In de ban van de hertogin / 9

De vermetele

Naast het praalgraf van Maria van Bourgondië in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge, staat het praalgraf van haar vader, Karel de Stoute. Zo werd hij genoemd, maar het woord “stout” had in de middeleeuwen enigszins een andere betekenis. Nu is “ondeugend” een synoniem van stout, maar toen verstond men onder “de stoute” eerder ” de vermetele” of “de roekeloze” of ” de dappere maar onbezonnene”.

Karel de Stoute was de zoon van de Bourgondische hertog Filips de Goede, de stichter van de orde van het guldenvlies en van Isabella van Portugal. Zelf is hij driemaal gehuwd. Het was zijn tweede vrouw, Isabella van Bourbon die de moeder was van Maria van Bourgondië. Maria was slechts acht jaar oud toen haar moeder op 29-jarige leeftijd stierf.

Isabella van Bourbon en Karel de Stoute, de ouders van Maria van Bourgondië

Het bewind van Karel de Stoute werd vooral gekenmerkt door oorlogvoering en het neerslaan van opstandelingen. In zijn drang om het Bourgondische rijk uit te breiden veroverde hij onder meer Luik, het hertogdom Gelre aan de Nederrijn en het hertogdom Lotharingen. Maar hij kreeg het ook aan de stok met de Habsburgers en met het Heilig Roomse rijk en met de koning van Frankrijk.
Hij sneuvelde uiteindelijk in 1477 op het slagveld bij een poging om de stad Nancy te veroveren.
Na zijn vroegtijdige dood moest Maria van Bourgondië hals over kop het rijk overnemen. Ze was toen amper twintig jaar oud en werd meteen geconfronteerd met de ongenoegen van het volk over het oorlogszuchtige beleid van haar vader.

Net zoals het praalgraf van Maria van Bourgondië is ook dit praalgraf op prachtige wijze versierd, geheel naar de Bourgondische tradities. Maar in tegenstelling tot deze van zijn dochter, zijn de stoffelijke resten van Karel de Stoute hier niet meer aanwezig. Na plunderingen tijdens de Franse revolutie was zijn lichaam uit de grafkelder verdwenen en is nooit meer teruggevonden.

Dichter bij Maria van Bourgondië konden we voorlopig niet meer komen. We hadden haar een laatste eer bewezen. We wilden ons graag verder verdiepen in haar levensverhaal, maar dat was iets voor later. Nu lieten we de hertogin in vrede rusten en verlieten we stilletjes de stad Brugge.

Wordt later vervolgd.

In de ban van de hertogin / 8

Stoffelijke resten

We stonden bij het prachtige Bourgondische praalgraf van Maria van Bourgondië, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge.

De feitelijke grafkelder, waar niemand toegang heeft, bevindt zich onder de sarcofaag. Maar naast de sarcofaag zijn de vloertegels vervangen door glastegels. Doorheen het glas kan je een blik werpen beneden in de grafkelder. Je merkt meteen de middeleeuwse muurschilderingen op.
Door de lichtweerkaatsing van bovenaf, was het moeilijk om door het glas heen er een goede foto van te nemen. Maar ik heb het toch maar geprobeerd.

Wanneer men zich bukt of door de knieën gaat ziet men onder de sarcofaag een deel van de loden kist met daarin de stoffelijke resten van Maria van Bourgondië. Er zou zich in de kist nog een apart loden doosje bevinden, dat het hart van haar zoon Filips de Schone bevat en naar middeleeuwse gewoonte achteraf werd bijgezet.

In 1979 heeft men de stoffelijke resten blootgelegd voor pathologisch onderzoek. Men heeft toen onomstotelijk kunnen aantonen dat het wel degelijk om de resten van Maria van Bourgondië gaat.
Er werden destijds röntgenfoto’s genomen, zowel van het skelet als van het koperen ligbeeld op de sarcofaag. Toen men achteraf de foto’s van de schedel van Maria en die van het hoofd van het ligbeeld over elkaar legde, kon men zien dat beide foto’s verbluffend perfect in elkaar pasten. Het gelaat van het beeld op de sarcofaag werd vervaardigd aan de hand van haar dodenmasker. Men kan er dus vanuit gaan dat het koperen beeld een vrij natuurgetrouwe weergave is van hoe Maria van Bourgondië er werkelijk uitzag.

Enkele meters naast haar praalgraf stond nog een tweede praalgraf. Dat van haar vader, Karel de Stoute.

(wordt vervolgd)

In de ban van de hertogin / 7

Het praalgraf

We liepen langs een rij biechtstoelen, versierd met prachtig middeleeuws houtsnijwerk, naar het hoogkoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge. Om daartoe doorgang te krijgen hadden we een toegangsticketje voor de luttele prijs van vier euro moeten betalen, maar dat was het meer dan waard.

