In de ban van de hertogin / 12

De Gravenkapel


Maria van Bourgondië was de 29 ste in een lange rij graven en gravinnen van Vlaanderen, die er zijn geweest tussen het jaar 840 en het jaar 1830.
De eeuwig durende rivaliteit van het Bourgondisch hof met het Franse koningshuis beheerste ook haar regeerperiode. En daarnaast bezorgden opstandige steden zoals Brugge en Gent haar kopzorgen. Ze bevond zich vaak tussen twee vuren en hoewel ze niet oorlogsgezind was, kon ze niet beletten dat ook haar eigen echtgenoot meestal ver weg was van huis om ergens op een slagveld de talrijke vijanden te verslaan.

De “Gravenkapel” in Kortrijk is uniek in zijn soort omdat de muren van deze kapel niet gedecoreerd zijn met religieuze figuren, maar met 51 nissen, waarin alle graven van Vlaanderen uit de geschiedenis zijn afgebeeld.
Tussen alle stoere krijgsheren en edellieden, heeft ook Maria van Bourgondië, aan de zijde van haar gemaal, er een plaats gekregen.


We keken ietwat verbaasd om ons heen toen wij de Gravenkapel in Kortrijk betraden. Op de muren van de kapel ware rondom smalle nissen aangebracht , waarin telkens een afbeelding van een graaf van Vlaanderen was geschilderd, al dan niet vergezeld van zijn eega, te beginnen bij Boudewijn met de ijzeren arm (die in het jaar 840 de allereerste graaf van Vlaanderen werd).

Geen afbeeldingen van religieuze figuren in deze kapel, maar wel van wereldse leiders. De eerste portretten werden vervaardigd omstreeks 1374 in opdracht van Lodewijk van Male door ene Jan van der Asselt. Vanaf 1407 werd het werk verder gezet door Melchior Broederlam.
Later in de geschiedenis kwamen er steeds nissen bij.

We schreden eerbiedig door deze grafelijke kapel tot bij het prachtige altaar.

We waren volledig omringd door stoere krijgsheren en hier en daar ook een edele jonkvrouw.

Tussen de hele reeks ontwaarde ik ook de Bourgondische hertogen en algauw viel mijn oog op het paneel met Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk.

Wat ons eveneens opviel in deze kapel waren de “zwikken” boven de spitsbogen. In de architectuur wordt het hoekstuk tussen een cirkel en een rechthoekige omlijsting een “zwik” genoemd. In deze kapel zijn er 102 van deze zwikken. Ze bevatten telkens gebeeldhouwde scènes in reliëf die zowel religieuze als wereldse taferelen uitbeelden. De zwikken dateren uit 1371-1372 en is de oudste beeldenreeks uit de lage landen. Ze vormen een uniek patrimonium waarover door de Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk een grondige studie werd uitgebracht.

In het jaar 1370 liet Lodewijk van Male, de toenmalige graaf van Vlaanderen, de Gravenkapel bouwen, tegenaan de bestaande kerk. Hij droeg de kapel op aan de heilige Catharina, die op zijn geboortedatum haar naamdag had. Van de kapel wou hij zijn persoonlijk mausoleum maken. Maar zover is het nooit gekomen.
In 1382, na de verwoestende slag bij Westrozebeke, werd de Gravenkapel door de Fransen geplunderd.
Vanaf 1410 werd alles weer in ere hersteld, maar toen was Lodewijk van Male al dood. Hij kwam om bij een steekgevecht in 1384 en werd uiteindelijk in Rijsel begraven.

Bij de ingang van de kapel staat een beeld in albast van de heilige Catharina. Het beeld dateert van 1374. De heilige Catharina heeft in haar linkerhand een rad en in haar rechterhand een zwaard. Deze attributen verwijzen naar haar marteldood.

Maar, zo vroeg ik me af, hoe waren de graven van Vlaanderen verzeild geraakt tussen de Bourgondische Hertogen ? Dat had volgens mijn vriend en historicus niet zozeer iets te maken met Lodewijk van Male, maar wel met zijn dochter Margaretha van Male.
Om dat uitgelegd te krijgen moeten we eerst een ommetje maken langs Gent. Dat doen we in de volgende (voorlopig laatste) aflevering van deze reeks.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :

Park “Het Torreke”.

