Naar molens kijken. (1/2)

Samen met het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen organiseren de erfgoedsite Mola en het provinciaal erfgoedcentrum in Ename momenteel een expo over het aloude ambacht van de molenaar. Een ambacht dat door de UNESCO is erkend als immatereel erfgoed.

Op 11 juni gingen wij een kijkje nemen in het erfgoedcentrum van Enname, waar aan de hand van maquettes, beelden en verhalen de geschiedenis van de molen uit de doeken wordt gedaan.

Windmolens associeert men vooral met Nederland, waar men nog steeds de meeste en de mooiste molens aantreft. Iedereen denkt dan ook dat de windmolens uit Nederland vandaan komen, maar dat blijkt niet te kloppen.

In de Romeinse tijd kende men reeds de watermolen en tijdens de Han-dynastie (25-220 na Chr.) zouden er in China reeds windmolens hebben gestaan.
De oudste geschreven documenten die op het bestaan van een windmolen in onze contreien wijzen, komen uit Zuid-Engeland en Noord-West Frankrijk. De allereerste windmolen, zoals wij die kennen, zou rond het jaar 1180 in Normandië zijn gebouwd.
Maar wetenschappers hebben recent ontdekt dat reeds honderd jaar daarvoor, omstreeks 1040, windmolens werden gebouwd in het graafschap Vlaanderen.

In het middeleeuws feodaal tijdperk waren landeigenaars ook eigenaar van water en wind. In hun heerlijkheid werden molenaars gedwongen om, in ruil voor een stuiver, al het gemalen graan af te staan aan de kasteelheer. Zij die het waagden om voor eigen rekening te malen werden met harde hand gestraft.

Jan Brueghel de Oude (1607)

Het is niet bekend wie het mechanisme van de molen heeft uitgevonden, maar het moet een genie zijn geweest die zijn tijd ver vooruit was. De huidige motor in voertuigen is nog steeds gebaseerd op hetzelfde mechanisch principe als dat van de windmolen.

In de 14de eeuw begon men in Nederland aan een heuse inhaalbeweging. Vooral in de 15de en 16de eeuw werden volop windmolens gebouwd in Nederland. In hun vlakke land konden de molens immers heel wat wind opvangen.

De geschiedenis van de Nederlandse molen komt in deze tentoonstelling ook ruim aan bod. Dat er bij de bouw van een molen ook wiskundige kennis aan te pas komt bewijst het middeleeuws handboek, uitgegeven in Amsterdam, dat naast enkele miniatuurmolens (replica’s van ooit echt bestaande molens in Nederland) is opgesteld.

In het museum is eveneens een maquette te zien van een rosmolen, waarbij paarden werden aangespannen aan een lange, gebogen balk die verbonden was met een spoorwiel of tandrad die de molensteen aandreef.

Op de bovenverdieping van het museum loopt een tentoonstelling over molens in de kunst. Molens zijn voor landschapsschilders steeds een bron van inspiratie geweest.
Op die bovenverdieping gaan we volgende keer een kijkje nemen.

Een dorp in wit en blauw. (3/4)

De oorspronkelijke Parochiekerk Sint-Petrus-en-Paulus van Hansbeke dateerde van de 12e eeuw, maar werd in 1790 volledig herbouwd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de kerk echter grotendeels verwoest, waardoor ze, in de jaren twintig van vorige eeuw, voor een tweede keer moest worden heropgebouwd.

Op het kerkplein staat een schandpaal uit vroegere tijden. Ik heb niet kunnen achterhalen voor hoever dit een origineel exemplaar is.
Aan de oostkant is tegenaan de kerk een boogvormig gewelf gebouwd met daarin een grafmonument van de adelijke familie Borluut.

Het voormalig kerkhof is verdwenen en vervangen door een gekasseid plein, afgezoomd met een muur en met prachtige leilinden.

Ik ging binnen in de kerk ook eens een kijkje nemen. Een verrassend mooie kerk met witgekalkte muren en heel veel lichtinval.

Naast en achter de kerk bevind zich een grasperk met daarin nog meer van deze mooie leilinden, netjes in een rij opgesteld. Reeds in de 18e eeuw werden deze leilinden aangepland en zijn nu geklasseerd en beschermd als monument.

Achter de kerk zette ik mijn verkenningstocht door het dorp van Hansbeke verder, op zoek naar nog meer vensterluiken of deuren in wit en blauw.

Erg lang hoefde ik daar niet naar te zoeken.