Want het Bourgondische hoogkoor was magnifiek.

Naast het orgel, boven de koorbanken prijkten dertig wapenschilden van de Ridders van het Gulden Vlies. Een orde die werd gesticht door Filips de Goede, de grootvader van Maria van Bourgondië.

En daar lag ze dan : de hertogin van Bourgondië.

Het praalgraf van Maria van Bourgondië, dat werd voltooid ca. 1491, bestaat uit een in koper gegoten ligbeeld, een “gisant” zoals men dat in vaktermen noemt, bovenop een sarcofaag. Het ligbeeld werd vooraf uit hout gesneden door meester-beeldsnijder Jan Borreman. Wat Jan Van Eyck in die tijd betekende voor de schilderkunst, was Jan Borreman voor de houtsnijkunst. Exact naar het houten beeld werd daarna het beeld in koper gegoten door edelsmid en “geelgieter” Reinier Jansz van Thienen, eveneens een grootmeester in zijn vak.

De figuur en het gelaat van de zacht rustende hertogin is ragfijn weergegeven, het gekroonde hoofd liggend op een kussen, de handen in gebedshouding boven de borst. Haar lichaam is gehuld in een majestueus gewaad. Aan haar voeten waken twee dashonden.

Het beeld rust op een massieve sarcofaag van blauwe vuursteen, in gotische stijl ontworpen. De twee lange zijden van de sarcofaag zijn verfraaid met in koper uitgewerkte banderollen en wapenschilden die door engelen worden omsloten.
De korte zijden is onder meer haar titulatuur te lezen (Maria van Bourgondië stond aan het hoofd van minsten veertien hertogdommen en graafschappen). Op de vier hoeken staan de vier evangelisten.

Dit is een praalgraaf, maar de stoffelijke resten zelf van Maria van Bourgondië zijn hier ook daadwerkelijk aanwezig. Ze liggen in een grafkelder onder de sarcofaag.
Ook daar konden wij een glimp van opvangen.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo uitgegeven door De Bezige Bij
Openbaar kunstbezit Vlaanderen

In de ban van de hertogin / 6

De Madonna

Veertien dagen lang heeft Maria van Bourgondië op haar bed gelegen in het Prinsenhof van Brugge, doodziek en naar adem snakkend, terwijl ze ondraaglijke pijn doorstond. Niemand wist wat er aan de hand was.
In 1979 bracht een pathologisch onderzoek aan het licht dat ze, bij de val van haar paard, haar beide polsen en drie ribben had gebroken. Waarschijnlijk had één van die gebroken ribben haar longen geperforeerd en een dodelijke longinfectie veroorzaakt.
In 1482 kon men alleen maar machteloos toekijken. Ten einde raad ging in Brugge een processie uit met de relikwie van het Heilig Bloed. Na de processie werd de relikwie naast het bed van de lijdende hertogin geplaatst. Het bracht geen soelaas. Maria voelde haar laatste krachten wegvloeien. Ze nam afscheid van haar man Maximiliaan van Oostenrijk en riep haar drie kinderen, Filips, Margaretha en Francis, bij zich voor een laatste knuffel. Op 27 maart 1482 sloot ze voorgoed de ogen. Ze werd amper vijventwintig jaar oud.
Haar lichaam werd gebalsemd en op een praalbed gelegd. Gedurende drie dagen schoven mensen van heinde en ver aan om haar een laatste groet te brengen. Onder het luiden van alle Brugse klokken werd ze ten grave gedragen naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge, waar ze nu nog altijd rust.

Wij waren naar binnen gegaan in de Onze-Lieve-vrouwekerk van Brugge, waar het koel, stil en rustig was. Er waren in deze corona-tijden niet zoveel toeristen als anders. We liepen door het middenschip met het doksaal en bewonderden onder meer de prachtige biechtstoel uit de 18 de eeuw.

In deze zijkapel, waar een indrukwekkende kruisweg was opgesteld, konden we helaas niet naar binnen. Het was afgesloten met een dik touw en ik kon enkel vanaf de ingang een foto maken.

Maar ook in het middenschip van de kerk viel heel wat middeleeuwse kunst te bewonderen.

In de Noordelijke zijbeuk van de kerk merkten we enkele fresco’s op, die bij een restauratie van de kerk werden blootgelegd. Deze muurschilderingen zouden dateren uit de 14 de en 15 de eeuw.