Op 25 november waren wij in Dadizele, een gemeente in West-Vlaanderen gelegen in de driehoek tussen Roeselare, Kortrijk en Ieper, op nauwelijks tien kilometer van de Franse grens. We parkeerden er de auto vlakbij de ingang van het domein “Het Torreke”. Men was in de straten van deze gemeente reeds begonnen met het ophangen van de kerstversiering.

“Het Torreke” was ooit een toegangspoort tot het kasteel van Dadizele, een middeleeuwse waterburcht dat tijdens de Eerste Wereldoorlog grotendeels werd vernield. De overgebleven gebouwen, zoals het koetshuis en de conciërgewoning werden samen met het aanpalend kasteelpark in 1977 aangekocht door de gemeente en als cultureel en toeristisch centrum in gebruik genomen.

We wandelden het park in en hielden eerst even halt bij het borstbeeld van Jan Van Dadizele. We waren hierheen gekomen omdat we nog steeds op zoek waren naar sporen die naar het leven van Maria van Bourgondië verwijzen. Deze Jan Van Dadizele heeft tijdens het bewind van de hertogin een belangrijke rol gespeeld.
Maar dat is iets voor later.

We wandelden verder tot aan de “Pompeschitter“. Dit beeld uit 1980 van de Brugse kunstenaar Marcel Eneman, stelt een man voor die zijn behoefte doet in een pompbak.

De naam van het beeld komt van de bijnaam van de Dadizelenaars. Volgens de legende had een man uit Dadizele zich overdreven tegoed gedaan aan bier en pruimen. Op weg naar huis kreeg hij dermate last van zijn darmen dat hij zich genoodzaakt zag zijn toevlucht te nemen tot de eerste de beste pompbak.

We lieten de “Pompeschitter” rustig verder kakken en we volgden een eindje de “Pompeschitter wandelroute” door het park, langsheen het kasteel van Mariënstede. Dit kasteel werd na de Eerste Wereldoorlog gebouwd op de restanten van het oorspronkelijke kasteel van Dadizele. In 1953 was het in handen van het bisdom Brugge gekomen, die van het kasteel een retraitehuis maakte. In 1985 werd het kasteel omgebouwd tot een tehuis voor mensen met een beperking.

Rondom het kasteel ligt een landschapspark naar Engels model.

De wandelroute leidde ons langs reuzehoge bomen, al is dat op deze foto’s niet duidelijk te merken.

Maar de route zou ons te ver weg leiden van ons oorspronkelijk doel, daarom sloegen we een wandelpad in dat terugliep in de richting van de basiliek.

We kwamen nog voorbij de kaasmakerij en chocolaterie van Mariënstede, waar mensen met een beperking tewerk worden gesteld.

Er zo kwamen we algauw terug bij het kasteel van Mariënstede en zagen we op de achtergrond de enorme basiliek van Dadizele weer opdoemen.

(wordt vervolgd)

Geraadpleegde bron : www.toerismedadizele.be

Poppenkastpoppenverzameling.

Nazaire Beeusaert, speelgoedfabrikant in Deinze tussen 1940 en 1960, was eveneens befaamd omwille van zijn poppenkastpoppen. Hij maakte bijna vijftig poppenkastfiguurtjes uit papier-maché, die hij voorzag van een bijpassend katoenen outfit.
Van ieder van deze poppenkastfiguurtjes hebben ze in de erfgoedafdeling van het Museum van Deinze (Mudel) een exemplaar bewaard.

In het museum hebben ze ook een exemplaar in “poppenkastpopvorm” van de goedheilige man en zijn trouwe vriend zelf.

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn alvast heel erg hun nopjes met deze “poppenkastpoppenverzameling”, zoals men dat volgens Zwarte Piet noemt.
Alle poppenkastpoppen staan netjes opgesteld in een speciaal daarvoor voorziene glazen kast, wat men dan, zo vertelde Zwarte Piet mij, een “poppenkastpoppenverzamelingkast” noemt.

