In de ban van de hertogin / 4

De boskapel

Wij bevonden ons in het bos van Wijnendale, net zoals Maria van Bourgondië en haar gevolg deden op die bewuste 13e maart 1482. Wij waren niet op jacht en reden ook niet te paard, zoals zij, maar stapten gewoon te voet door de lange dreven tussen stoere, oude zomereiken. De wandelpaden die het bos doorkruisen waren breed en geasfalteerd, maar het ruiterpad dat Maria destijds volgde lag er wellicht lang niet zo geëffend bij.

We wandelden een eind het bos in en na een hele tijd, toen we weer dichter in de buurt van het kasteel waren, kwamen we voorbij een begroeide heuvel, waaronder zich een ijskelder bevond. Een uitgesleten trap leidde naar de toegang tot de ijskelder.
Ik kreeg het ongelukkig idee om de trap te beklauteren. Dat had ik beter niet gedaan. De treden van de trap lagen wel een halve meter uit elkaar, waren glibberig en helden af naar beneden. Bovendien was de trap aan beide zijden afgebakend met prikkeldraad. Je kon je dus nergens aan vasthouden.
Mijn acrobatische talenten zijn bovendien niet meer wat ze geweest zijn. De trap bestijgen ging nog net, maar de trap afdalen bleek een hachelijke onderneming en even vreesde ik dat ik het nooit zou halen, maar het lukte me toch om zonder kleerscheuren terug beneden te komen.

Een beetje van ons melk gebracht vervolgden we onze tocht. Nauwelijks honderd meter verderop zagen we plots het kapelletje staan.
Vaak wordt dit boskapelletje aangeduid als de plaats waar Maria van Bourgondië van haar paard is gevallen en er wordt soms beweerd dat dit kapelletje ter hare gedachtenis hier is gebouwd. Maar dat klopt niet helemaal. Toen Maria van Bourgondië in dit bos op jacht was stond hier reeds een kapelletje, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Aan het kapelletje zijn talrijke volkslegendes verbonden.

De huidige kapel dateert van omstreeks 1770 en is als beschermd monument nog steeds een bedevaartsoord.

Volgens kroniekschrijvers uit de Bourgondische tijd, was het wel vlakbij het boskapelletje dat Maria van Bourgondië ongelukkig ten val kwam.

Tijdens de jacht zag Maria plots een reiger aan de overkant van een sloot, nabij de boskapel. Ze gaf haar paard de sporen en maande het aan om over de sloot te springen. Normaal vormde dat voor een ervaren amazone, zoals Maria, geen enkel probleem. Maar bij het neerkomen struikelde het paard over een boomstronk die uit de bevroren grond stak. Het paard gleed uit en viel. Ongelukkigerwijs kwam het dier bovenop haar terecht, met zijn volle gewicht op haar rechterzijde.
Haar man Maximiliaan en haar hele gevolg kwamen op haar toegeschoten, maar Maria was ondertussen weer overeind gekrabbeld. Ze klaagde niet en was schijnbaar ongedeerd. Zij liet zich weer in het zadel lichten en het gezelschap reed terug naar het kasteel. Maar toen Maria daar van haar paard stapte zeeg ze in elkaar. Iedereen was danig geschrokken en begreep meteen dat de toestand ernstig was. Maria werd, lijkbleek en kreunend van de pijn, op een draagbaar tussen twee paarden gelegd en in allerijl teruggebracht naar het Prinsenhof in Brugge, waar zij en Maximiliaan op dat ogenblik resideerden.

Wij konden hier in Wijnendale verder niet veel meer aanvangen. We wandelden terug naar de parking bij het kasteel, waar de auto stond en we lieten het kasteel van Wijnendale achter ons. We zouden de volgende dag naar Brugge rijden, de hertogin achterna.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij
Brugseommeland.be
Illustraties : Wikimedia Commons (publiek domein)

De kunst van het drukken / 3

WAT VOORAF GING

Deel 3 / De letterkast en de cicero

foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

De “letterkast”was in de drukkerijen van destijds een zeer inventief meubelstuk. Zo’n kast bestond uit ongeveer vijventwintig uitneembare lades, die men bovenop een schuine desk kon zetten. Iedere lade bevatte loden letters in een bepaald lettertype en in een bepaalde grote. Bovenop de kast stond nog een opzetstuk en een stevige lamp zorgde voor de nodige verlichting.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

Zo’n lade van een letterkast was universeel en werd wereldwijd op dezelfde manier onderverdeeld. Men kan het vergelijken met een toetsenbord van een schrijfmachine of computer.
In de onderste vakken lagen de “kleine letters”. Die noemde men in vakjargon “onderkastletters“. Bovenaan lagen de “hoofdletters”, die noemde men “kapitalen”. Nu nog steeds spreekt men in vakjargon over onderkastletters en kapitalen, ook al worden de letterkasten al lang niet meer gebruikt.

