Tussen glooiende heuvels. (4/5)

Van zodra ik door het bosje heen was, begon mijn wandelpad alweer te klimmen. Nu waren er zelfs behoorlijk steile stukken te overwinnen. Ik bevond me hier aan de rand van de Vlaamse Ardennen en het landschap werd steeds heuvelachtiger.

Ik had net de dorpskern van Lede achter mij gelaten en nu volgde de wandelroute opnieuw stroomopwaarts de loop van de Rooigembeek in de richting van het dorp Huise, waar we onze wandeling waren gestart. Ik probeerde er toch flink de pas in te houden, want slenterend wandelen is nog vermoeiender voor de rug.

Na een tijdje kwam ik op een plateau uit, waar ik even op adem kon komen en vanwaar ik in de verte de kerk van Huise al zag staan. Maar mijn pad ging de andere richting uit.

De rust was van korte duur want daar lag alweer een volgende heuvelkam te wachten. Ik had de wandellus beter in omgekeerde richting gedaan. Dan was het de hele tijd bergaf geweest in plaats van bergop.

Achter de heuvelkam zag ik een een groot landbouwbedrijf net boven de horizon uitsteken. Ondertussen klom ik puffend verder.

Maar ik gaf niet op. Mezelf moed insprekend keek ik geregeld achterom om te zien welke afstand ik al had afgelegd. Doorwinterde wandelaars zouden dit wellicht een zalig parcours noemen.

Uiteindelijk kwam ik op een uitgestrekt, vlak plateau terecht. Ik bevond me al op een serieuze hoogte en werd hier beloond voor mijn inspanningen met een heel mooi vergezicht. Ik liet me neerzakken in de grasberm, leunend tegen een afsluitingspaal . Ik was dringend toe aan een kwartiertje pauze.

(wordt vervolgd)

Tussen glooiende heuvels. (2/5)

Met goede moed en helemaal in m’n nopjes zette ik, op een zwaar bewolkte zondagnamiddag, mijn wandeling in Kruisem verder. Ik volgde een lus van de Rooigemsebeek wandelroute in de deelgemeente Huise. Het dorp had ik reeds een eind achter mij gelaten en ik was nu bij de bewuste Rooigembeek aangekomen, waarnaar deze wandelroute werd genoemd.

Aan de beek is onder het water her en der een “vistrap” aangebracht. Zo’n vistrap stelt vissen in staat om in dit heuvellandschap stroomopwaarts te zwemmen. Ze zwemmen als het ware van de ene trede naar de andere. Zo’n vistrap brengt ook extra zuurstof in het water.
Minder sportieve vissen of vissen met een zere rug nemen uiteraard de lift. 😛

Mijn wandelpad volgde een hele tijd de loop van de Rooigembeek…

… terwijl ik onderweg kon ik genieten van de verste vergezichten.

Maar op een gegeven moment ging het pad, via een houten brugje over de Rooigembeek, het bos in.

Bomen en struikgewas waren hier helemaal voorovergebogen en vormde bijna een tunnel waar het wandelpad doorheen liep.

Pas na een heel eind kwam ik terug in open terrein.

Net onder de takken van een rij bomen ontwaarde ik het kerkje van Lede, een ander dorp dat deel uitmaakt van Wannegem-Lede en ook tot de fusiegemeente Kruisem behoort.

Het kerkje van Lede, daar moest ik heen. So far, so good.

(wordt vervolgd)

Een Latemse wandeling. (4/5)

We waren nog steeds op wandel in Sint-Martens-Latem. De Albijn Van den Abeele wandelroute die we aan het volgen waren ging verder via een aarden wegel langs de oevers van de Leie.

Op deze mooie, prille lentedag was het er zalig wandelen, met uitzicht op de rivier.

Menig kunstenaar hebben aan deze oevers, hun artistieke talenten ontplooit.
Albert Saverys, bijvoorbeeld, schilderde heel wat Leielandschappen.

In een vorig leven heb ik me aan de Leieboorden ook eens aan een aquarel gewaagd.

Maar laten we die jeugdzonde maar gauw vergeten en verder wandelen.

Zowat een halve kilometer verderop verwijderde ons wandelpad zich van de rivier…

…en leidde ons langs een waterzuiveringsstation van Aquafin, waar op natuurlijke wijze afvalwater gezuiverd wordt.

Uiteindelijk kregen we weer asfalt onder onze voeten en dook voor ons een gigantisch huis op. Het befaamde Torenhuis.

(wordt vervolgd)

Een latemse wandeling. (3/5)

Op onze wandelroute door Sint-Martens-latem waren we aangekomen bij de aanlegsteiger voor pleziervaarten. Van hieruit hadden we een mooi zicht op de Leie met het “Tempelhof” op de achtergrond.

Wij waren niet de enigen die bij de steiger kwamen genieten van de prille lentezon. Het was er behoorlijk druk, al bleef alles weliswaar corona-veilig genoeg.

