De gasten van Latem.

Héél lang geleden, toen de dieren nog spraken en er nog geen corona was, en ik als vrijwilliger in het museum van Deinze werkte, kon ik daar naar hartelust de mooiste kunstwerken rondom mij bewonderen, onder meer van kunstenaars die behoorden tot de befaamde Latemse School.
Met de “Latemse School” bedoelt men meerdere kunstenaarsgroepen die zich aan het begin van de 20e eeuw hadden verenigd aan de Leiebochten, ten zuiden van Gent.

Léon De Smet – Sint-Martens-Latem (1905)

De man die zich opwierp als een soort mecenas voor deze kunstenaars was Albijn (Binus) Van den Abeele (°1835 – +1918).
Van den Abeelde was naast schrijver zelf amateur-kunstschilder, maar ook gemeentesecretaris en burgemeester van de gemeente Sint-Martens-Latem. In zijn huis in het centrum van het dorp nodigde hij op geregelde tijdstippen kunstenaars uit, om er samen met hen van gedachten te wisselen over kunst.
Van den Abeele was niet alleen hun gastheer, hij verdedigde ook hun belangen waar nodig was. Mede door hem groeide Sint-Martens-Latem uit tot de bakermat van de Leiekunst en werden de kunstenaarsgroep ook naar het dorp genoemd. Sindsdien is “Latem” een begrip geworden dat onlosmakelijk met kunst is verbonden.

Albijn Van den Abeele aan het werk in zijn atelier

In Sint-Martens-Latem is een bewegwijzerde wandeling genoemd naar Albijn Van den Abeele. Deze route brengt de wandelaar langs de mooiste en historische plekjes van het kunstenaarsdorp, maar ook langs de kronkels van de Oude Leie, waar kunstenaars vaak hun inspiratie vonden.

Wij deden deze wandeling, nu al ruim een maand geleden, op 28 februari. Daarover vertel ik volgende week meer.

In de ban van de hertogin / 13

Tumult
op de Vrijdagmarkt


Maria van Bourgondië groeide als jong meisje op in de grafelijke residentie “Hof ter Walle” in Gent.
Dat zij als gravin van Vlaanderen eveneens de titel van hertogin van Bourgondische droeg had ze te danken aan het feit dat haar betovergrootmoeder Margaretha van Male in 1369 met veel pracht en praal in Gent huwde met de jongste zoon van de toenmalige koning van Frankrijk, Filips de Stoute. Deze maakte van het Franse Bourgondië een onafhankelijk hertogdom, afgescheiden van Frankrijk.
Door het huwelijk werd Margaretha van Male de stammoeder van de nieuwe Bourgondisch-Nederlandse hertogelijke dynastie. Vanaf dan behoorden de lage landen tot het Bourgondische rijk.

Margaretha van Male

Het was graaf Lodewijk van Male die in de 14de eeuw het “Hof ter Walle” in Gent liet ombouwen tot grafelijke woonst, omdat het Gravensteen als militaire burcht niet langer meer geschikt was als woonst.
Het “Hof ter Walle” werd omgedoopt tot “Prinsenhof”.
Van het Gentse Prinsenhof rest nu alleen nog de poort van één van de bijgebouwen.


Het verdwenen Prinsenhof in Gent

Honderd en acht jaar nadat haar betovergrootmoeder met de zoon van de Franse koning was gehuwd, kreeg Maria van Bourgondië in het Gentse Prinsenhof, waar ze samen met haar stiefmoeder Margaretha van York woonde, het nieuws te horen dat het gruwelijk verminkte lijk van haar vader was teruggevonden op het slagveld. Voor het morrend volk van die tijd was dat een opluchting. Eindelijk waren ze verlost van de tirannieke Bourgondische heerser. Maar voor Maria, toen amper twintig jaar oud, was het een vreselijke tijding. Als enig kind van Karel de Stoute erfde zij het Bourgondische rijk en alle problemen die daarmee gepaard gingen.

Lodewijk XI

Slecht nieuws komt nooit alleen. Zo bereikte haar ook het bericht dat de legers van de Franse koning Lodewijk XI het hertogdom waren binnengevallen. Meer nog, de steden zoals Gent en Brugge kwamen in opstand en eisten meer autonomie. Lodewijk XI deed er alles aan om onenigheid te zaaien in het Bourgondische rijk om op die manier gemakkelijk het hertogdom terug te kunnen inpalmen.

