De kunst van het drukken / 10

Wat vooraf ging

Deel 10 / Degels en cilinders

Met de komst van de regelzetmachine en het rastercliché was in de 19e eeuw de vooruitgang in de letterzetterijen er reeds flink op vooruit gegaan. Ook de drukpersen maakten in de loop der eeuwen een hele evolutie door.
De allereerste persen werden manueel aangedreven, op louter man- en spierkracht, waarbij een degel met de geïnkte drukvorm door middel van een hefboom op een schroef tegen het papier werd gedrukt.

Later kwamen de trapdegels, waarbij de draaibeweging van een wiel, de degel dicht liet klappen en zo het papier tegen de drukvorm perste. Deze persen werden vaak via een voetpedaal bediend.

Nog later kwamen de cilinderpersen, waarbij het papier op een roterende cilinder werd geklemd. Het zetsel bevond zich in een raam onder de cilinder. Via een vliegwiel ging de cilinder over en weer en draaide daarbij ook om z’n eigen as.
De automatische inktbak was eveneens een innoverende nieuwigheid. Via een “likrol” werd een streepje inkt op een inkttafel gelegd en daarna via een “verdeelrol” gelijkmatig verdeeld. De inkt werd vervolgens overgezet op drie andere inktrollen die uiteindelijk het zetsel inkten. Dit mechanisme zorgde voor een enorme vooruitgang in de druktechniek.

Toen kwam ook de stoommachine eraan te pas die voor de aandrijving zorgde en daarna kwam de elektriciteit. In de loop der tijden werden heel wat druksystemen uitgedokterd, de één al wat complexer dan de andere. Het zou ons veel te ver leiden om op al deze verschillende technieken in te gaan. Illustraties uit de 19e eeuw tonen een overzicht van wat er zoal aan drukpersen werd ineen geknutseld.

Het basisprincipe bij al deze technieken bleef steeds hetzelfde : het te bedrukken papier werd op een of andere manier tegen een geïnkt loden zetsel aangedrukt. Dit principe zou stand houden tot in de jaren ’70 van vorige eeuw. Pas met de komst van het “offset-methode” en de “reprografie” zouden deze machines, samen met de loden letters, definitief naar de musea verhuizen.

Wat drukpersen betreft is er één naam die klinkt als muziek in de oren van elke drukker. Het is de naam van een Duitse stad, in de deelstaat Baden-Württemberg, maar bovendien de naam van een iconisch drukpersenmerk : Heidelberg, de populairste onder alle drukpersen.
Volgende keer vertel ik daar wat meer over.


In het Industriemuseum van Gent

Bij een bezoek aan het Industriemuseum in Gent nam ik enkele foto’s van oude degel- en cilinderpersen.


Geraadpleegde bron : Industriemuseum Gent
Illustraties : Industriemuseum Gent
WikiCommons (publiek domein)

De teloorgang van de molens. (3/3)

Ik stond op de parking van het bedrijventerrein van de Molens van Deinze, waar de afbraakwerken van de oude gebouwen begonnen waren. Vanop de parking kon ik echter niets zien en afsluitingshekkens versperden me de toegang tot de plaats van het gebeuren.
Maar toen kwam iemand van de bouwvakkers, gekleed in overall en met een Bob de Bouwer-helm op, plots naar me toe. Nadat ik hem had uitgelegd wat ik kwam doen, kreeg ik van de man de toestemming om gedurende een kwartiertje foto’s te nemen. Ik kreeg prompt ook een Bob de Bouwer-helm opgezet en mocht het terrein van de afbraak betreden.

De foto’s hieronder zijn aanklikbaar om te vergroten. Voor de gelegenheid had ik mijn telelens in mijn fototas gestopt. Omwille van het zwaar gewicht, gebruik ik die lens maar heel zelden meer, maar nu kwam ze goed van pas.
Het was overigens niet gemakkelijk om te fotograferen. De helm die ik op had was me veel te groot en zakte voortdurend voor m’n ogen.

De machine die hier bezig was leek net een ijzeren dinosaurus die met zijn reusachtig bek brokstukken van het gebouw beet en daarna weer uitspuwde.

Het was fascinerend om dit schouwspel gade te slaan.

Hiermee verdwijnt alweer een stukje geschiedenis en industrieel erfgoed uit onze stad. In de plaats komen op deze site nieuwe wooneenheden en een stadspark van 5000 vierkante meter. De parkeerplaatsen komen ondergronds. Dit hele project, op wandelafstand van de Markt van Deinze kadert, samen met de vernieuwing van de Tolpoortstraat, in de stadverfraaiing die reeds enkele jaren aan de gang is.
Toen ik hier was waren de sloopwerken pas begonnen. Intussen zijn die al een heel eind verder gevorderd. Binnenkort ga ik er opnieuw een kijkje nemen. Wellicht krijgt dit logje later nog een vervolg.

De teloorgang van de molens. (2/3)

De dagen van de 130 jaar oude gebouwen van de Molens van Deinze, het bedrijf waar men gedurende meer dan een eeuw grondstoffen voor bakkerijen vervaardigde, zijn geteld. Vorige maand is men begonnen met de sloop ervan.
Half februari, toen ik er een kijkje ging nemen, was er aan de kant van de Leie nog niets te zien van de sloopwerken. Maar wél te horen, want vanachter de gevels van de fabriek weerklonk een hels kabaal.

Ik wandelde verder langs de Leie tot aan de Tolpoortbrug. Ruim vijf jaar geleden maakte ik hier een foto. De dagen van de huizen rechts op de foto, zijn eveneens geteld.