(wordt vervolgd)

In de ban van de hertogin / 12

De Gravenkapel


Maria van Bourgondië was de 29 ste in een lange rij graven en gravinnen van Vlaanderen, die er zijn geweest tussen het jaar 840 en het jaar 1830.
De eeuwig durende rivaliteit van het Bourgondisch hof met het Franse koningshuis beheerste ook haar regeerperiode. En daarnaast bezorgden opstandige steden zoals Brugge en Gent haar kopzorgen. Ze bevond zich vaak tussen twee vuren en hoewel ze niet oorlogsgezind was, kon ze niet beletten dat ook haar eigen echtgenoot meestal ver weg was van huis om ergens op een slagveld de talrijke vijanden te verslaan.

De “Gravenkapel” in Kortrijk is uniek in zijn soort omdat de muren van deze kapel niet gedecoreerd zijn met religieuze figuren, maar met 51 nissen, waarin alle graven van Vlaanderen uit de geschiedenis zijn afgebeeld.
Tussen alle stoere krijgsheren en edellieden, heeft ook Maria van Bourgondië, aan de zijde van haar gemaal, er een plaats gekregen.


We keken ietwat verbaasd om ons heen toen wij de Gravenkapel in Kortrijk betraden. Op de muren van de kapel ware rondom smalle nissen aangebracht , waarin telkens een afbeelding van een graaf van Vlaanderen was geschilderd, al dan niet vergezeld van zijn eega, te beginnen bij Boudewijn met de ijzeren arm (die in het jaar 840 de allereerste graaf van Vlaanderen werd).

Geen afbeeldingen van religieuze figuren in deze kapel, maar wel van wereldse leiders. De eerste portretten werden vervaardigd omstreeks 1374 in opdracht van Lodewijk van Male door ene Jan van der Asselt. Vanaf 1407 werd het werk verder gezet door Melchior Broederlam.
Later in de geschiedenis kwamen er steeds nissen bij.

We schreden eerbiedig door deze grafelijke kapel tot bij het prachtige altaar.

We waren volledig omringd door stoere krijgsheren en hier en daar ook een edele jonkvrouw.

Tussen de hele reeks ontwaarde ik ook de Bourgondische hertogen en algauw viel mijn oog op het paneel met Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk.

Wat ons eveneens opviel in deze kapel waren de “zwikken” boven de spitsbogen. In de architectuur wordt het hoekstuk tussen een cirkel en een rechthoekige omlijsting een “zwik” genoemd. In deze kapel zijn er 102 van deze zwikken. Ze bevatten telkens gebeeldhouwde scènes in reliëf die zowel religieuze als wereldse taferelen uitbeelden. De zwikken dateren uit 1371-1372 en is de oudste beeldenreeks uit de lage landen. Ze vormen een uniek patrimonium waarover door de Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk een grondige studie werd uitgebracht.

In het jaar 1370 liet Lodewijk van Male, de toenmalige graaf van Vlaanderen, de Gravenkapel bouwen, tegenaan de bestaande kerk. Hij droeg de kapel op aan de heilige Catharina, die op zijn geboortedatum haar naamdag had. Van de kapel wou hij zijn persoonlijk mausoleum maken. Maar zover is het nooit gekomen.
In 1382, na de verwoestende slag bij Westrozebeke, werd de Gravenkapel door de Fransen geplunderd.
Vanaf 1410 werd alles weer in ere hersteld, maar toen was Lodewijk van Male al dood. Hij kwam om bij een steekgevecht in 1384 en werd uiteindelijk in Rijsel begraven.

Bij de ingang van de kapel staat een beeld in albast van de heilige Catharina. Het beeld dateert van 1374. De heilige Catharina heeft in haar linkerhand een rad en in haar rechterhand een zwaard. Deze attributen verwijzen naar haar marteldood.

Maar, zo vroeg ik me af, hoe waren de graven van Vlaanderen verzeild geraakt tussen de Bourgondische Hertogen ? Dat had volgens mijn vriend en historicus niet zozeer iets te maken met Lodewijk van Male, maar wel met zijn dochter Margaretha van Male.
Om dat uitgelegd te krijgen moeten we eerst een ommetje maken langs Gent. Dat doen we in de volgende (voorlopig laatste) aflevering van deze reeks.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

Park “Het Torreke”.

Op 25 november waren wij in Dadizele, een gemeente in West-Vlaanderen gelegen in de driehoek tussen Roeselare, Kortrijk en Ieper, op nauwelijks tien kilometer van de Franse grens. We parkeerden er de auto vlakbij de ingang van het domein “Het Torreke”. Men was in de straten van deze gemeente reeds begonnen met het ophangen van de kerstversiering.