Eén van de pronkstukken van deze kerk is ongetwijfeld het marmeren beeld “Madonna met kind” gebeeldhouwd door niemand minder dan Michelangelo.
Het beeld, dat centraal in het midden van een barok altaar staat, was oorspronkelijk bedoeld voor het altaar van de Dom van Sienna in Italië. Het werd echter in 1514 aangekocht door de Brugse koopman Jan Van Moeskroen en aan deze kerk geschonken. Voor zover bekend is dit het enige beeldhouwwerk van Michelangelo dat Italië verliet terwijl de kunstenaar nog leefde.

Maar wij waren niet naar hier gekomen voor de Madonna van Michelangelo. Wij wilden vooral het graf van Maria van Bourgondië bezoeken. En dat graf is niet zomaar een gewoon graf.

(wordt vervolgd)

In de ban van de hertogin / 5

In Brugge

Het was op een prachtige zomerdag dat wij in Brugge aankwamen. De zon scheen uitbundig aan de blauwe hemel en deed weinig moeite om zich te verstoppen achter enkele onschuldige wolken.

De dag ervoor waren wij in het bos van Wijnendale geweest, waar op 13 maart 1482 Maria van Bourgondië, samen met haar paard op ongelukkige wijze ten val kwam, waardoor het dier bovenop haar terecht kwam. Levensgevaarlijk gewond werd Maria in allerijl naar Brugge werd gebracht, naar haar residentie in het Brugse Prinsenhof (niet te verwarren met het Prinsenhof van Gent).
Zo zag het Prinsenhof van Brugge er toen uit.

Het Prinsenhof in Brugge in de 15e eeuw. Afbeelding uit de Flandria Illustrata van Antonius Sanderius (1641)

Het was op een kille winterdag dat Maria van Bourgondië, lijkbleek en kermend van de pijn, op een draagbed dat tussen twee paarden was gespannen, het Prinsenhof werd binnengebracht. Ze werd door haar paniekerig entourage onmiddellijk naar haar privé-vertrekken gedragen en in bed gelegd. Een geneesheer werd erbij geroepen, maar die kon met zijn gebrekkige kennis en middelen alleen maar vaststellen dat Maria onnoemelijk veel pijn had.
Nonnetjes uit een naburig klooster en een deel van haar hofhouding verzamelden zich rond haar bed en begonnen te bidden voor haar heil en genezing.

Wij gingen niet naar het Prinsenhof omdat het Prinsenhof in Brugge niet meer bestaat. Op de plaats waar ooit het Prinsenhof stond staat nu een viersterrenhotel Dukes’ Palace, dat verder niets meer met Maria van Bourgondië te maken heeft.
In de zomer van 2019 maakt ik met m’n vrouw een avondlijke wandeling in Brugge en ik heb toen toevallig een foto van het hotel gemaakt.

Maar die dag wandelden wij in de richting van het Gruuthusemuseum en het Arentshuis. Op het pleintje achter het Gruuthusemuseum hoeft men, net zoals op veel plaatsen in Brugge, geen moeite te doen om zich in de middeleeuwen te wanen.

We gingen ook een kijkje nemen op het brugje aan Oud Sint-Jan, het middeleeuws hospitaal. Het kleine gebouwtje met het kapje, in de hoek, was het lijkenhuisje. Hier werden in de middeleeuwen de lijken met een bootje afgehaald en naar de begraafplaats gebracht.
Tegenwoordig doet hospitaal Oud Sint-Jan dienst als congrescentrum.

Naast het Gruuthusemuseum staat de enorme toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Met z’n 115 meter is het het de op één na hoogste bakstenen toren ter wereld. De Onze-Lieve-Vrouwekerk was onze feitelijke bestemming van die dag. Want in deze kerk is Maria van Bourgondië nog steeds aanwezig.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij
Wikipedia
Illustraties : Wikimedia Commons (publiek domein)

In de ban van de hertogin / 4

De boskapel

Wij bevonden ons in het bos van Wijnendale, net zoals Maria van Bourgondië en haar gevolg deden op die bewuste 13e maart 1482. Wij waren niet op jacht en reden ook niet te paard, zoals zij, maar stapten gewoon te voet door de lange dreven tussen stoere, oude zomereiken. De wandelpaden die het bos doorkruisen waren breed en geasfalteerd, maar het ruiterpad dat Maria destijds volgde lag er wellicht lang niet zo geëffend bij.