Verder waren er in de lade vakken voorzien voor leestekens en speciale lettertekens en ook ruimtes voor het “kastwit” waarmee men spaties tussen de woorden en wit-ruimtes tussen de regels tot stand bracht.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent


Zoals een typist blindelings moet kunnen typen, zo moest een letterzetter blindelings iedere letter in de kastlade weten te vinden en ze aan een snel tempo één voor één in de zethaak kunnen plaatsen. Ieder letter stond uiteraard in spiegelschrift. Een letterzetter moest dus ook perfect een tekst in spiegelschrift kunnen lezen aan hetzelfde tempo waarop men een normale tekst leest. Al hield men bij twijfel al wel eens een spiegeltje boven het zetsel.

Binnenzicht van de de letterzetterij in drukkerij Van Melle (Gent) omstreeks 1935.
Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent
Typografische letterproef van het lettertype Egmont.
Het cijfer naast elke regel is de lettergrote
uitgedrukt in cicero. De afbeelding is niet op ware grote.
(afb :industriemuseum Gent)

De letterzetter moest dus over heel wat “skills” beschikken. Voor het zetten van een tekst had hij een zethaak ter beschikking, maar ook een cicerometer of metalen cicerolat. In de typografie werd de grote van de letters en de tussenruimtes niet uitgedrukt in centimeter, maar in cicero, genoemd naar de Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero. Eén cicero was gelijk aan 4,512 mm. Een cicero was niet decimaal, maar was onderverdeeld in twaalf punten. Op een cicerolat stonden bovenaan de cicero’s aangeduid en onderaan de centimeters.

cicerolat

De maateenheid cicero wordt nu nog steeds gebruikt in moderne computerprogramma’s voor het opmaken van teksten. Niet alleen bij dtp-programma’s voor de grafische industrie, maar ook bij het dagelijks gebruik van onze pc. De editor van WordPress maakt er weliswaar geen gebruik van, maar Microsoft Word en heel wat e-mail programma’s bijvoorbeeld, doen dat wel.
Zo kan je bij het typen van een e-mail bovenaan in je werkbalk de grote van de letters aanpassen door een dropdown open te klikken. Dan komt er een lijstje tevoorschijn van cijfers, meestal van 6 tot 72. Deze getallen zijn geen millimeters, maar cicero-punten. Letters in een normale, platte tekst hebben meestal een grote van 10 à 12 pt.
Dat hebben wij allemaal te danken aan de oude letterzetters van weleer.


In het industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : letterkasten en zetsels in het industriemuseum van Gent


Bron en illustraties : industriemuseum Gent

Terug naar het verleden.

Morgen is het 1 september en is de zomervakantie alweer voorbij. Intussen heb ik mijn vrijwilligerswerk in het museum van Deinze hervat, daar waar ik ruim vijf maanden geleden gebleven was, toen alles plotseling werd stilgelegd omwille van het corona-virus.
Ik ben opnieuw in het fotoarchief van het museum gedoken. Er moeten nog heel wat foto’s worden gedigitaliseerd en geïnventariseerd.
Foto’s zoals deze hieronder, die genomen is in Deinze tijdens de Eerste Wereldoorlog. Achter het stadhuis, in de Kaaistraat, stonden de mensen aan te schuiven voor de soep- en melkbedeling. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar. Dat kon want er was toen geen corona. Maar er was wel veel honger en ellende.

Ook bij de Erfgoedcel is er een interessant project waar ik als vrijwilliger graag wil aan meewerken.
Er zijn op zolder, bij een overleden groottante van een mevrouw uit de Leiestreek, een aantal dozen gevonden met daarin talloze brieven. Brieven die geschreven zijn tussen 1913 en 1916 door de moeder van die groottante. Ze schreef naar haar liefje en naar haar familie. Ze werkte als dienstmeid bij een rijke Duitse familie. Toen de oorlog uitbrak moest die familie vluchten, eerst naar Parijs en later naar Duitsland. En zij moest met hen mee, omdat ze als dienstmeid zowat tot het meubilair van die familie behoorde.
Ze schrijft in haar brieven ook over de gruwelen van de oorlog. Het zijn getuigenissen uit eerste hand, op het moment dat het zich allemaal afspeelde, geschreven met potlood op broze velletjes papier.
Een schat aan erfgoedmateriaal dat allemaal moet worden gedigitaliseerd .