Twee raadgevers en vertrouwelingen van het Bourgondisch hof, Hugonet en Humbercourt, moesten boeten voor het harde beleid van Maria’s vader. Ze werden op witte donderdag van het jaar 1477 onthoofd op de Gentse Vrijdagmarkt. Het schavot stond ongeveer waar nu het standbeeld van Jacob van Artevelde staat.

De Gentse Vrijdagmarkt

In een wanhoopspoging om de gemoederen te bedaren, trachtte Maria van Bourgondië de executie te verijdelen door op het balkon van het Tooghuis oftewel het Toreken in Gent (dat er toen enigszins anders uitzag dan nu) te klauteren en terwijl de beul al klaar stond van daaruit te smeken om het leven van de beide heren te sparen. Maar ze kon nauwelijks haar stem verheffen boven het gejoel en de woedende kreten van de opstandige Gentenaren. Haar smeekbeden waren tevergeefs. De beul deed beide koppen rollen. Het zag ernaar uit dat het einde van het Bourgondisch rijk in zicht was.

Het Toreken aan de Vrijdagmarkt in Gent

Uiteindelijk slaagde Maria van Bourgondië erin om het op een akkoord te gooien met de Staten-generaal van de lage landen die haar militaire steun beloofden. Maar het was vooral haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk op 19 augustus 1477, die redding bracht. Hij was tenslotte de zoon van de keizer van het heilig Roomse rijk. Met deze machtige man aan haar zijde waren de snode plannen van de Franse koning gedwarsboomd en zag de toekomst van het Bourgondisch rijk er opnieuw rooskleurig uit.


De strubbelingen met Frankrijk zouden echter nog lang aanhouden en waren in feite onderdeel van de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland, waarbij de Bourgondiërs de kant van de Engelsen hadden gekozen. Het was de kleinzoon van Maria van Bourgondië die er uiteindelijk korte metten zou mee maken, een rijk zou stichtten dat zelfs groter was dan het oude Romeinse rijk en zichzelf Keizer Karel zou laten noemen.
Maar dat is weer een andere geschiedenis.

Het was gelukkig niet allemaal kommer en kwel in het leven van Maria van Bourgondië. Zo waren er de blijde intredes die ze, na het huwelijk, samen met haar kersverse echtgenoot deed in verschillende steden in de lage landen.
Daarover vertel ik meer in een volgende reeks over de hertogin. Dan maken we ook kennis met Jan van Dadizele, een machtig man in Vlaanderen en een vertrouweling van de hertog Maximiliaan en hertogin Maria van Bourgondië. We gingen hem opzoeken in Dadizele.

(wordt later vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

In de ban van de hertogin / 12

De Gravenkapel


Maria van Bourgondië was de 29 ste in een lange rij graven en gravinnen van Vlaanderen, die er zijn geweest tussen het jaar 840 en het jaar 1830.
De eeuwig durende rivaliteit van het Bourgondisch hof met het Franse koningshuis beheerste ook haar regeerperiode. En daarnaast bezorgden opstandige steden zoals Brugge en Gent haar kopzorgen. Ze bevond zich vaak tussen twee vuren en hoewel ze niet oorlogsgezind was, kon ze niet beletten dat ook haar eigen echtgenoot meestal ver weg was van huis om ergens op een slagveld de talrijke vijanden te verslaan.

De “Gravenkapel” in Kortrijk is uniek in zijn soort omdat de muren van deze kapel niet gedecoreerd zijn met religieuze figuren, maar met 51 nissen, waarin alle graven van Vlaanderen uit de geschiedenis zijn afgebeeld.
Tussen alle stoere krijgsheren en edellieden, heeft ook Maria van Bourgondië, aan de zijde van haar gemaal, er een plaats gekregen.


We keken ietwat verbaasd om ons heen toen wij de Gravenkapel in Kortrijk betraden. Op de muren van de kapel ware rondom smalle nissen aangebracht , waarin telkens een afbeelding van een graaf van Vlaanderen was geschilderd, al dan niet vergezeld van zijn eega, te beginnen bij Boudewijn met de ijzeren arm (die in het jaar 840 de allereerste graaf van Vlaanderen werd).

Geen afbeeldingen van religieuze figuren in deze kapel, maar wel van wereldse leiders. De eerste portretten werden vervaardigd omstreeks 1374 in opdracht van Lodewijk van Male door ene Jan van der Asselt. Vanaf 1407 werd het werk verder gezet door Melchior Broederlam.
Later in de geschiedenis kwamen er steeds nissen bij.