We wandelden een eind het bos in en na een hele tijd, toen we weer dichter in de buurt van het kasteel waren, kwamen we voorbij een begroeide heuvel, waaronder zich een ijskelder bevond. Een uitgesleten trap leidde naar de toegang tot de ijskelder.
Ik kreeg het ongelukkig idee om de trap te beklauteren. Dat had ik beter niet gedaan. De treden van de trap lagen wel een halve meter uit elkaar, waren glibberig en helden af naar beneden. Bovendien was de trap aan beide zijden afgebakend met prikkeldraad. Je kon je dus nergens aan vasthouden.
Mijn acrobatische talenten zijn bovendien niet meer wat ze geweest zijn. De trap bestijgen ging nog net, maar de trap afdalen bleek een hachelijke onderneming en even vreesde ik dat ik het nooit zou halen, maar het lukte me toch om zonder kleerscheuren terug beneden te komen.

Een beetje van ons melk gebracht vervolgden we onze tocht. Nauwelijks honderd meter verderop zagen we plots het kapelletje staan.
Vaak wordt dit boskapelletje aangeduid als de plaats waar Maria van Bourgondië van haar paard is gevallen en er wordt soms beweerd dat dit kapelletje ter hare gedachtenis hier is gebouwd. Maar dat klopt niet helemaal. Toen Maria van Bourgondië in dit bos op jacht was stond hier reeds een kapelletje, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Aan het kapelletje zijn talrijke volkslegendes verbonden.

De huidige kapel dateert van omstreeks 1770 en is als beschermd monument nog steeds een bedevaartsoord.

Volgens kroniekschrijvers uit de Bourgondische tijd, was het wel vlakbij het boskapelletje dat Maria van Bourgondië ongelukkig ten val kwam.

Tijdens de jacht zag Maria plots een reiger aan de overkant van een sloot, nabij de boskapel. Ze gaf haar paard de sporen en maande het aan om over de sloot te springen. Normaal vormde dat voor een ervaren amazone, zoals Maria, geen enkel probleem. Maar bij het neerkomen struikelde het paard over een boomstronk die uit de bevroren grond stak. Het paard gleed uit en viel. Ongelukkigerwijs kwam het dier bovenop haar terecht, met zijn volle gewicht op haar rechterzijde.
Haar man Maximiliaan en haar hele gevolg kwamen op haar toegeschoten, maar Maria was ondertussen weer overeind gekrabbeld. Ze klaagde niet en was schijnbaar ongedeerd. Zij liet zich weer in het zadel lichten en het gezelschap reed terug naar het kasteel. Maar toen Maria daar van haar paard stapte zeeg ze in elkaar. Iedereen was danig geschrokken en begreep meteen dat de toestand ernstig was. Maria werd, lijkbleek en kreunend van de pijn, op een draagbaar tussen twee paarden gelegd en in allerijl teruggebracht naar het Prinsenhof in Brugge, waar zij en Maximiliaan op dat ogenblik resideerden.

Wij konden hier in Wijnendale verder niet veel meer aanvangen. We wandelden terug naar de parking bij het kasteel, waar de auto stond en we lieten het kasteel van Wijnendale achter ons. We zouden de volgende dag naar Brugge rijden, de hertogin achterna.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij
Brugseommeland.be
Illustraties : Wikimedia Commons (publiek domein)

In de ban van de hertogin / 3

Rondom het kasteel

Maria van Bourgondië en haar man Maximiliaan van Oostenrijk stonden vertrekkensklaar voor het kasteel van Wijnendale, samen met hun gastheer Adolf van Kleef-Ravenstein en met een resem andere edellieden, waaronder Engelbert van Nassau en Lodewijk van Gruuthuse. Ze waren met z’n allen op het kasteel uitgenodigd voor een jachtbanket dat door de jacht zelf werd voorafgegaan.
Ze gaven hun paarden de sporen en reden in een boog omheen het kasteel, het bos van Wijnendale tegemoet. De jacht kon beginnen.

Ook wij stonden klaar voor het kasteel van Wijnendale om hun sporen te volgen. Vooraleer wij vertrokken raadpleegden we eerst nog even een plattegrond van het kasteeldomein. Weliswaar een plattegrond uit de Flandria illustrata, het encyclopedisch boek van Antonius Sanderius, uit 1641, toen het domein er nog ongeveer hetzelfde uitzag als toen Maria van Bourgondië hier 150 jaar eerder was.
Maar sindsdien is hier toch wel een en ander veranderd.

Onder een lange rij bomen volgden wij het kaarsrecht wandelpad dat evenwijdig met het kasteeldomein is aangelegd. De akkers en velden om ons heen waren in de tijd van Maria van Bourgondië allemaal eigendom van de kasteelheer.

Hier en daar zagen we tussen de bomen en het struikgewas, resten van de vroegere omwalling omheen het kasteeldomein.

De akkers naast het wandelpad strekten zich uit, zover het oog kon reiken.

