Winterbos.

Vorige week bleken plots sommige links en widgets in de linkerkolom van deze blog op mysterieuze wijze te zijn verdwenen en niet meer terug te halen. Er zat niets anders op dan de hele lay-out van de blog om te gooien. Maakt niet uit, het merendeel staat nu terug netjes waar het hoort te staan.

Doordat Vrouwtjelief zo ziek is geworden, waren de laatste weken en maanden ook voor mij nogal zenuwslopend. Om het hoofd een beetje te kunnen leegmaken probeer ik af en toe, tussen alle beslommeringen door, een kleine wandeling te maken. Gewoon, hier ergens in de buurt of niet te ver weg.
Na alle grijze, mistige dagen van de week ervoor, scheen vorige maandag de hele dag het zonnetje. Vrouwtjelief was rond de middag ingedommeld in de sofa. Voor mij een ideaal moment om op stap te gaan.
Ik reed met de fiets naar het stadsbos van Deinze. Ik liet mijn stalen ros achter bij de ingang van het domein en maakte een deugddoende winterwandeling in de bosdreef. In en rondom het bos maakte ik enkele sfeerfoto’s.

#Throwback / 6-1

Een liefelijk oord.

In de maand oktober van het jaar 2016 maakten wij een wandeling langs de mooie, grote vijver in Oostakker, nabij Gent. Deze vijver is ontstaan door zandwinning, op een plaats waar lang geleden ooit een vliegveld lag. De vijver is 2,5 ha. groot en is tot vier meter diep. De oevers zijn dicht begroeid met wilgen. De vijver is een paradijs voor hengelaars en sportvissers.
Het hele natuurgebied maakt deel uit van de vijf groenpolen rond Gent en heeft de welluidende naam “Wonderwoud” gekregen.

Wij maakten er een fikse wandeling, helemaal rondom de vijver. Het was er vredig stil. Een liefelijk oord, waar je alleen de vogeltjes hoorde kwetteren.

Vandaar zetten wij onze wandeling verder naar een ander oord in Oostakker, daar niet zover vandaan. De plaats waar we naartoe gingen stond in schril contrast met de vredige schoonheid aan de vijver. Een kaarsrechte, lange weg tussen de akkers leidde ons ernaar toe.

De naam van de straat was al onheilspellend genoeg…

De weg kwam uiteindelijk uit bij een lelijke, grauwe betonnen muur, die was aangetast door een soort oranje schimmel.

Een akelig ogend informatiebord uit 1944 maakte ons duidelijk dat deze plaats toegankelijk was, maar de prikkeldraad bovenop de muur was niet uitnodigend en liet uitschijnen dat er zich achter deze muur niet zo’n liefelijke plek bevond.

We liepen langsheen de muur tot we bij de ingang van het domein kwamen, dat werd bewaakt door twee vervaarlijk uitziende, stenen leeuwen.

Ooit was dit een munitiedepot van het Belgisch leger, opgericht in 1938, tot het in 1942 in handen kwam van de Duitse bezetter.
Enigszins schoorvoetend gingen we naar binnen.

(wordt vervolgd)

Een fietstochtje van niks. (2/2)

Met mijn fiets aan de hand had ik via het vlonderpad de meersen overgestoken, nabij het mini-dorp “Zeveren”. Eenmaal aan de overkant fietste ik verder langsheen een mooi natuurgebied.

Volgens “Natuurpunt” heet het hier de “Zeverenbeekvallei”, een beschermd natuurgebied van 200 hectaren dat bestaat uit diverse biotopen, zoals meersen, dotterhooilanden en broekbossen. Dit natuurgebied ontstond na de ijstijden, toen hier een moeras van een metersdikke veenlaag werd gevormd.

Ik trapte gezwind verder langs een kaarsrecht macadam-baantje, met links van mij een bos en aan mijn rechterkant malse weiden, tot ik bij enkele boerderijen aankwam.

Zo reed ik ook voorbij het hoevetje waar kunstenaar Juul Claeys woonde. Toen Juul Claeys hier in 1966 zijn intrek nam, maakte hij van de stal en de duiventoren, aanpalend aan de woning, zijn atelier.

Juul Claeys werd geboren in 1930. Hij combineerde vanaf 1964 het beroep van piloot met een opleiding aan de academies van Gent en Deinze. Hij ging in de leer bij Jan Burssens, Armand Blondeel en Roger Raveel en werd in 1972 zelf leraar aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in Deinze. De kunstenaar debuteerde in een vrij klassieke stijl en evolueerde naar abstract expressionisme. Hij overleed in 2002.

