Binnenskamers.

Vorige week heeft het Museum van Deinze en de Leiestreek (Mudel) haar deuren opnieuw geopend voor een gloednieuwe tentoonstelling. Hoog tijd dus om weer een beetje reclame te maken voor “ons” museum.
De nieuwe tentoonstelling loopt onder de titel “‘Binnenskamers”. Dit thema werd reeds gekozen voor de uitbraak van het coronavirus maar heeft in deze tijden een bijzondere weerklank gekregen.
De tentoonstelling past in het kader van de zevende biënnale van de schilderkunst en wordt tezelfdertijd in drie verschillende Leiemusea georganiseerd, namelijk in het Mudel in Deinze, het Roger Raveelmuseum in Machelen aan de Leie en het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. De musea liggen op een kwartiertje fietsafstand van elkaar en kan je met eenzelfde toegangsticket bezoeken.

In het museum in Deinze zijn alvast heel mooie werken te zien en niet alleen van kunstenaars uit de Leiestreek. Zo zijn er onder meer schilderijen te bewonderen van drie belangrijke Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw : Jan Sluijters, Charley Toorop en Carel Willink. Daarnaast zijn enkele fijne schilderijen van Jan van Beers uit Lier mij ook opgevallen.
Bij de moderne kunst had ik vooral oog voor het verbluffend werk van de Russische kunstenares Olga Fedorova. Er hangt ook opvallend werk van enkele jonge Gentse kunstenaars, onder meer knappe composities van Bendt Eyckermans en erotische kunst van Joëlle Dubois.
Naast nog heel wat meer aanstormend talent zijn natuurlijk ook de oude Latemse klassiekers aanwezig, zoals Emile Claus en Léon De Smet.
Het is een zeer gevarieerde tentoonstelling, waarin iedere kunstliefhebber wel zijn gading zal vinden en die volledig corona-proof wordt georganiseerd. Het is overigens voor de medewerkers van het museum een huzarenstukje geweest om deze tentoonstelling in volle lockdown-periode tot stand te brengen.

Hieronder staan foto’s van enkele van de werken die momenteel in het Mudel te zien zijn. De foto’s zijn aanklikbaar om ze in een groter formaat te bekijken. Ik nam de foto’s vorige vrijdag losjes uit de hand met m’n smartphone, waardoor de kwaliteit niet altijd optimaal is.

Een kunstenares in een mannenwereld.(2/2)

De ‘Académie Julian’ werd opgericht in 1868 door Rodolphe Julian. Het was een privéschool waar ook vrouwelijke studenten werden toegelaten, al moesten vrouwen er meer dan dubbel zoveel inschrijvingsgeld betalen dan mannen. De academie leverde vermaarde kunstenaars af, zoals Fernand Khnopff, Käthe Kollwitz en Henri Matisse, om er maar enkele te noemen.
In 1890 had Julian zeventien ateliers in Parijs, sommige met meer dan 150 leerlingen. Mannen en vrouwen werden in aparte ateliers ondergebracht. Aan het begin van de week kreeg ieder atelier een model toegewezen dat een bepaalde pose moest aannemen. De leerlingen kregen een week tijd om die pose op doek of op papier vast te leggen.
De leermeesters beoordeelden op het einde van de week het resultaat. Ze kozen in elk atelier telkens het beste werk van de week. De winnaar mocht de volgende week als eerste een zitplaats kiezen, wat in de overvolle ateliers een belangrijk voordeel was. De vrouwen die er les volgden waren echter vaak afhankelijk van de goodwill van hun mannelijke leermeesters.

Leerling-kunstenaressen in de académie Julian anno 1889


Hoe dan ook, in de Académie Julian leerde Louise De Hem alle knepen van het vak. In de zomer van 1891 keerde Louise terug naar Ieper en begon ze haar carrière als kunstenares uit te bouwen. Nadat ze aanvankelijk haar familieleden uitkoos om voor haar te poseren (vooral haar moeder en oudere zussen waren gewillige slachtoffers), mocht ze in 1892 de erevoorzitter van het Hof van Cassatie op doek vereeuwigen. Het was haar eerste belangrijke portretopdracht.