We schreden eerbiedig door deze grafelijke kapel tot bij het prachtige altaar.

We waren volledig omringd door stoere krijgsheren en hier en daar ook een edele jonkvrouw.

Tussen de hele reeks ontwaarde ik ook de Bourgondische hertogen en algauw viel mijn oog op het paneel met Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk.

Wat ons eveneens opviel in deze kapel waren de “zwikken” boven de spitsbogen. In de architectuur wordt het hoekstuk tussen een cirkel en een rechthoekige omlijsting een “zwik” genoemd. In deze kapel zijn er 102 van deze zwikken. Ze bevatten telkens gebeeldhouwde scènes in reliëf die zowel religieuze als wereldse taferelen uitbeelden. De zwikken dateren uit 1371-1372 en is de oudste beeldenreeks uit de lage landen. Ze vormen een uniek patrimonium waarover door de Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk een grondige studie werd uitgebracht.

In het jaar 1370 liet Lodewijk van Male, de toenmalige graaf van Vlaanderen, de Gravenkapel bouwen, tegenaan de bestaande kerk. Hij droeg de kapel op aan de heilige Catharina, die op zijn geboortedatum haar naamdag had. Van de kapel wou hij zijn persoonlijk mausoleum maken. Maar zover is het nooit gekomen.
In 1382, na de verwoestende slag bij Westrozebeke, werd de Gravenkapel door de Fransen geplunderd.
Vanaf 1410 werd alles weer in ere hersteld, maar toen was Lodewijk van Male al dood. Hij kwam om bij een steekgevecht in 1384 en werd uiteindelijk in Rijsel begraven.

Bij de ingang van de kapel staat een beeld in albast van de heilige Catharina. Het beeld dateert van 1374. De heilige Catharina heeft in haar linkerhand een rad en in haar rechterhand een zwaard. Deze attributen verwijzen naar haar marteldood.

Maar, zo vroeg ik me af, hoe waren de graven van Vlaanderen verzeild geraakt tussen de Bourgondische Hertogen ? Dat had volgens mijn vriend en historicus niet zozeer iets te maken met Lodewijk van Male, maar wel met zijn dochter Margaretha van Male.
Om dat uitgelegd te krijgen moeten we eerst een ommetje maken langs Gent. Dat doen we in de volgende (voorlopig laatste) aflevering van deze reeks.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

In de ban van de hertogin / 11

Het grafelijk domein


Maria van Bourgondië droeg naast de titel van hertogin van Bourgondië ook nog 14 andere titels. Zo was zij eveneens gravin van Vlaanderen. Het graafschap Vlaanderen was immers ingelijfd bij het Bourgondische rijk.
Maria van Bourgondië was zelf opgegroeid in Gent en droeg daardoor het graafschap Vlaanderen in haar hart.
Het was overigens een woelige tijd waarin Maria van Bourgondië leefde. De lage landen waren verwikkeld in een politiek kluwen. Oorlogen en opstanden waren schering en inslag. Maria van Bourgondië was als hertogin enerzijds erg geliefd, maar had anderzijds ook vele vijanden.
Haar leven was helaas te kort om het tij te kunnen keren.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk is historisch omdat men na de slag in 1302 op het Kortrijkse Groeningenveld, de buitgemaakte “gulden sporen” van de ridders van het Franse leger, hier in deze kerk aan het plafond heeft opgehangen.
Na de slag bij Westrozebeke, tachtig jaar later, die desastreus afliep voor de Vlaamse ridders, werd de kerk geplunderd door de Fransen en verdwenen de “gulden sporen” spoorloos.
Maar wat nog steeds bijzonder is aan de kerk is de aangebouwde Gravenkapel, waar de hele middeleeuwse geschiedenis van Vlaanderen samenkomt.


De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk met rechts de Gravenkapel

In onze zoektocht naar sporen die verwijzen naar het leven van Maria van Bourgondië, reden wij vorig jaar naar Kortrijk. Nadat we er een bezoek hadden gebracht aan het begijnhof, wandelden we over de brug bij de Broeltorens, tot aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Deze kerk lag in de middeleeuwen binnen het omwalde grafelijk domein van Kortrijk.

De kerk heeft meerdere historische achtergronden. Zo is dichter Guido Gezelle van 1872 tot 1889 hier onderpastoor geweest.

