Een Latemse wandeling. (4/5)

We waren nog steeds op wandel in Sint-Martens-Latem. De Albijn Van den Abeele wandelroute die we aan het volgen waren ging verder via een aarden wegel langs de oevers van de Leie.

Op deze mooie, prille lentedag was het er zalig wandelen, met uitzicht op de rivier.

Menig kunstenaar hebben aan deze oevers, hun artistieke talenten ontplooit.
Albert Saverys, bijvoorbeeld, schilderde heel wat Leielandschappen.

In een vorig leven heb ik me aan de Leieboorden ook eens aan een aquarel gewaagd.

Maar laten we die jeugdzonde maar gauw vergeten en verder wandelen.

Zowat een halve kilometer verderop verwijderde ons wandelpad zich van de rivier…

…en leidde ons langs een waterzuiveringsstation van Aquafin, waar op natuurlijke wijze afvalwater gezuiverd wordt.

Uiteindelijk kregen we weer asfalt onder onze voeten en dook voor ons een gigantisch huis op. Het befaamde Torenhuis.

(wordt vervolgd)

Een latemse wandeling. (3/5)

Op onze wandelroute door Sint-Martens-latem waren we aangekomen bij de aanlegsteiger voor pleziervaarten. Van hieruit hadden we een mooi zicht op de Leie met het “Tempelhof” op de achtergrond.

Wij waren niet de enigen die bij de steiger kwamen genieten van de prille lentezon. Het was er behoorlijk druk, al bleef alles weliswaar corona-veilig genoeg.

Normaal ging de route vanaf hier verder via een knuppelpad. Maar dat pad was helaas tijdelijk afgesloten om veiligheidsredenen. Het was ons niet duidelijk wat er aan de hand was, maar het was in elk geval een tegenvaller. Hierdoor misten we een interessant stukje van de wandelroute. We moesten een omweg maken via de minder interessante Meerstraat, een vrij lange weg die dwars door de Latemse Meersen loopt. Gelukkig hadden we langs deze weg de hele tijd uitzicht op de wijde Meersen.

Dat we hier moesten uitkijken voor loslopend wild leek ons toch wat overdreven.

Wat we wel langs deze weg aantroffen waren dure villa’s, verscholen achter zwaar beveiligde afsluitingen. Reeds sinds het begin van vorige eeuw kwamen rijke industriëlen zich in Sint-Martens-Latem vestigen. Daar staat het dorp intussen ook voor bekend.

De villa’s zijn vanzelfsprekend erg mooi gelegen, met uitzicht op de Leie en de Latemse Meersen.

Bijna aan het einde van de Meerstraat ging het plots een aarden boswegel in. En zo kwamen we kwamen toch nog terecht in het kleine bos van knotwilgen, elzen en populieren, waar de Meerbeek doorheen stroomt.

Langs dit bospad hebben Albijn Van den Abeele en tal van andere Latemse kunstenaars vaak hun schildersezel neergepoot. Zoals César De Cock die in 1872 de beek in het bos op doek vereeuwigde.

Het bospad kwam uit op het afgesloten knuppelpad, waar we noodgedwongen een stukje op onze stappen moesten terugkeren om daarna via een ander pad verder te wandelen langs de open velden aan de Leieoevers.

(wordt vervolgd)

Langs schorren en slikken. (3/3)

Eenmaal we de brug over de sluis in het overstromingsgebied “de Bergenmeersen” in Wichelen hadden overgestoken, zetten we onze wandeltocht verder via het jaagpad bovenop de Scheldedijk.

Vanop dat jaagpad hadden we de hele tijd de Schelde aan onze rechterzijde.

Aan onze linkerzijde hadden we zicht op de watergeulen en grachten die de meersen doorkruisten en her en der geflankeerd werden door een “toefje” bomen.

Aan de horizon kwam het kerkje van Uitbergen steeds dichterbij. Tussen het dorp en het jaagpad stroomde de Schelde de zon tegemoet.