Voorts zijn mijn vriend Manu en ik deze zomer in de ban geraakt van een beeldschone vrouw. Wij zijn haar achterna gegaan. Geen sinecure voor twee verlegen jongens, zoals wij. Maar de dame is het waard, want ze is niet alleen mooi en knap, ze is ook rijk, intelligent, sympathiek en reeds 538 jaar dood. Maar dat laatste is slechts een detail. 🙂
Het komende najaar vertel ik er vast en zeker meer over op deze blog.

De Lange Max. (2/4)

We waren in Leugenboom, een gehucht dat bij de gemeente Koekelare hoort, en we waren de weg kwijt. We wisten niet meer welke kant we uit moesten. Aan de bomen hoef je het in Leugenboom niet te vragen, natuurlijk.
We sakkerden verder langs de smalle wegjes die zich tussen de West-Vlaamse velden kronkelden. Maar plots zagen we, geheel onverwacht, langs de kant van de weg een onopvallend bordje staan die de richting aanwees naar het Lange Max Museum. En ja hoor, even later reden we door een smeedijzeren hek (dat gelukkig open stond) de parking van het museum op.

Oef ! Wat we al lang niet meer hadden durven hopen, was toch gebeurd : we hadden onze bestemming bereikt. Intussen was het al voorbij het middaguur. We waren reeds van ’s ochtends op pad en we hadden honger gekregen. Gelukkig vonden wij wat verder op de parking een fraaie cafetaria, waar we vriendelijk en volkomen corona-proof werden onthaald en waar we voor een democratische prijs van een stevige en super lekkere maaltijd konden genieten.

Daarna gingen we op pad om de site te verkennen. Het museum zelf ging pas open om twee uur, dus hadden we nog even tijd om wat rond te wandelen.
De weg naar de plaats waar de bedding zich bevindt, waarin ooit de Lange Max had gestaan, bleek tussen twee hoge hagen te lopen. Er stond niemand op wacht, dus hadden we vrije doorgang.

Zo kwamen we op een open terrein terecht, waar we aan de rand ervan, ietwat verscholen onder de bomen, een mini-versie van de Lange Max zagen staan.

Bij de toegang naar het terrein stond nog een gehavend wachthuisje, ditmaal opgetrokken uit beton. Geen idee of het een origineel wachthuisje uit W.O.I was.
Daar omheen waren diverse kunstwerken opgesteld van de uit Koekelare afkomstige en in 2017 overleden kunstenaar Gerrit Germonpré.

Vanonder een hoge boom keek een bankje uit over het terrein.

We liepen verder het veld op en plotseling stond wij voor een immens grote put.

(wordt vervolgd)

De kunst van het drukken.

Deel 1 / Het prille begin

Reeds van bij het prilste begin van de beschaving hebben mensen ernaar gestreefd om ideeën te verspreiden via teksten en afbeeldingen. Van zodra het perkament was uitgevonden (ca. 200 v.Ch.) werd het kunstig beschreven.
In onze contreien waren het vooral monniken die boeken schreven in sierlijke letters, verlucht met prachtige miniaturen. Ieder bladzijde van het boek vormde een kunstwerk op zich. Het waren in den beginne haast uitsluitend Bijbelse teksten en getijdenboeken die werden vervaardigd in opdracht van de machtigen en rijken der aarde. Monniken werkten soms jarenlang aan één boek. De kunst van het boekbinden hadden zij ook al onder de knie. Hun monnikenwerk was bewonderenswaardig maar ook extreem tijdrovend.