Foto uit 2015

De vroegere apotheek op de hoek van de Tolpoortstraat en het huis ernaast zijn reed plat gelegd. Er zullen nog meer huizen hier moeten wijken. Alles kadert in een plan van stadsvernieuwing. Het aanzicht van onze stad is in sneltempo aan het veranderen.
Ik bleef even staan om naar de werkzaamheden te kijken. Op de achtergrond zag ik de torens van de Molens en kon ik een glimp opvangen van de werken die ginder aan de gang waren.

Halfweg de Tolpoortstraat bevindt zich de toegang tot de parking en het bedrijventerrein van de Molens van Deinze. Vroeger kon alleen het personeel van het bedrijf hier naar binnen. Maar aangezien de gebouwen reeds een jaar leeg staan, mag iedereen die dat wil voorlopig gebruik maken van de parking.
Ik wandelde gewoon te voet het bedrijventerrein op.

Rechts van mij bevonden zich oude kantoorgebouwen van het bedrijf, die wellicht ook gedoemd zijn om te verdwijnen.

Achter de hoek kwam ik op de parking van het bedrijf.

Aan de overkant rezen de majestueuze, oude achtergevels van het bedrijf op. Van de sloopwerken was hier nog steeds niets te merken.

Aan de andere kant stond een heel oud kantoorgebouwtje met een trapgeveltje, waar misschien de vrachtwagenchauffeurs zich moesten aanmelden om er de nodige papieren in orde te brengen ? Wellicht zal ook dit gebouwtje er moeten aan geloven.

Naast het trapgevelgebouwtje stonden ijzeren hekkens opgesteld. Hier kon ik niet verder. Niemand mocht voorbij de afsluiting. Het lawaai van de afbraakwerken was nu heel dichtbij, maar van de afbraakwerken zelf kon ik nog altijd niets zien.

Maar toen had ik het geluk om Bob de Bouwer tegen het lijf te lopen !

(wordt vervolgd)

De teloorgang van de molens. (1/3)

In 1875 werd in Deinze een vermicellifabriek opgericht, maar reeds in 1882 werd de fabriek omgebouwd tot een industrieel molenbedrijf voor het produceren van bakkerij grondstoffen. Het bedrijf kreeg de naam Les Moulins des Flandres. Na een brand in 1890 startte de fabriek weer op in 1892 onder de naam : Molens van Deinze.
Later kwam het bedrijf in handen van de familie Dossche. De naam werd veranderd in Dossche Mills.

Molens van Deinze omstreeks 1900 / collectie Mudel

In 2019 werd de verouderde fabriek te Deinze gesloten, omdat er problemen ontstonden met de milieuvergunning en de ietwat moeilijke bereikbaarheid per schip in de oude Leiearm. Alles verhuisde naar nieuwere en moderne vestigingen van het bedrijf. De nog 38 medewerkers die op de locatie aan de Leie nog werkzaam waren, verloren hun baan.
In 2014, toen er hier nog volop bedrijvigheid was, vrachtwagens aan en af reden en schepen aanlegden aan de loskaai, maakte ik enkele foto’s van het gebouwencomplex.

Een maand geleden werd begonnen met de sloop van de fabrieksgebouwen. Veel gebouwen op deze site van 320 ha. dateren van 1892. Alles zal onverbiddelijk verdwijnen. Alleen enkele authentieke gevels zou men trachten te bewaren.
Jullie lazen er al alles over op de blog van Fotorantje. Ook ik ging een kijkje nemen op woensdag 17 februari, toen de werkzaamheden nog maar net begonnen waren. Vanop de Leiebrug in Deinze was er nog niets bijzonders te zien. De gebouwen van de molens stonden erbij zoals vanouds.

Ik daalde de brug af en naarmate ik dichterbij kwam hoorde ik steeds meer gedaver, geronk en gebonk. Er was duidelijk iets aan de gang. Maar aan de voorgevels langs de Leie was er van de sloopwerken nog niets te merken.

Blijkbaar speelde de actie zich af achter deze torenhoge gevels. Om dat van naderbij te kunnen bekijken moest ik aan de andere kant zijn, op het bedrijventerrein zelf. Om daar te komen moest ik stukje verder wandelen, via een ommetje langs de Tolpoortstraat.

(wordt vervolgd)

Aan de Leiekant. (3/3)

Het was half december van vorig jaar toen ik met de fiets langs de Maaigemdijk reed. Ik kwam uit de richting van Bachte-Maria-Leerne en volgde de Oude Leie tot in Astene.

Aan de andere kant van de Maaigemdijk hield ik even halt bij een zitbankje en genoot er van de rust aan het water.

Na een kwartiertje vervolgde ik m’n weg en kwam vanzelf uit op het brede jaagpad langs de “nieuwe” Leie, die naar Deinze loopt. De foto hieronder nam ik al rijdend vanop de fiets, vandaar dat hij een tikkeltje scheef is.

Langs dit jaagpad had ik de week ervoor, bij valavond, reeds foto’s genomen. Dus trapte ik deze keer flink door tot aan de oude bloemmolens van Deinze.

En zo kwam ik in het centrum van de stad, waar het een week voor Kerstmis merkwaardig rustig was. We beleven een vreemde corona-tijd.

Meer foto’s aan de Leie (uit mijn archief van de voorbije 10 jaar) vinden jullie in de linker kolom van deze site door in het menu op de link “Rondom de Leie” te klikken.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriële evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriële nijverheden uit de voorbije eeuwen . Eén daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog véél meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.