Het was zalig genieten op deze zachte lentedag die we van de winter cadeau hadden gekregen. Algauw lag het kerkje aan de overkant alweer een eind achter ons.

Langzamerhand naderden we het eindpunt van de Bergenmeersen.

Voor ons doemde, tegen het zonlicht in, de brug over de Schelde op waarover de weg van Overmere naar Aalst loopt.

Aan deze brug eindigde onze wandeltocht.

Toen we vanaf de brug achterom keken hadden we een mooi uitzicht over het Scheldegebied waar we vandaan kwamen.
Deze vroege lentewandeling had ons meer dan deugd gedaan in barre corona-tijden.

Langs schorren en slikken. (2/3)

Op onze wandeling over het vlonderpad, doorheen de Bergenmeersen langs de Schelde in Wichelen (nabij Dendermonde) waren we inmiddels bij een brugje aangekomen.

Vanop het brug hadden we een mooi uitzicht op een brede gracht, geflankeerd door schorren en slikken.

Uit historische bronnen weet men dat deze plek in de vroege middeleeuwen een ‘motte’ werd genoemd, een oud woord voor een kunstmatige heuvel opgeworpen in een vlak land en versterkt door een wal, een palissade en een gracht. Op een motte werd vaak een donjon of burcht opgetrokken.
Tijdens werken in 2012-2013 werd hier een brede, cirkelvormige gracht ontdekt die het vermoeden van archeologen bevestigt dat hier ooit een donjon of een versterkte hoeve zou hebben gestaan.


Een heel eind verderop, aan de kant van de gracht, zaten enkele watervogels lekker de zonnen.

Vanop het brugje zagen we ook dat het vlonderpad een eind verderop ten einde liep.

Via een trap beklommen we de Scheldedijk.

We bevonden ons nu op het jaagpad langs de Schelde. Een beetje verder was de brug over de sluis langs waar het overtollige water van de Schelde in het overstromingsgebied wordt geloodst. Dit is duidelijker te zien op een luchtfoto op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos.

Aan de ene kant van de brug hadden we een mooi uitzicht op de schorren en slikken die bij eb tevoorschijn komen. In de verte zagen we de toren van het kerkje van Uitbergen (een deelgemeente van Berlare).

Aan de andere kant van de brug hadden we een mooi zicht op de Schelde. De stroom zou ons gedurende de rest van de wandeling gezelschap blijven houden.

(wordt vervolgd)

Langs schorren en slikken. (1/3)

Nu de lente in aantocht is heb ik mijn blog een beetje opgefrist. En meteen ook het huis een flinke poetsbeurt gegeven. We hadden dit weekend hier een klein verjaardagsfeestje in onze bubbel voor mijn dierbare echtgenote die vandaag jarig is. Hiep piep piep…



Op 10 februari waren we nog in Wichelen, het dorp waar zij 56 jaar geleden werd geboren. De wandeling in de Bergermeersen konden we toen niet doen omwille van de kou en de sneeuw. Maar we hadden ons voorgenomen om in de lente terug te keren. Die lente kwam echter veel vroeger dan gedacht en op zondag 21 februari waren we al terug in Wichelen.

Het contrast kon niet groter zijn. De sneeuw en de kou van de vorige keer hadden plaats gemaakt voor een stralende lentezon. Op zo’n onverwacht vroege lentedag kon een mens onmogelijk binnen blijven. Daarom stonden we opnieuw aan de oevers van de Schelde, klaar om de wandelroute door de Bergenmeersen aan te vatten.

Net voorbij de begraafplaats van Wichelen begint het vlonderpad dat de wandelaar een kilometer lang door het overstromingsgebied leidt.

We waren niet gehaast en wilden zo lang mogelijk genieten van deze mooie lentedag in de winter. We kuierden op ons dooie gemak over de houten planken. Aanvankelijk ging de trip door een open vlakte.