Het huidig uitzicht en interieur van de kerk dateert van na de restauraties die pas in 1961 werden gestart, nadat de kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar was beschadigd.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk is zeker een bezoekje waard, maar het was vooral de “Gravenkapel” die ernaast lag, waar onze interesse die dag naar uitging. Wij hoopten daar een beter inzicht te krijgen in de manier waarop het graafschap Vlaanderen destijds vervlocht was geraakt met het hertogdom van Bourgondië.
Een lange gang leidde ons erheen.

Van zodra we de Gravenkapel betraden, waren we meteen onder de indruk van het merkwaardig interieur. Deze kapel ademt letterlijk geschiedenis.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

In de ban van de hertogin / 10

Tegenpolen


De middeleeuwse geschiedenis van de lage landen is een materie die me blijft boeien en daarom verdiep ik me graag nog een keer in het levensverhaal van Maria van Bourgondië, de hertogin die van 1477 tot 1482 aan het hoofd stond van het Bourgondische rijk, dat zich uitstrekte van Friesland tot aan de Franse grens met Zwitserland. Het was weliswaar hoofdzakelijk haar man die de staatszaken regelde, maar niettemin wist Maria van Bourgondië tijdens haar korte regeerperiode haar stempel te drukken op de samenleving van haar tijd.

Maria van Bourgondië was gehuwd met Maximiliaan van Oostenrijk. De man mocht zich gelukkig prijzen omdat hij zo’n knappe vrouw aan de haak had weten te slaan, want zelf was hij, met zijn vooruitstekende kin en haviksneus, moeders mooiste niet.


Het was een gearrangeerd huwelijk, zoals dat heet. Maria van Bourgondië was de dochter van Karel de Stoute en Isabella van Bourbon en dus een rechtstreeks afstammelinge van de machtige hertogen van Bourgondië.

Maximiliaan I van zijn kant, was een telg uit het huis Habsburg, zoon van Frederik III, keizer van het Heilig Roomse Rijk en in die hoedanigheid was hij ook aartshertog van Oostenrijk.

Beiden hadden dus een totaal verschillende achtergrond en spraken ook een andere taal. Maximilaan sprak het middeleeuwse Duits en Frans. Maria daarentegen sprak het “Diets”, een middeleeuwse vorm van het Nederlands. Bovendien zouden ze ook erg hebben verschild van karakter. Maximiliaan wordt eerder omschreven als een strenge man, een ietwat stijve hark, terwijl Maria door de geschiedschrijvers wordt bestempeld als een vrolijke, onbesuisde jonge vrouw, zelfs een beetje een ondeugend wicht, die de protocolregels wel eens aan haar laars durfde lappen.

Kroniekschrijvers uit die tijd beschrijven meerdere anekdotes waarin ze het contrast tussen het hertogelijk echtpaar in de verf zetten.
Zo wandelde het koppel op een keer, in de winter van 1481-1482, langs de dichtgevroren wateren in Brugge. Er bevonden zich nogal wat schaatsers op het ijs. Maria kon de verleiding niet weerstaan, liet een paar schaatsen aanrukken en begaf zich tussen het volk op het ijs. Aangemoedigd door de juichende omstaanders gleed ze algauw sierlijke over het Minnewater. Ze riep haar echtgenoot toe en maande hem aan om haar voorbeeld te volgen. Na lang aarzelen begaf ook Maximiliaan zich klungelig op het ijs, maar slaagde er helaas niet in om zichzelf overeind te houden, tot groot jolijt van de toeschouwers.

Het bevroren Minnewater in Brugge (foto genomen in 2010)

Dergelijke fratsen waren ongehoord voor een edelvrouw uit die tijd. Maximiliaan had het niet onder de markt met z’n uitbundige eega. Maar niettegenstaande de vele verschillen, was er volgens de kroniekschrijvers toch sprake van “grote liefde”. Die twee hielden echt van elkaar en hadden hun liefde bezegeld met drie kinderen.