Getijdenboek ca.1420

Het probleem met deze manuscripten was ook dat er van elk boek slechts één uniek exemplaar bestond. Reeds lang zocht men naar een manier om beschreven perkament te vermenigvuldigen.
In het oude China was omstreeks het jaar 750 een kunstvorm ontstaan, waarbij men uit een blok hout letters en afbeeldingen in spiegelbeeld kerfde. Het te drukken geheel werd in één keer uit het blok gesneden. Door inkt op de uitgesneden gedeelten aan te brengen en er een vel papier (dat toen in China reeds was uitgevonden) tegenaan te wrijven, verkreeg men een afdruk van de houtsnede. Het oudste bekende boek dat op deze manier werd vervaardigd heet de diamantsutra en werd in China omstreeks het jaar 868 vervaardigd. Het wordt nog steeds bewaard in het Britisch Museum in Londen.
Omstreeks het jaar 1050 zouden er in China reeds drukpersen hebben bestaan waarmee speelkaarten werden gedrukt.

Een bladzijde uit de diamantsutra (868) / ernaast een middeleeuwse blokdruk houtsnede met de bijhorende afdruk

De oude Chinese techniek, die ook wel eens “blokdruk” wordt genoemd, was eerder een “stempeltechniek” dan een “druktechniek” en het uitkerven in spiegelbeeld van tekst in hout was nog tijdrovender en moeilijker dan het rechtstreeks schrijven op papier. De techniek van de houtsnede is wel als kunstvorm blijven bestaan tot op de dag van vandaag.
Maar omstreeks het jaar 1040 was er een Chinese ambachtsman, Bi Sheng genaamd, die op een mooie dag op het lumineuze idee kwam om aparte letters in spiegelbeeld te gaan uitsnijden in kleinere houten blokjes en deze dan samen te voegen tot een volledige tekst. De letters konden telkens worden hergebruikt voor andere teksten. Bi Sheng heeft tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit de eer ervoor mogen opstrijken, maar hij kan wel worden beschouwd als de uitvinder van het ambacht der letterzetters.

Pas in de 14 de en de eerste helft van de 15 de eeuw waaide het drukken met losse houten letters over naar Europa. Algauw werden in Europa ook de eerste drukpersen in elkaar geknutseld. Daarmee moest men met de hand een hefboom op een schroef overhalen om zo via een degel of drukijzer de drukvorm tegen het papier te persen. Het papier was op voorhand vastgeklemd en de drukvorm werd door middel van tampons met inkt ingestreken.
Maar deze techniek was niet erg populair in de middeleeuwen en er werden algauw weer boeken met de hand geschreven.
De reden daarvoor was dat de letters in hout niet erg duurzaam waren. Er werd een vrij zachte houtsoort gebruikt om het uitsnijden van de letters mogelijk te maken. Maar na enkele malen onder de pers te hebben gelegen, waren de letters plat gedrukt en vervormd. Er moesten dus regelmatig nieuwe letters worden uitgekerfd en dat nam dan alweer veel tijd in beslag. Met andere woorden, het hele systeem was voor verbetering vatbaar.
Die verbetering werd in Duitsland, in het jaar 1439, bedacht door ene Johannes Gutenberg. Maar daar heb ik het een volgende keer over.


In het Industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : een houten en gietijzeren handpers. Beide handpersen dateren uit de 19de eeuw (1825 – 1850).
Gedurende 400 jaar waren handpersen de enige persen waarmee kon worden gewerkt. Blad per blad werd het papier handmatig op de drukvorm gelegd. Door een hefboom op schroef om te halen kwam de degel vertikaal op het papier neer.
Het tegengewicht op de gietijzeren pers is versierd met het embleem van Waterloo.

De oudst bewaarde drukpersen te wereld zijn te bewonderen in het prachtige Museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

Bronnen :
Industriemuseum Gent
Erfgoedinzicht
Illustraties : Wikipedia (publiek domein) / Pixabay (rechtenvrij)

Back to my roots.

We keren nog even terug naar het Industriemuseum in Gent. Het was vooral de afdeling “Grafische technieken” van het museum die er onze bijzondere aandacht kreeg.
In de historische drukkerij van het Industriemuseum werd ik als het ware veertig jaar terug in de tijd geflitst. Ik gaf uitleg aan mijn metgezellen over alles wat er te zien was en haalde herinneringen op aan vervlogen tijden.

Beroepshalve heb ik 40 jaar van mijn leven doorgebracht in de wereld van de grafische technieken en kunsten. Toen ik nog studeerde leerden we nog over de oude methodes, waarbij er nog werd gewerkt met uit lood gegoten letters, typografie genaamd. Een techniek die ik in het begin van mijn loopbaan nog zelf in de praktijk heb toegepast. Maar ook de nieuwste ontwikkelingen van de moderne offset-druk kwamen in mijn studietijd reeds aan bod. Ik was amper afgestudeerd toen de “offset” voor een enorme omwenteling zorgde in de grafische sector. De typografie was in het huwelijksbootje gestapt met de fotografie en werd voortaan de reprografie.
Nog later was het de digitalisering die in een mum van tijd de hele drukkerswereld op z’n kop zette. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt.