Omgeven door groen en natuurschoon, fietste ik verder in de richting van het dorpscentrum van Zeveren…

… tot ik aan het dorpspleintje kwam waar de Sint-Amanduskerk staat.

De deur stond open en ik ging even binnepiepen in dit stemmig kerkje.

Op het pleintje voor de kerk staat nog steeds een schandpaal. Deze staat hier al sinds de middeleeuwen en werd tot in de 19e eeuw gebruikt. De paal die er nu staat is slechts een kopie van de originele paal, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd werd. Wat er nog rest van de oorspronkelijke paal wordt bewaard in het Museum van Deinze en de Leiestreek.

Bij deze schandpaal eindigde mijn rit. Het was tijd om huiswaarts te keren.
Net zoals het bruggetje van daarnet, was dit een fietstochtje van niks. Maar voor mij volstond het om het algemeen welzijn van mijn gewrichten te onderhouden en te genieten van een fijne nazomerdag. 🙂

Een fietstochtje van niks. (1/2)

Mijn kinesiste raadt mij herhaaldelijk aan om te gaan fietsen of zwemmen. Zwemmen doe ik niet, daarvoor vind ik het water véél te nat. Ik probeer wel iedere dag minstens één fietstochtje te doen. Meestal hou ik het bij korte fietstochtjes van hooguit tien kilometer. Mijn fototoestel laat ik dan doorgaans thuis, want fietsen en tegelijk foto’s nemen is een moeilijk uitvoerbaar plan.
Maar op een mooie nazomerdag in september stak ik toch voor één keer de camera in m’n fietstas. Voor het fietstochtje dat ik in m’n hoofd had moest ik eerst door het centrum van onze stad. Daar al fietsend foto’s nemen zou zelfmoord zijn, maar toen ik bij de brug over de Leie kwam stapte toch ik even af om een kiekje te maken.
Deze brug heet officieel “De Kromme brug”, maar wordt in de volksmond de “bananenbrug” genoemd, omdat ze vanuit de lucht gezien de vorm van een banaan heeft.

Het is even flink doorduwen op de pedalen om de brug al fietsend over te geraken. Gelukkig heb ik een elektrisch motortje dat mij daarbij helpt. Vandaar reed ik naar de “Oude Brugse Poort” in Deinze. Helemaal aan het einde van die straat, net voor een superdruk kruispunt, sloeg ik rechts een klein straatje in, waar je alleen met de fiets in kan. Op het eerste zicht lijkt het een straatje dat aan het einde doodloopt op een maïsveld.

Maar achter de hoek, voorbij een helemaal verroeste bol op een paal, ligt er een smal pad, dat tussen de maïsvelden verder loopt.

Vanaf daar liet ik het drukke stadsverkeer achter mij. Eenmaal de maïsvelden voorbij kwam ik in een natuurgebied terecht. Ik volgde verder het fietspad tot ik uitkwam aan “Zeveren Planke”. Da’s een naam die voor mensen die niet van onze streek zijn wellicht een beetje vreemd in de oren klinkt.
“Zeveren” is een klein dorpje, niet meer dan een gehucht eigenlijk, dat aan de overkant van deze meersen ligt. Het dorp maakt deel uit van de stad Deinze. De naam “Zeveren” heeft niets te maken met het Vlaams dialectwoord voor “onzin vertellen”. De naam van het dorpje vindt zijn oorsprong in de 12e eeuw bij het geslacht “Severne” die in de middeleeuwen de heerlijkheid Severne beheerden.

Het woord “Planke” is dan weer de plaatselijke dialectvorm van “plank”. Hier een beetje verder stroomt de “Zeverenbeek” waarover vroeger een primitief brugje lag dat enkel bestond uit een eenvoudige houten plank. In de volksmond noemt men deze plek van oudsher “Zeveren Planke” en intussen is dat ook de officiële benaming.

Nog niet zo lang geleden heeft men een vlonderpad aangelegd langs waar men te voet of per fiets de uitgestrekte meersen in dit natuurgebied kan oversteken, zonder in de moerassige bodem weg te zinken of de vegetatie te beschadigen.

Je moet over flink wat stuurvaardigheid beschikken om over dit smalle vlonderpad te fietsen. Als je per ongeluk met je wielen naast het pad terecht komt maak je geheid een lelijke tuimeling. Ik stapte daarom wijselijk van m’n fiets en leidde hem aan de hand over het pad. Tegelijk nam ik ook wat foto’s en beantwoordde ik een sms-berichtje dat mijn vrouw had gestuurd. En dan durven ze nog beweren dat een man niet kan multitasken. 🙂

Zo kwam ik bij de Zeverenbeek, waar ooit de bewuste plank lag, maar waar nu toch een steviger brugje ligt.

