de vrouwen, die gelegen was in een kelder onder zijn eigen atelier. De vrouwen konden de hele dag tekenen en schilderen waar ze zelf zin in hadden. Maar ’s avonds daalde Stevens af naar de kelder en kwam het geleverde werk van de dames keuren. Daarbij spaarde hij zijn kritiek niet. Al te enthousiaste vrouwelijke kunstenaressen stonden vaak weer met beide voeten op de grond nadat hij hun werk, zonder enig mededogen, compleet had afgekeurd.

Vanaf 1890 signeerde Louise De Hem haar werken met haar eigen naam. Wanneer Alfred Stevens om gezondheidsredenen geen les meer kon geven, ging Louise De Hem anatomie studeren aan de Faculteit Geneeskunde in Parijs. Dit zou haar later in staat stellen om naar naaktmodel te werken, iets wat toen in België voor vrouwen nog verboden was.
Tussen haar lessen door, werkte Louise de Hem in Parijs in het prestigieuze “atelier Cormon”, gesticht door de Franse kunstschilder Fernand Cormon. Grote namen uit de kunstgeschiedenis waren haar daar voorgegaan, zoals Vincent Van Gogh, Gauguin en Toulouse-Lautrec.
Maar in het atelier libre voelde Louise zich niet in haar sas en na haar anatomie studies trok ze naar de befaamde ‘Académie Julian”. In deze Parijse privéschool kwam Louise in een andere wereld terecht.

(wordt vervolgd)

Toulouse-lautrec (cirkeltje) in het atelier Cormon te Parijs

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door Jan Dewilde uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Yper Museum.

Daar waar het Ieperse museum ‘In Flanders Fields’ vooral het verhaal van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek vertelt, neemt men je in het Yper Museum mee doorheen elf eeuwen geschiedenis van de Westhoek en de stad Ieper. Dat doen ze aan de hand van een grote maquette van het middeleeuwse Ieper en verder nog een unieke collectie kaarten, archeologische vondsten, munten, kant- en handwerk en nog veel meer. Zo hebben ze er ook een zeer interessante collectie middeleeuwse insignes. Iets waar ik later, in een apart logje, graag nog eens wil op terugkomen.
De opstelling in het museum is bijzonder origineel. Alleen een beetje jammer dat men bepaalde waardevolle schilderijen zo hoog tegenaan het plafond heeft opgehangen.

Er loopt in het Yper Museum momenteel een tijdelijke tentoonstelling onder de titel ‘herSTELLINGEN”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Ieper met de grond gelijk gemaakt. Deze tentoonstelling gaat over de wederopbouw en de terugkeer van het sociocultureel leven in de stad.
Hieronder enkele sfeerbeelden uit het museum.

Het Yper Museum besteed eveneens bijzondere aandacht aan de Ieperse kunstenares Louise De Hem, die leefde van 1866 tot 1922 en die bij veel mensen elders in het land misschien niet zo heel bekend is.
Een volgende keer vertel ik wat meer over het leven en werk van Louise De Hem.

De Raadszaal.

Het Mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) is sinds 5 juni heropend. Echter slechts enkel op vrijdag, zaterdag en zondag en bezoekers moeten op voorhand reserveren. De medewerkers achter de schermen van het museum werken nog steeds van thuis uit of zijn door het Deinse stadsbestuur op economische werkloosheid gesteld. Bijgevolg kan ik daar, als vrijwilliger, ook nog steeds niet aan de slag.
In afwachting heb ik een bezoekje gebracht aan het prachtige Yper Museum dat, net zoals het In Flanders Fields Museum’ gevestigd is in de imposante lakenhallen van de stad Ieper.

Aan de achterzijde, waar in feite de uitgang van het museum zich bevindt, heb je een kijk op het imponerend glasraam dat hier als sluitstuk van de wederopbouw van de Lakenhallen werd aangebracht in 1981.

Voor we het eigenlijke museum betraden gingen we eerst een kijkje nemen binnen in de mooie raadszaal, waar nog steeds huwelijken worden voltrokken tussen Ieperse verliefde mensen.

Hier binnen kregen wij een mooie blik op het indrukwekkend glasraam, dat we daarnet aan de buitenkant hadden gezien, ontworpen door Anro Brys, dat een beetje de geschiedenis van de stad Ieper samenvat.

Het glasraam leest als een stripverhaal.

In een volgend logje nemen we een kijkje in het Yper Museum zelf.

“Den bureau”.