Foto : ©Industriemuseum Gent

Nu dacht ik zo bij mezelf, ik ben al meer dan vijftien aan het bloggen en heb het op mijn blog haast nooit gehad over het beroep dat ik zovele jaren heb uitgeoefend. Nu ik al twee jaar met pensioen ben is het misschien tijd om daar eens iets meer over te gaan schrijven.
Daarom heb ik het vermetel plan opgevat om vanaf nu, ongeveer om de maand, een artikeltje op deze blog te posten over de geschiedenis van de drukkunst, aangevuld met persoonlijke anekdotes uit mijn beroepsleven.
Het eerste artikel komt er vrijdag al aan. Daarin zal ik het hebben over het prille begin van de drukkunst toen Bi Sheng, een Chinees die leefde in de elfde eeuw, plots op een mooie dag in het jaar 1040 een lumineus idee kreeg.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriële evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriële nijverheden uit de voorbije eeuwen . Eén daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog véél meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.

Het industriemuseum.

Vorig weekend brachten wij een bezoek aan het Industrie museum van Gent. Ik was er vorig jaar geweest met m’n vriend Manu en deed het bezoek vorige zondag nog eens over met m’n vrouw. Ik had een bijzondere reden voor ons bezoek, maar daar kom ik later nog zeer uitgebreid op terug.
Het museum is ondergebracht in een voormalige katoenspinnerij, gelegen aan de Minnemeers in Gent. Het hoofdgebouw dateert uit 1905.

Gent was in de middeleeuwen een vooraanstaand centrum voor de wol- en katoenproduktie. In de 13 de en 14 de eeuw waren de Gentse lakens bekend tot ver buiten de landsgrenzen. Sinds de 16 de eeuw rezen in Gent textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond.
Wanneer je boven op de vijfde verdieping van het museum door de grote ramen kijkt heb je een prachtig panorama op de binnenstad van Gent.

Wanneer je goed kijkt zie je aan de horizon zowat alle torens van Gent opduiken. Van links naar rechts herken je de toren van de Sint-Baafskathedraal, de Sint- jacobskerk, het Belfort, de Sint-Niklaaskerk, de gebouwen van de Bond-Moyson op de Vrijdagmarkt en het Gravensteen.

Vooreerst bezochten wij in het museum de zeer interessante afdeling over de woelige geschiedenis van de textielnijverheid in Gent. In een volgend postje laat ik daar enkele sfeerbeelden van zien.
Maar eigenlijk waren we voor iets anders naar het museum gekomen. Iets waar ik later zeer uitgebreid op terug zal komen. Of had ik dat al gezegd ?

Yper Museum.

Daar waar het Ieperse museum ‘In Flanders Fields’ vooral het verhaal van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek vertelt, neemt men je in het Yper Museum mee doorheen elf eeuwen geschiedenis van de Westhoek en de stad Ieper. Dat doen ze aan de hand van een grote maquette van het middeleeuwse Ieper en verder nog een unieke collectie kaarten, archeologische vondsten, munten, kant- en handwerk en nog veel meer. Zo hebben ze er ook een zeer interessante collectie middeleeuwse insignes. Iets waar ik later, in een apart logje, graag nog eens wil op terugkomen.
De opstelling in het museum is bijzonder origineel. Alleen een beetje jammer dat men bepaalde waardevolle schilderijen zo hoog tegenaan het plafond heeft opgehangen.

Er loopt in het Yper Museum momenteel een tijdelijke tentoonstelling onder de titel ‘herSTELLINGEN”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Ieper met de grond gelijk gemaakt. Deze tentoonstelling gaat over de wederopbouw en de terugkeer van het sociocultureel leven in de stad.
Hieronder enkele sfeerbeelden uit het museum.

Het Yper Museum besteed eveneens bijzondere aandacht aan de Ieperse kunstenares Louise De Hem, die leefde van 1866 tot 1922 en die bij veel mensen elders in het land misschien niet zo heel bekend is.
Een volgende keer vertel ik wat meer over het leven en werk van Louise De Hem.