Normaal ging de route vanaf hier verder via een knuppelpad. Maar dat pad was helaas tijdelijk afgesloten om veiligheidsredenen. Het was ons niet duidelijk wat er aan de hand was, maar het was in elk geval een tegenvaller. Hierdoor misten we een interessant stukje van de wandelroute. We moesten een omweg maken via de minder interessante Meerstraat, een vrij lange weg die dwars door de Latemse Meersen loopt. Gelukkig hadden we langs deze weg de hele tijd uitzicht op de wijde Meersen.

Dat we hier moesten uitkijken voor loslopend wild leek ons toch wat overdreven.

Wat we wel langs deze weg aantroffen waren dure villa’s, verscholen achter zwaar beveiligde afsluitingen. Reeds sinds het begin van vorige eeuw kwamen rijke industriëlen zich in Sint-Martens-Latem vestigen. Daar staat het dorp intussen ook voor bekend.

De villa’s zijn vanzelfsprekend erg mooi gelegen, met uitzicht op de Leie en de Latemse Meersen.

Bijna aan het einde van de Meerstraat ging het plots een aarden boswegel in. En zo kwamen we kwamen toch nog terecht in het kleine bos van knotwilgen, elzen en populieren, waar de Meerbeek doorheen stroomt.

Langs dit bospad hebben Albijn Van den Abeele en tal van andere Latemse kunstenaars vaak hun schildersezel neergepoot. Zoals César De Cock die in 1872 de beek in het bos op doek vereeuwigde.

Het bospad kwam uit op het afgesloten knuppelpad, waar we noodgedwongen een stukje op onze stappen moesten terugkeren om daarna via een ander pad verder te wandelen langs de open velden aan de Leieoevers.

(wordt vervolgd)

Langs schorren en slikken. (3/3)

Eenmaal we de brug over de sluis in het overstromingsgebied “de Bergenmeersen” in Wichelen hadden overgestoken, zetten we onze wandeltocht verder via het jaagpad bovenop de Scheldedijk.

Vanop dat jaagpad hadden we de hele tijd de Schelde aan onze rechterzijde.

Aan onze linkerzijde hadden we zicht op de watergeulen en grachten die de meersen doorkruisten en her en der geflankeerd werden door een “toefje” bomen.

Aan de horizon kwam het kerkje van Uitbergen steeds dichterbij. Tussen het dorp en het jaagpad stroomde de Schelde de zon tegemoet.

Het was zalig genieten op deze zachte lentedag die we van de winter cadeau hadden gekregen. Algauw lag het kerkje aan de overkant alweer een eind achter ons.

Langzamerhand naderden we het eindpunt van de Bergenmeersen.

Voor ons doemde, tegen het zonlicht in, de brug over de Schelde op waarover de weg van Overmere naar Aalst loopt.

Aan deze brug eindigde onze wandeltocht.

Toen we vanaf de brug achterom keken hadden we een mooi uitzicht over het Scheldegebied waar we vandaan kwamen.
Deze vroege lentewandeling had ons meer dan deugd gedaan in barre corona-tijden.

Langs schorren en slikken. (2/3)

Op onze wandeling over het vlonderpad, doorheen de Bergenmeersen langs de Schelde in Wichelen (nabij Dendermonde) waren we inmiddels bij een brugje aangekomen.

Vanop het brug hadden we een mooi uitzicht op een brede gracht, geflankeerd door schorren en slikken.

Uit historische bronnen weet men dat deze plek in de vroege middeleeuwen een ‘motte’ werd genoemd, een oud woord voor een kunstmatige heuvel opgeworpen in een vlak land en versterkt door een wal, een palissade en een gracht. Op een motte werd vaak een donjon of burcht opgetrokken.
Tijdens werken in 2012-2013 werd hier een brede, cirkelvormige gracht ontdekt die het vermoeden van archeologen bevestigt dat hier ooit een donjon of een versterkte hoeve zou hebben gestaan.


Een heel eind verderop, aan de kant van de gracht, zaten enkele watervogels lekker de zonnen.

Vanop het brugje zagen we ook dat het vlonderpad een eind verderop ten einde liep.

Via een trap beklommen we de Scheldedijk.

We bevonden ons nu op het jaagpad langs de Schelde. Een beetje verder was de brug over de sluis langs waar het overtollige water van de Schelde in het overstromingsgebied wordt geloodst. Dit is duidelijker te zien op een luchtfoto op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos.

Aan de ene kant van de brug hadden we een mooi uitzicht op de schorren en slikken die bij eb tevoorschijn komen. In de verte zagen we de toren van het kerkje van Uitbergen (een deelgemeente van Berlare).

Aan de andere kant van de brug hadden we een mooi zicht op de Schelde. De stroom zou ons gedurende de rest van de wandeling gezelschap blijven houden.

(wordt vervolgd)