“Het Torreke” was ooit een toegangspoort tot het kasteel van Dadizele, een middeleeuwse waterburcht dat tijdens de Eerste Wereldoorlog grotendeels werd vernield. De overgebleven gebouwen, zoals het koetshuis en de conciërgewoning werden samen met het aanpalend kasteelpark in 1977 aangekocht door de gemeente en als cultureel en toeristisch centrum in gebruik genomen.

We wandelden het park in en hielden eerst even halt bij het borstbeeld van Jan Van Dadizele. We waren hierheen gekomen omdat we nog steeds op zoek waren naar sporen die naar het leven van Maria van Bourgondië verwijzen. Deze Jan Van Dadizele heeft tijdens het bewind van de hertogin een belangrijke rol gespeeld.
Maar dat is iets voor later.

We wandelden verder tot aan de “Pompeschitter“. Dit beeld uit 1980 van de Brugse kunstenaar Marcel Eneman, stelt een man voor die zijn behoefte doet in een pompbak.

De naam van het beeld komt van de bijnaam van de Dadizelenaars. Volgens de legende had een man uit Dadizele zich overdreven tegoed gedaan aan bier en pruimen. Op weg naar huis kreeg hij dermate last van zijn darmen dat hij zich genoodzaakt zag zijn toevlucht te nemen tot de eerste de beste pompbak.

We lieten de “Pompeschitter” rustig verder kakken en we volgden een eindje de “Pompeschitter wandelroute” door het park, langsheen het kasteel van Mariënstede. Dit kasteel werd na de Eerste Wereldoorlog gebouwd op de restanten van het oorspronkelijke kasteel van Dadizele. In 1953 was het in handen van het bisdom Brugge gekomen, die van het kasteel een retraitehuis maakte. In 1985 werd het kasteel omgebouwd tot een tehuis voor mensen met een beperking.

Rondom het kasteel ligt een landschapspark naar Engels model.

De wandelroute leidde ons langs reuzehoge bomen, al is dat op deze foto’s niet duidelijk te merken.

Maar de route zou ons te ver weg leiden van ons oorspronkelijk doel, daarom sloegen we een wandelpad in dat terugliep in de richting van de basiliek.

We kwamen nog voorbij de kaasmakerij en chocolaterie van Mariënstede, waar mensen met een beperking tewerk worden gesteld.

Er zo kwamen we algauw terug bij het kasteel van Mariënstede en zagen we op de achtergrond de enorme basiliek van Dadizele weer opdoemen.

(wordt vervolgd)

Geraadpleegde bron : www.toerismedadizele.be

Poppenkastpoppenverzameling.

Nazaire Beeusaert, speelgoedfabrikant in Deinze tussen 1940 en 1960, was eveneens befaamd omwille van zijn poppenkastpoppen. Hij maakte bijna vijftig poppenkastfiguurtjes uit papier-maché, die hij voorzag van een bijpassend katoenen outfit.
Van ieder van deze poppenkastfiguurtjes hebben ze in de erfgoedafdeling van het Museum van Deinze (Mudel) een exemplaar bewaard.

In het museum hebben ze ook een exemplaar in “poppenkastpopvorm” van de goedheilige man en zijn trouwe vriend zelf.

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn alvast heel erg hun nopjes met deze “poppenkastpoppenverzameling”, zoals men dat volgens Zwarte Piet noemt.
Alle poppenkastpoppen staan netjes opgesteld in een speciaal daarvoor voorziene glazen kast, wat men dan, zo vertelde Zwarte Piet mij, een “poppenkastpoppenverzamelingkast” noemt.

Leverancier van Sinterklaas.

In de eerste helft van de vorige eeuw was de stad Deinze, waar ik woon, een belangrijk centrum voor de speelgoedindustrie. Hier waren enkele topleveranciers van Sinterklaas gevestigd.
Eén van hen was Nazaire Beeusaert. In zijn fabriek, langs de Gentsesteenweg, startte hij omstreeks 1941 onder meer met het vervaardigen van speelgoedsoldaatjes. Geen tinnen soldaatjes, maar soldaatjes gemaakt uit papier-maché. Dat was beter voor de geldbeugel van Sinterklaas. Zo maakte hij het hele leger van Napoleon, Wellington en de Pruisen na in papier-maché. Maar ook het Belgisch koningshuis; soldaten uit Wereldoorlog I, en de gendarmerie uit die tijd kwamen aan bod.
In het Museum van Deinze (Mudel) bewaart men nog steeds een schitterende collectie van deze speelgoedsoldaatjes. Sinterklaas komt ieder jaar persoonlijk langs in het museum om ze te bewonderen. Maar niet dit jaar, helaas, want de goede heilige man is al een dagje ouder en behoort bijgevolg tot de risicogroep voor covid en daarom blijft hij zoveel mogelijk in zijn bubbel.

(wordt vervolgd)