Het zitbankje naast de wandelweg dateerde volgens mij niet uit de Bourgondische tijd, maar eerder uit de tijd van de Flinstones. 🙂

We kwamen bij de restanten van een oude inrijpoort aan de achterkant van het kasteel, dat nu met een ijzeren hek is afgesloten.

Hier konden ook nog resten zien van een stuk omwallingsmuur langs een diepe gracht, die helemaal droog stond. In de verte, tussen de bomen zagen we het kasteel staan.

We naderden nu het bos van Wijnendale.

Dat deden ook Maria van Bourgondië en haar gezelschap. Maria was een ervaren ruiter. Als kind leerde ze reeds paardrijden en ze had al vaak aan jachtpartijen deelgenomen. Ze droeg op haar hand steevast een valk die voor haar op verkenning vloog tijdens de jacht.
Volgens kroniekschrijvers had Maria er zin in die dag. Ze had het onbesuisde enthousiasme geërfd van haar vader. Ze reed zelfs voorop, het Wijnendalebos in.
Het zou haar laatste jachtpartij worden.

Maria van Bourgondië tijdens de jacht. Afbeelding uit de “Exellente Cronyke van Vlaenderen” (15de eeuw) / Gruuthuse museum Brugge

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo uitgegeven door De Bezige Bij
Historiek.net
Illustraties :

Wikimedia Commons (publiek domein)
Flandria Illustrata (UGent)
(publiek domein)

In de ban van de hertogin / 2

Het kasteel van Wijnendale

Wij stonden voor het kasteel van Wijnendale in de gemeente Torhout.
Het kasteel was oorspronkelijk een achthoekige waterburcht dat Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, in 1278 liet bouwen aan de rand van het Wijnendalebos. Het kasteel speelde onder meer een belangrijke rol in 1302, tijdens de Guldensporenslag, toen dit kasteel door de Fransen was bezet en moest heroverd worden.

Intussen werd het kasteel reeds herhaalde malen verbouwd. Het rechtse deel van het kasteel in lichtgeel gesteente, is het oudste gedeelte van het kasteel en dateert nog uit de 15de eeuw.

We liepen over de ophaalbrug, door de deur van een massief houten poort naar binnen.

Aan de muren van het mooie poortgebouw prijkten de wapenschilden, waarschijnlijk van de kasteelheren die met dit kasteel een verbintenis hadden. Aan het einde wachtten enkele vervaarlijke uitziende leeuwenkoppen ons op.

Het poortgebouw was aan de overkant afgesloten door een modern ogende dubbele deur die potdicht zat maar wel uitzicht bood op het binnenplein.

Aan de overkant van het binnenplein zagen wij het andere gedeelte van het kasteel dat nog steeds bewoond wordt door de familie Matthieu de Wijnendale.

In 1482 was Adolf van Kleef-Ravenstein eigenaar van het kasteel en hij had, aan het einde van een barre winter, de hertogin en haar gemaal Maximiliaan van Oostenrijk uitgenodigd voor een banket. Maximiliaan was net terug van een missie uit Saint-Omer en was blij dat hij de hertogin bij deze gelegenheid kon vergezellen.
Zoals het toen de gewoonte was, maakte het gezelschap zich meteen na de ontvangst klaar voor de jacht, om dan ’s avonds in het kasteel van een groot jachtfeest te kunnen genieten. Maria van Bourgondië en haar man zouden allebei persoonlijk deelnemen aan de jachtpartij in het bos van Wijnendale. Dat het noodlot de hertogin in dat bos zou opwachten, konden ze toen nog niet weten.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen:
De Bourgondiërs door Bart Van Loo uitgegeven door De Bezige Bij
Westtoer.be
Illustratie : Wikipedia (publiek domein)

In de ban van de hertogin / 1

De vorstin der Nederlanden

Door mijn goede vriend Manu, die als historicus reeds vele jaren gepassioneerd is door de middeleeuwen, ben ik evenzeer aangestoken met het enthousiasme voor deze periode uit de geschiedenis. De laatste maanden heb ik mij een beetje verdiept in de tijd van de Bourgondische hertogen, waarover Bart Van Loo vorig jaar zo’n fantastisch boek heeft gepubliceerd.
Tussen alle opmerkelijke figuren die in de Bourgondische tijd onze streken bevolkten, is er iemand die mij bijzonder intrigeert : Maria van Bourgondië.

Maria van Bourgondië regeerde in de tweede helft van de 15e eeuw als hertogin over het Bourgondische rijk en probeerde dat te doen met veel overleg, in tegenstelling tot haar vader Karel de Stoute, die een brutale en onbezonnen heerser was. Ze werd alom geprezen om haar schoonheid, gratie en intelligentie. Men noemde haar de vorstin der Nederlanden.
Maar haar bewind kan nauwelijks op haar conto worden geschreven. Staatszaken waren in die tijd geen vrouwenaangelegenheden. Elke belangrijke beslissing werd door haar man Maximiliaan van Oostenrijk genomen. Tijdens haar veel te korte leven heeft ze niettemin geprobeerd om rust en vrede te brengen in haar rijk.