In een vorige reeks over Maria van Bourgondië bezochten wij het kasteel en het bos van Wijnendale, waar Maria ongelukkigerwijs van haar paard viel, waardoor ze twee weken later overleed in het Prinsenhof van Brugge. We bezochten ook de Onze-Lieve-vrouwekerk van Brugge en het prachtige praalgraf van de hertogin.
De voorbije maanden gingen we op zoek naar meer plaatsen in Vlaanderen waar sporen terug te vinden zijn die naar het leven van de jonge hertogin verwijzen. Een zoektocht waar we nog steeds mee bezig zijn.
We wilden vooreerst een beter inzicht krijgen in de connectie tussen de graven van Vlaanderen en de hertogen van Bourgondië. Om dat uit te zoeken trokken wij vorig jaar naar Kortrijk.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

De kunst van het drukken / 6

Wat vooraf ging

Deel 6 / De eerste uitgeversmagnaat

Christoffel Plantijn door Pieter Paul Rubbens

De pioniers die de drukkersstiel beoefenden deden dat op ambachtelijke wijze en hun oplagen bleven veeleer beperkt. Boeken waren in den beginne uitsluitend beschikbaar voor wetenschappers, religieuzen en humanisten.

Christoffel Plantijn zag dat anders. Hij heette eigenlijk Plantin, was van Franse afkomst, maar vestigde zich in 1549 in Antwerpen waar hij met zijn achtergrond als leerbewerker en boekbinder een drukkerij opende. Hij gaf zijn drukkerij de naam “De Gulden Passer” en ontwierp er een logo voor.

Het embleem van Plantijn met de “Gulden Passer’ en de bijhorende spreuk ‘Labore et constantia’ (werk en doorzettingsvermogen)


Plantijn was gehuwd met Jeanne Rivière, die hij had leren kennen in Normandië. Samen kregen ze zes dochters en een zoon. Eén dochter en één zoon stierven vroeg. Zijn andere vijf dochters leerde hij persoonlijk lezen en schrijven, zodat ze op jonge leeftijd reeds in de drukkerij konden meehelpen om de proefdrukken te lezen, zowel in het Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Italiaans en Aramees.

Het ging Plantijn voor de wind met z’n drukkerszaak, maar hij kreeg het aan de stok met het Spaanse bewind. Hij verhuisde prompt naar Leiden (Nederland), waar hij in 1576 een nieuwe drukkerij opende en algauw benoemd werd tot drukker van de universiteit van Leiden.

Gedenksteen in Leiden


Maar ondertussen slaagde hij erin om terug in de gratie te komen van de Spaanse koning Fillips II. In 1585 keerde hij terug naar Antwerpen, waar hij zich ontpopte tot een belangrijke drukker van (Spaanse) religieuze boeken. Maar hij bleef ook wetenschappelijke en humanistische werken drukken en verwierf eveneens faam als drukker van muziekpartituren.

Plantijn geloofde sterk in de maatschappelijke rol van boeken. Hij zag het groots en begon ook met het drukken van kaarten en atlassen en zelfs het vervaardigen van wereldbollen en maakte boeken met prenten voor de ongeletterden. Naast zijn drukkerijen in Antwerpen en Leiden, opende hij ook een drukkersatelier in Parijs en Frankfurt.

In Antwerpen stelde hij aan 16 persen meer dan 50 werknemers te werk, wat voor die tijd ongezien was. Het werk werd onderling geregeld via schriftelijke ordonnanties. Hierin stonden de verantwoordelijkheden van zowel het werkvolk als van de baas genoteerd. Wie zich niet aan de afspraken hield, betaalde een boete in geld of in bier.
Plantijn bood over heel Europa de meest diverse drukwerken aan, in meerdere talen en in een record aantal lettertypes. Hij deed zelfs aan een vorm van merchandising. Christoffel Plantijn was een “marketeer” die van het drukkersambacht een commerciële bedrijvigheid maakte.

Zijn vijf dochters huwelijkte hij uit en zijn vijf schoonzoons gaf hij allemaal een functie in één van zijn drukkerijen. Bij de familie Plantijn stond het belang van de zaak steeds voorop.
Het was uiteindelijk één van de schoonzoons, Jan Moretus die samen met dochter Martina Plantijn de zaak overnam, toen Christoffel Plantijn in 1589 stierf.

Jan Moretus en Martina Plantijn

Vier jaar geleden bezocht ik het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. In dit prachtig museum duik je als het ware de 16 de eeuw binnen en kom je in de wereld van Plantijn terecht. Zijn persen en letterkasten zijn er nog te bewonderen, alsook boekenkasten vol met schitterende boeken.


Geraadpleegde bronnen :
museumplantinmoretus.be
visitantwerpcity.com
medium.com
Wikipedia
Illustraties : Wikipedia (publiek domein)