Na zeven weken lockdown gaan vandaag in ons land ongeveer 150.000 mensen terug aan de slag op hun werk. Daar komen gepensioneerde mensen, zoals ik nog niet voor in aanmerking. Al zou ik dolgraag ook weer aan de slag willen gaan. Ik mis het kantoor waar, in normale tijden, achter de schermen van het Mudel (Museum van Deinze) hard werd gewerkt door de medewerkers van het museum en waar ik als vrijwilliger aan het fotoarchief werkte. Ongeveer vierduizend foto’s uit lang vervlogen tijden heb ik er intussen digitaal gearchiveerd en gedocumenteerd. Maar nu kan ik dat dus al zeven weken lang niet meer doen.
De onderstaande foto’s nam ik drie jaar geleden met m’n mobiel. De foto’s zijn niet bijster goed van kwaliteit maar bezorgen mij wel heimwee naar betere tijden. ‘Den bureau’, zoals wij onze werkplaats soms noemen, lag er toen een beetje rommelig bij, maar er werden dan ook voortdurend materiaal en documenten binnen gebracht die moesten worden bestudeerd en gearchiveerd. Er heerste altijd een gezellige bedrijvigheid.
Ik vermoed dat de werkruimte intussen “corona-proof” zal zijn gemaakt. Maar het museum blijft voorlopig dicht. Ik kijk uit naar de dag dat ik opnieuw in het fotoarchief kan duiken en de mensen van het museum kan terug zien. Maar intussen zit er niets anders op dan mij hier thuis verder in stilte bezig te houden.

Dichter bij Van Eyck.


Het was de grootste tentoonstelling rond het werk van Jan Van Eyck ooit en het had het belangrijkste culturele evenement in Gent van dit voorjaar moeten zijn. Dat was het ook, tot het corona-virus roet in het eten kwam gooien.

Half maart ging de tentoonstelling onherroepelijk dicht. Ik was één van de gelukkigen die nog voor de sluiting erin geslaagd is om deze uiterst boeiende tentoonstelling te gaan bezichtigen. Begin maart ben ik er, samen met mijn vriend en historicus Manu naartoe geweest en we hebben er ons vergaapt aan de verbluffende schildertechniek van Van Eyck en enkele van zijn tijdsgenoten.
Vele mensen die hun bezoek nog wat hadden uitgesteld, waren eraan voor de moeite. De tentoonstelling is afgesloten en de kunstwerken keren terug naar hun vaste stek in musea verspreid over de wereld.
Gelukkig kunnen we nog op het internet terecht om dichter bij Van Eyck te komen. Als men hierboven klikt op het zelfportret van Jan Van Eyck dan komt men terecht op de website “closer to Van Eyck”. Op deze gesofisticeerde site verneemt men alles over het gerestaureerde ‘Lam Gods’, maar ook over alle andere werken van de grootmeester. Men kan er bovendien alles bekijken in een super resolutie, zodat men elk schilderij op het scherm enorm kan uitvergroten en tot in het allerkleinste detail kan bestuderen. Men verneemt er ook alles over het wetenschappelijk onderzoek dat aan de restauratie van de werken is vooraf gegaan. Het loont absoluut de moeite om er een keertje virtueel te gaan rondneuzen.
Nog meer informatie over het leven en werk Jan Van Eyck is er te vinden op de website van het Museum voor Schone Kunsten van Gent.

Glaskunst.

Glaskunstenaar Jan Leenknegt viert dit jaar zijn zeventigste verjaardag met een
overzichtstentoonstelling in het Mudel (museum van Deinze en de Leiestreek).
De driedimensionale sculpturen in glas met zachte, ronde lijnen en kleuren zijn al meer
dan 45 jaar zijn handelsmerk. Inspiratie vindt hij overal om zich heen: de kosmos,
het heelal en de natuur.
(©Mudel)

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 20010.jpeg

Door de corona-crisis is het museum momenteel gesloten. Een virtuele rondgang door de tentoonstelling is mogelijk op de homepagina van mudel.be ofwel door te klikken op deze LINK.

UPDATE : De tentoonstelling “Design op wielen” die momenteel nog steeds loopt in het Mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) is door corona helaas in het echte leven echter ook niet meer te bezoeken.
Maar vanaf nu kan men eveneens doorheen deze tentoonstelling een digitale wandeling maken. Het loont zeker de moeite om op deze LINK te klikken en er een virtueel kijkje te gaan nemen.