We hebben deze zomer in Vlaanderen enkele plaatsen bezocht die nog herinneren aan Maria van Bourgondië of een link hebben met haar levensverhaal. Eigenlijk zijn we daar nog steeds mee bezig. We begonnen bij het einde en gingen eerst een kijkje nemen op de plaats waar Maria dat fatale ongeval heeft gehad.
Daarvoor moesten we naar het bos van Wijnendale, in het hartje van West-Vlaanderen. Het bos ligt op het grondgebied van de gemeente Torhout. Aan de rand ervan staat het kasteel van Wijnendale.
We konden er echter niet zomaar naar binnen. Het kasteeldomein, dat nog steeds wordt bewoond, was hermetisch afgesloten door een smeedijzeren hek.

Maar wij hadden gelukkig een bezoek aan het kasteel gereserveerd. De ingang bleek wat verderop te zijn. We moesten ons aanmelden aan de balie die was ondergebracht in een bijhuis van het kasteel.

Eenmaal we waren ingecheckt konden we aan de andere kant van het smeedijzeren hek door een kleiner hekje dat ons toegang verschafte tot de dreef en de oprijlaan naar het kasteel.

Algauw zagen we het kasteel tussen de bomen opdoemen.

Het liep tegen het einde van een zeer strenge winter aan toen Maria van Bourgondië in maart 1482 in Wijnendale arriveerde, samen met haar man Maximiliaan I van Oostenrijk en hun gevolg. Ze waren hier uitgenodigd voor een banket door Adolf van Kleef-Ravenstein, edelman en stadhouder-generaal in dienst van de Bourgondische hertogen.
De dooi was pas ingezet en de hoeven van hun paarden kletterden op de nog half bevroren grond terwijl ze naar de ophaalbrug van het kasteel toe reden. Maria verheugde zich op het feit dat ze hier in Wijnendale enkele zorgeloze dagen zou kunnen doorbrengen.

Aan het einde van de dreef stond het kasteel daar majestueus te wezen.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij

historiek.net
Illustratie: Wikipedia (publiek domein)

Terug naar het verleden.

Morgen is het 1 september en is de zomervakantie alweer voorbij. Intussen heb ik mijn vrijwilligerswerk in het museum van Deinze hervat, daar waar ik ruim vijf maanden geleden gebleven was, toen alles plotseling werd stilgelegd omwille van het corona-virus.
Ik ben opnieuw in het fotoarchief van het museum gedoken. Er moeten nog heel wat foto’s worden gedigitaliseerd en geïnventariseerd.
Foto’s zoals deze hieronder, die genomen is in Deinze tijdens de Eerste Wereldoorlog. Achter het stadhuis, in de Kaaistraat, stonden de mensen aan te schuiven voor de soep- en melkbedeling. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar. Dat kon want er was toen geen corona. Maar er was wel veel honger en ellende.

Ook bij de Erfgoedcel is er een interessant project waar ik als vrijwilliger graag wil aan meewerken.
Er zijn op zolder, bij een overleden groottante van een mevrouw uit de Leiestreek, een aantal dozen gevonden met daarin talloze brieven. Brieven die geschreven zijn tussen 1913 en 1916 door de moeder van die groottante. Ze schreef naar haar liefje en naar haar familie. Ze werkte als dienstmeid bij een rijke Duitse familie. Toen de oorlog uitbrak moest die familie vluchten, eerst naar Parijs en later naar Duitsland. En zij moest met hen mee, omdat ze als dienstmeid zowat tot het meubilair van die familie behoorde.
Ze schrijft in haar brieven ook over de gruwelen van de oorlog. Het zijn getuigenissen uit eerste hand, op het moment dat het zich allemaal afspeelde, geschreven met potlood op broze velletjes papier.
Een schat aan erfgoedmateriaal dat allemaal moet worden gedigitaliseerd .

Voorts zijn mijn vriend Manu en ik deze zomer in de ban geraakt van een beeldschone vrouw. Wij zijn haar achterna gegaan. Geen sinecure voor twee verlegen jongens, zoals wij. Maar de dame is het waard, want ze is niet alleen mooi en knap, ze is ook rijk, intelligent, sympathiek en reeds 538 jaar dood. Maar dat laatste is slechts een detail. 🙂
Het komende najaar vertel ik er vast en zeker meer over op deze blog.