Louise De Hem is portretten blijven schilderen. Ze vereeuwigde leden van de lokale adel, de bourgeoisie, overheden, stadsbesturen en zelfs oversten van kloosters. Het bracht haar een aardige stuiver op. Maar daarnaast schilderde ze ook sociale taferelen, zoals het schilderij van de arme moeder die samen met de oma naar het weeshuis gaat om er haar kindje af te staan (zie lightbox deel 1).
Omstreeks 1904 besloot ze om naar Brussel te verhuizen. In Vorst ~ dan nog een plattelandsgemeente aan de rand van Brussel ~ betrok ze een dubbelwoning in art-nouveaustijl, ontworpen door Ernest Blériot. In haar nieuwe atelier werkte Louise verder aan haar oeuvre. Haar werk heeft een vrouwelijke, soms ietwat dromerige toets en wordt geklasseerd onder het post-impressionisme en het realisme.

Pas in 1908, ze is dan al 41, huwde Louise De Hem met Frédéric Lebbe, een naar Brugge uitgeweken Ieperling die als ingenieur bij de spoorwegen werkte. Van dan af werd Louise De Hem minder productief als kunstenares. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze zich met haar man schuil in het bezet Brussel. Na de oorlog kon ze blijkbaar de moed niet meer opbrengen om haar artistiek werk verder te zetten. Ze stierf bijna onopgemerkt op 22 november 1922. Ze werd net geen 56 jaar oud.

Dankzij onder meer een milde schenking van Hélène De Hem, oudere zus van Louise, en daarnaast nog tal van giften en aankopen, verwierf het stedelijke museum van Ieper een uitgebreide openbare collectie, bestaande uit bijna 90 werken van Louise De Hem, waarvan ongeveer de helft permanent worden tentoongesteld in het Yper Museum.

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door jan Dewilde, uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Een kunstenares in een mannenwereld.(1/2)

Louise De Hem zag voor het eerst het levenslicht in Ieper op 10 december 1866. Ze was het achtste kind van Henri De Hem en Eulalie Bartier en groeide op in een ontwricht huishouden. Haar vader was niet aanwezig bij haar geboorte. Hij had zijn gezin in de steek gelaten en woonde over de grens in Armentières.
Haar moeder runde een café in de Vleeshouwersstraat. Daar kwam geregeld Théodore Ceriez over de vloer, kunstschilder en lesgever aan de plaatselijke academie. Na verloop van tijd trok Théodore in bij het gezin, kreeg er kost en inwoon en huwde Louise’s oudere zus Hélène, ondanks het leeftijdsverschil van 26 jaar. Hij was het die als eerste het aangeboren tekentalent van Louise ontdekte en zijn schoonzus aanmoedigde om daarin verder te gaan. Aangezien er in die tijd op de academie nog geen meisjes werden toegelaten gaf hij haar thuis zelf een doorgedreven opleiding in de tekenkunst. Hij slaagde er ook in om een aantal van haar werken tentoon te stellen op belangrijke exposities, waar Louise meteen lovende kritieken oogstte.

In 1886 verliet Louise het ouderlijk huis en trok eerst naar Brussel en later naar Parijs. In Parijs lukte het haar om les te gaan volgen bij Alfred Stevens, een Belgische kunstschilder die toen furore maakte in het mondaine Parijs. De man gaf enkel les aan vrouwen. Verscheidene Belgische kunstenaressen uit die tijd ontmoeten er elkaar. Het was nog steeds een tijd waarin vrouwen hun werken vaak signeerden met de naam van hun man omdat, in de kunstwereld van toen, vrouwen nog niet echt meetelden.
Alfred Stevens liet zich overdag zelden zien in het atelier van de vrouwen, die gelegen was in een kelder onder zijn eigen atelier. De vrouwen konden de hele dag tekenen en schilderen waar ze zelf zin in hadden. Maar ’s avonds daalde Stevens af naar de kelder en kwam het geleverde werk van de dames keuren. Daarbij spaarde hij zijn kritiek niet. Al te enthousiaste vrouwelijke kunstenaressen stonden vaak weer met beide voeten op de grond nadat hij hun werk, zonder enig mededogen, compleet had afgekeurd.