Maar blijkbaar vind men het brugje nog steeds een “bruggetje van niks”. Althans volgens het bord dat bij het brugje werd geplaatst. Maar dat “bruggetje van niks” slaat dan weer op de houten plank van vroeger. Op de foto uit 1972 staan twee jongetjes die op de houten plank de beek oversteken. De foto is helaas door het zonlicht helemaal weg gedeemsterd. Maar daaronder staat een gedicht. Het is een gedicht van wijlen Martin Carette, die van 2010 tot 2013 de stadsdichter van Deinze was.
Ik vond het geen gedichtje van niks, integendeel. Ik wil het hier graag nog even overschrijven.

Bruggetje van niks

traagheid, alsof men door het water van de dagen waadt,
dat gestage raderwerk van verlaten

en bewaren : gezichten, bijvoorbeeld, en mensen, namen
soms niet meer dan een aanwaaiende klank
een vage glimlach, de krachtige schaterlach van een bos
en wat er verder nog kan worden bewaard
minimale dorpen, hun minimale aders- straatjes, paden
beekjes, waaroverheen een plank
bruggetje van niks, draagvlak van dromen en de graagte
van het hervinden, de thuiskomst, abstractie
van een heilzame traagte.

Martin Carette

(wordt vervolgd)

Tussen glooiende heuvels. (4/5)

Van zodra ik door het bosje heen was, begon mijn wandelpad alweer te klimmen. Nu waren er zelfs behoorlijk steile stukken te overwinnen. Ik bevond me hier aan de rand van de Vlaamse Ardennen en het landschap werd steeds heuvelachtiger.

Ik had net de dorpskern van Lede achter mij gelaten en nu volgde de wandelroute opnieuw stroomopwaarts de loop van de Rooigembeek in de richting van het dorp Huise, waar we onze wandeling waren gestart. Ik probeerde er toch flink de pas in te houden, want slenterend wandelen is nog vermoeiender voor de rug.

Na een tijdje kwam ik op een plateau uit, waar ik even op adem kon komen en vanwaar ik in de verte de kerk van Huise al zag staan. Maar mijn pad ging de andere richting uit.

De rust was van korte duur want daar lag alweer een volgende heuvelkam te wachten. Ik had de wandellus beter in omgekeerde richting gedaan. Dan was het de hele tijd bergaf geweest in plaats van bergop.

Achter de heuvelkam zag ik een een groot landbouwbedrijf net boven de horizon uitsteken. Ondertussen klom ik puffend verder.

Maar ik gaf niet op. Mezelf moed insprekend keek ik geregeld achterom om te zien welke afstand ik al had afgelegd. Doorwinterde wandelaars zouden dit wellicht een zalig parcours noemen.

Uiteindelijk kwam ik op een uitgestrekt, vlak plateau terecht. Ik bevond me al op een serieuze hoogte en werd hier beloond voor mijn inspanningen met een heel mooi vergezicht. Ik liet me neerzakken in de grasberm, leunend tegen een afsluitingspaal . Ik was dringend toe aan een kwartiertje pauze.

(wordt vervolgd)

Tussen glooiende heuvels. (2/5)

Met goede moed en helemaal in m’n nopjes zette ik, op een zwaar bewolkte zondagnamiddag, mijn wandeling in Kruisem verder. Ik volgde een lus van de Rooigemsebeek wandelroute in de deelgemeente Huise. Het dorp had ik reeds een eind achter mij gelaten en ik was nu bij de bewuste Rooigembeek aangekomen, waarnaar deze wandelroute werd genoemd.

Aan de beek is onder het water her en der een “vistrap” aangebracht. Zo’n vistrap stelt vissen in staat om in dit heuvellandschap stroomopwaarts te zwemmen. Ze zwemmen als het ware van de ene trede naar de andere. Zo’n vistrap brengt ook extra zuurstof in het water.
Minder sportieve vissen of vissen met een zere rug nemen uiteraard de lift. 😛

Mijn wandelpad volgde een hele tijd de loop van de Rooigembeek…

… terwijl ik onderweg kon ik genieten van de verste vergezichten.

Maar op een gegeven moment ging het pad, via een houten brugje over de Rooigembeek, het bos in.

Bomen en struikgewas waren hier helemaal voorovergebogen en vormde bijna een tunnel waar het wandelpad doorheen liep.

Pas na een heel eind kwam ik terug in open terrein.

Net onder de takken van een rij bomen ontwaarde ik het kerkje van Lede, een ander dorp dat deel uitmaakt van Wannegem-Lede en ook tot de fusiegemeente Kruisem behoort.

Het kerkje van Lede, daar moest ik heen. So far, so good.

(wordt vervolgd)