De kunst van het drukken / 2

Wat vooraf ging

Deel 2 / De bolleboos uit Mainz

Postuum portret van Johannes Gutenberg

Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg, zo heette hij voluit. Hij werd geboren omstreeks het jaar 1400 in Mainz en wordt algemeen beschouwd als de uitvinder van de drukkunst. Maar eigenlijk was hij een edelsmid, gespecialiseerd in fijne metaalbewerking. Hij maakte vooral metalen stempels voor het beslaan en versieren van de harnassen van de koene ridders uit die tijd.
Toen hij op een mooie dag in een drukkerij aanwezig was en de drukkers zag knoeien met hun houten letters, dacht ie waarschijnlijk bij zichzelf :”Dat moet beter kunnen”.


Eenmaal terug in zijn atelier begon Johannes Gutenberg stempels te maken uit staal. Ditmaal niet met de motieven die hij voor de harnassen gebruikte, maar met letters in spiegelschrift. De stalen letterstempels sloeg hij vervolgens diep in een koperen plaat. Zo verkreeg hij een matrijs in leesbaar schrift.
Nu kwam het er voor Gutenberg op aan om de juiste legering te vinden voor het metaal waarmee hij van zijn matrijzen afgietsels kon maken, die terug in spiegelschrift waren zodat men er een afdruk in leesbaar schrift kon van maken. Na lang experimenteren bleek een mengsel van hoofdzakelijk lood, aangelengd met tin, een legering te zijn dat net zacht genoeg was om na afkoeling gemakkelijk uit de gietvorm te kunnen halen en toch hard en duurzaam genoeg was om de druk van de pers te kunnen weerstaan.

Gutenberg had de loden drukletter gemaakt, die telkens kon worden hergebruikt. Van de matrijzen kon men bovendien zoveel afgietsels maken als men maar wou.
Maar daarmee was de klus nog niet geklaard. De loden letters moesten op een of andere manier mooi naast elkaar op een lijn komen te staan. Om dat te verwezenlijken knutselde Gutenberg in een metaal dat voornamelijk uit koper bestond, een zethaak ineen. Daarmee stelde hij z’n eerste “zetsel” samen van een volledige boekpagina. Voor de “witruimtes” tussenin gebruikte hij blokjes in dezelfde metaallegering, maar dan zonder de verhoogde letters.

Links : zethaak in koper / Rechts : afgewerkt zetsel in losse loden letters


En zo had Johannes Gutenberg een techniek op poten gezet die een ware revolutie in de druknijverheid ontketende. Vanaf nu kon het geschreven woord overal en in grote oplagen worden verspreid. In 1455 voltooide Gutenberg zijn Gutenbergbijbel, het eerste boek dat in grotere oplage werd gedrukt en nog steeds als een meesterwerk wordt aanzien. Er werden 180 exemplaren van de bijbel gedrukt op papier en 30 exemplaren op waardevoller perkament.
De Latijnse tekst werd, zoals de traditie toen vereiste, in twee kolommen geplaatst. Het lettertype dat Gutenberg ontwierp benaderde sterk het kalligrafische handschrift waarin de oude manuscripten werden geschreven.

De eerste bladzijde van de Gutenbergbijbel (met links een close-up). De initialen werden met de hand bijgewerkt.

Gutenberg beschouwen als de uitvinder van de drukkunst is teveel eer voor de man. Het concept werd reeds eeuwen ervoor door de Chinezen bedacht. Maar hij heeft het hele systeem geperfectioneerd en werkbaar gemaakt. De techniek van het “handzetten” van loden letters met behulp van een koperen zethaak, zou meer dan 500 jaar stand houden. Hier en daar werd er wel wat bijgeschaafd, maar gedurende al die tijd bleef de techniek in essentie onveranderd. Het was pas halverwege de 20 ste eeuw dat Gutenbergs uitvindingen aan de kant zouden worden geschoven, toen de typografie een verbond sloot met de fotografie.

Letters worden uit de letterkast gehaald en in een zethaak geplaatst

MEMORIES

In de zomer van 1977 deed ik een vakantiejob bij dagblad ‘Het Volk’, een Gentse krant die later door de krantengroep ‘Het Nieuwsblad’ werd overgenomen. Gewapend met m’n zethaak stond ik er achter de letterkasten van de zetterij, waar ik de advertentie-pagina’s voor mijn rekening mocht nemen. Het was de allereerste job in m’n leven.
Toen ik op de ochtend van 17 augustus 1977 in het atelier bij m’n desk kwam, lag er nog een redactie-nota van de avond te voren. De avondploeg had in allerijl een extra krantenkop moeten zetten, die de volgende morgen vooraan in de krant moest verschijnen.
Ik weet nog hoe de tekst luidde : “Elvis Presley overleden in zijn badkamer !”