Vanaf 1890 signeerde Louise De Hem haar werken met haar eigen naam. Wanneer Alfred Stevens om gezondheidsredenen geen les meer kon geven, ging Louise De Hem anatomie studeren aan de Faculteit Geneeskunde in Parijs. Dit zou haar later in staat stellen om naar naaktmodel te werken, iets wat toen in België voor vrouwen nog verboden was.
Tussen haar lessen door, werkte Louise de Hem in Parijs in het prestigieuze “atelier Cormon”, gesticht door de Franse kunstschilder Fernand Cormon. Grote namen uit de kunstgeschiedenis waren haar daar voorgegaan, zoals Vincent Van Gogh, Gauguin en Toulouse-Lautrec.
Maar in het atelier libre voelde Louise zich niet in haar sas en na haar anatomie studies trok ze naar de befaamde ‘Académie Julian”. In deze Parijse privéschool kwam Louise in een andere wereld terecht.

(wordt vervolgd)

Toulouse-lautrec (cirkeltje) in het atelier Cormon te Parijs

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door Jan Dewilde uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Yper Museum.

Daar waar het Ieperse museum ‘In Flanders Fields’ vooral het verhaal van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek vertelt, neemt men je in het Yper Museum mee doorheen elf eeuwen geschiedenis van de Westhoek en de stad Ieper. Dat doen ze aan de hand van een grote maquette van het middeleeuwse Ieper en verder nog een unieke collectie kaarten, archeologische vondsten, munten, kant- en handwerk en nog veel meer. Zo hebben ze er ook een zeer interessante collectie middeleeuwse insignes. Iets waar ik later, in een apart logje, graag nog eens wil op terugkomen.
De opstelling in het museum is bijzonder origineel. Alleen een beetje jammer dat men bepaalde waardevolle schilderijen zo hoog tegenaan het plafond heeft opgehangen.

Er loopt in het Yper Museum momenteel een tijdelijke tentoonstelling onder de titel ‘herSTELLINGEN”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Ieper met de grond gelijk gemaakt. Deze tentoonstelling gaat over de wederopbouw en de terugkeer van het sociocultureel leven in de stad.
Hieronder enkele sfeerbeelden uit het museum.

Het Yper Museum besteed eveneens bijzondere aandacht aan de Ieperse kunstenares Louise De Hem, die leefde van 1866 tot 1922 en die bij veel mensen elders in het land misschien niet zo heel bekend is.
Een volgende keer vertel ik wat meer over het leven en werk van Louise De Hem.

Dichter bij Van Eyck.


Het was de grootste tentoonstelling rond het werk van Jan Van Eyck ooit en het had het belangrijkste culturele evenement in Gent van dit voorjaar moeten zijn. Dat was het ook, tot het corona-virus roet in het eten kwam gooien.

Half maart ging de tentoonstelling onherroepelijk dicht. Ik was één van de gelukkigen die nog voor de sluiting erin geslaagd is om deze uiterst boeiende tentoonstelling te gaan bezichtigen. Begin maart ben ik er, samen met mijn vriend en historicus Manu naartoe geweest en we hebben er ons vergaapt aan de verbluffende schildertechniek van Van Eyck en enkele van zijn tijdsgenoten.
Vele mensen die hun bezoek nog wat hadden uitgesteld, waren eraan voor de moeite. De tentoonstelling is afgesloten en de kunstwerken keren terug naar hun vaste stek in musea verspreid over de wereld.
Gelukkig kunnen we nog op het internet terecht om dichter bij Van Eyck te komen. Als men hierboven klikt op het zelfportret van Jan Van Eyck dan komt men terecht op de website “closer to Van Eyck”. Op deze gesofisticeerde site verneemt men alles over het gerestaureerde ‘Lam Gods’, maar ook over alle andere werken van de grootmeester. Men kan er bovendien alles bekijken in een super resolutie, zodat men elk schilderij op het scherm enorm kan uitvergroten en tot in het allerkleinste detail kan bestuderen. Men verneemt er ook alles over het wetenschappelijk onderzoek dat aan de restauratie van de werken is vooraf gegaan. Het loont absoluut de moeite om er een keertje virtueel te gaan rondneuzen.
Nog meer informatie over het leven en werk Jan Van Eyck is er te vinden op de website van het Museum voor Schone Kunsten van Gent.