Maar algauw werden we volledig omgeven door hoog riet en gras. Volgens het Agentschap Natuur en Bos voelen de blauwborst en de kleine karekiet zich helemaal thuis in deze rietkragen. Maar die dag hadden ze zich waarschijnlijk goed verstopt.

Naast het vlonderpad ontwaarden we tussen het riet wel talrijke watergeulen en kleine kreken, die dienst doen als aan- of afvoerroute voor het water bij het opkomend of afgaand tij.

De Bergenmeersen is namelijk een getijdengebied van zoet water dat, naargelang eb of vloed, hoger of lager komt te staan en waarin schorren en slikken (in Nederland ook wadden genoemd) zijn ontstaan. Het zijn een soort eilandjes van slib die bij vloed volledig onder water komen te staan.

We volgden verder het vlonderpad door het riet, benieuwd naar wat er nog meer ons pad zou kruisen.

(wordt vervolgd)

De bel aan de Schelde.

Ik loop op deze blog wat achter op de tijd. Het is ondertussen al een maand geleden, we zaten toen nog volop in sneeuw, dat mijn vrouw en ik op de begraafplaats van haar geboortedorp Wichelen waren. Die begraafplaats is mooi gelegen aan de oevers van de Schelde. Daarachter ligt een natuurgebied, de Bergenmeersen genaamd, dat dienst doet als overstromingsgebied. Meer info daarover kan je lezen op de blog van Willy.
We gingen die dag een kijkje nemen aan de oever van de Schelde.

Hier begon het jaagpad dat tussen de Schelde en de Bergenmeersen loopt.

Hier begint een mooie natuurwandelroute langs schorren en slikken. Maar er waaide een ijzige noordpoolwind over deze vlakte, die niet uitnodigde om op wandel te gaan.

Hier vonden we ook het begin van het vlonderpad dat wandelaars doorheen de Bergenmeersen leidt, maar nu ondergesneeuwd lag. Het geheel zag er nogal glibberig uit en daarom waagden we ons niet verder.

Een wandeling door de Bergenmeersen zat er voor ons die dag niet in. We vertrokken terug uit Wichelen, maar waren vast besloten om, van zodra het lente werd, terug te keren om dit mooie natuurgebied wat beter te verkennen. We konden toen nog niet vermoeden dat de lente niet lang meer op zich zou laten wachten en dat wij hier vlugger zouden terug zijn dan verwacht.

Op weg van Wichelen naar huis, hielden wij nog eens halt in het centrum van Schellebelle en parkeerden onze auto aan het café “Het Veer”.

“Schellebelle”, een naam die klinkt als een klok, zou betekenen “bocht in de Schelde”, al is deze verklaring niet wetenschappelijk onderbouwd. We wilden graag een kijkje gaan nemen aan het veerpont van Schellebelle, dat achter dit café lag. We wandelden tot bij de aanloopsteiger naar de veerboot, waar nog steeds de blauwe bel hangt die je kan luiden als je de veerman wil roepen.

Het veer van Schellebelle is een van de oudste overzetten aan de Schelde. Het veer zou aan het begin van de 13e eeuw ontstaan zijn nadat de Scheldeloop gewijzigd was. Tot 1950 werd er gebruikgemaakt van een houten kettingpont. Thans gebeurt de overzet met een comfortabele veerboot. Ook bij deze koude wintertemperaturen voer de veerboot voortdurend over en weer om wandelaars van de ene oever naar de andere te brengen.

Wij bleven echter aan onze kant. Terug bij de auto maakte ik in het dorpscentrum nog een foto van “het roephuisje”, in de volksmond “het kot” genoemd. Dit piepkleine gebouwtje staat hier reeds sinds mensenheugenis, wellicht van in de 17e eeuw. Het diende oorspronkelijk als roephuisje, waar de veldwachter of sjampetter vanonder het afdakje de proclamaties van de gemeente luidkeels verkondigde aan al die het wou horen. “Het kot”zou ook nog dienst hebben gedaan als “cachot” waar geboefte of dronkenlappen zo nu en dan een nachtje mochten doorbrengen.