Die zomer, tijdens de laatste dagen dat ik er werkte, begon men reeds de inboedel van de handzetterij af te breken, terwijl we nog aan het zetten waren. De hele afdeling werd opgedoekt en alle materiaal verhuisde tweedehands naar kleinere drukkerijen of kwam in musea terecht of verdween samen met Johannes Gutenberg in de annalen van de geschiedenis.
Het is zoals Luc De Vos ooit zong : “Sterren komen, sterren gaan, alleen Elvis blijft bestaan.”


Geraadpleegde bronnen :
Industriemuseum Gent
historiek.net

Afbeeldingen :
Industriemuseum Gent
Wikipedia (publiek domein)

De Lange Max. (4/4)

Van het terrein waar zich de geschutsbedding van de Lange Max bevond, keerden we langs dezelfde weg terug naar het centrale plein van de site. Het eerste gebouw, waar je langs komt op de site is een nieuw gebouwd huis, waarin zich een infostand bevindt en waar je tickets kan kopen.

Maar wat meteen opvalt is het “bakhuisje” dat ernaast staat. Dit bakhuisje, dat mooi gerestaureerd is, stond hier reeds toen de Duitse troepen zich hier hadden verzameld rond hun superkanon, en maakte ooit deel uit van een boerderijtje dat door de Duitsers in beslag was genomen. Een idyllisch huisje, dat midden de Vlaamse velden stond… tweehonderd meter verderop bulderde het kanon.

We wandelden even omheen het huisje. Aan de en zijkant bevond zich de deur van het kleinste kamertje, dat indertijd wellicht enkel door de hogere officieren mocht worden gebruikt.

Binnenin ziet de bakplaats, waar zich de oven bevindt, er nog steeds hetzelfde uit als toen. In deze oven hebben Duitse soldaten hun brood gebakken.

Achter de bakplaats was destijds een kleine koeienstal. De dieren in de stal konden in de winter mee profiteren van de warmte van de bakoven.
De koeienstal was nu omgebouwd tot een mini-bioscoopzaaltje. Daar speelde doorlopend een kort filmpje waarin in een notendop de historie van de Lange Max uiteen werd gezet.

Rechts van het bakhuisje stond een grote schuur. Slechts een deel ervan is nog origineel. Ernaast stond een sculptuur in knalrood metaal van Gerrit Germonpré, dezelfde kunstenaar van wie we daarvoor bij de geschutsbedding ook al werken hadden gezien.
In deze schuur bevond zich het eigenlijke museum.

Het museum is niet bijzonder groot, maar wel heel interessant. Het vertelt het verhaal over de Lange Max en belicht daarbij vooral de Duitse kant van de Eerste Wereldoorlog. Alles wordt geïllustreerd met prachtige uitvergrote foto’s en interactieve computerschermen. Er is eveneens een schaalmodel van de Lange Max nagebouwd.

Toen het Duitse leger in oktober 1918 op de vlucht moest slaan voor het Belgische en Franse eindoffensief, hebben ze nog zelf geprobeerd om het kanon te vernietigen, alvorens te vertrekken. Ze lieten de loop zakken en vuurden een granaat af op de metersdikke betonnen omwalling in de hoop dat het kanon hierdoor zou imploderen. Maar de granaat sloeg enkel een bres in het beton. Het kanon zelf bleef intact.
Na de oorlog werd het kanon een studieobject voor Franse, Britse en Amerikaanse artillerie specialisten. Tijdens het interbellum werd de Lange Max zelfs een toeristische bezienswaardigheid.
Maar in 1940 vielen de Duitsers opnieuw ons land binnen, namen het kanon in beslag en voerden het terug naar Duitsland om het aldaar te ontmantelen en te recycleren tot nieuw oorlogstuig.

Het was een boeiend bezoek aan deze Lange Max site. Een museum dat er kwam op initiatief van, en gerund wordt door enkele enthousiaste vrijwilligers, in samenwerking met archeologische kringen uit de streek en met het geld van enkele welgestelde sponsors.
Wij vonden dat het echt wel de moeite loont om voor dit museum naar het verre West-Vlaanderen te komen. Hoedje af voor wat de vrijwilligers hier voor mekaar hebben gekregen.

We dronken achteraf nog een koffie in de cafétaria. Doordat we ’s middags ons buikje hadden rond gegeten, hadden we nog geen trek in pannenkoeken of andere lekkernijen.
We verlieten de Lange Max site met een goed gevoel. Nu kwam het er alleen nog op aan om de juiste weg terug naar huis te vinden.