Leverancier van Sinterklaas.

In de eerste helft van de vorige eeuw was de stad Deinze, waar ik woon, een belangrijk centrum voor de speelgoedindustrie. Hier waren enkele topleveranciers van Sinterklaas gevestigd.
Eén van hen was Nazaire Beeusaert. In zijn fabriek, langs de Gentsesteenweg, startte hij omstreeks 1941 onder meer met het vervaardigen van speelgoedsoldaatjes. Geen tinnen soldaatjes, maar soldaatjes gemaakt uit papier-maché. Dat was beter voor de geldbeugel van Sinterklaas. Zo maakte hij het hele leger van Napoleon, Wellington en de Pruisen na in papier-maché. Maar ook het Belgisch koningshuis; soldaten uit Wereldoorlog I, en de gendarmerie uit die tijd kwamen aan bod.
In het Museum van Deinze (Mudel) bewaart men nog steeds een schitterende collectie van deze speelgoedsoldaatjes. Sinterklaas komt ieder jaar persoonlijk langs in het museum om ze te bewonderen. Maar niet dit jaar, helaas, want de goede heilige man is al een dagje ouder en behoort bijgevolg tot de risicogroep voor covid en daarom blijft hij zoveel mogelijk in zijn bubbel.

(wordt vervolgd)

De kunst van het drukken / 4

Wat vooraf ging

Deel 4 / De pioniers in de lage landen

Korte tijd nadat Johannes Gutenberg in 1455 zijn allereerste boek had gedrukt namen heel wat drukkers zijn techniek over. De nieuwe technologie van het letterzetten met loden, herbruikbare letters zorgde voor een ware omzwaai in de boekdrukkunst. Zowat overal in Europa was men druk in de weer met de drukkunst. Ook in de lage landen bleef men niet achter.

Laurens Janszoon Coster afgebeeld in een 17e eeuws boek over de drukkunst.

Zo was er in Haarlem de mysterieuze Laurens Janszoon Coster. Hij heette niet alleen Coster, hij was ook koster in de St.Bavo-kerk van Haarlem. Er werd ooit beweerd dat hij de echte uitvinder van de drukkunst was.
Er zouden vroege proefdrukken gevonden zijn, de zogenaamde “prototypografieën” die ouder zijn dan het eerste boek dat Gutenberg heeft gedrukt en door deze Coster zouden zijn vervaardigd.
Maar dat wordt sterk in twijfel getrokken door historici en specialisten. Men vermoed zelfs dat deze Laurens Janszoon nooit heeft bestaan. Al heeft dat de stad Haarlem niet belet om in hun stad een standbeeld voor hem op te richten.

Waar precies de bakermat ligt van de boekdrukkunst in de lage landen is moeilijk te bepalen. De eerste drukkers in de Nederlanden zouden vooral te vinden zijn geweest in de steden Delft, Gouda en Utrecht. In Utrecht werd in ieder geval het eerste boek in de lage landen gedrukt : de “Historia Scholastica”, uitgegeven in 1473.
In Delft werd het eerste boek in de Nederlandse taal gedrukt : een vertaling van het oude testament, uitgegeven door Jacob Jacobszoon Van der Meer en Mauricius Yemantszoon.
Ook de stad Deventer ontpopte zich tot een belangrijk centrum van de boekdrukkunst, met drukkers zoals Richard Pafraet, die in 1477 het “Liber bibliae moralis” uitgaf, een boek van 900 bladzijden.

“Liber bibliae moralis” gedrukt in 1477. Het boek wordt bewaard in de Athenaeumbibliotheek in Deventer.

Maar het was in de Zuidelijke lage landen dat Dirk Martens uit Aalst voor de grote doorbraak van de boekdrukkunst zorgde. Hij startte aanvankelijk bescheiden in 1473 met een drukatelier in Aalst, maar opende ruim tien jaar later meer ateliers in onder meer Antwerpen en Leuven. Hij slaagde erin om de eerste brieven van Christoffel Columbus, over de ontdekking van de Nieuwe Wereld, te drukken.
Als overtuigd humanist gaf Dirk Martens ook de eerste werken uit van de toen nog jonge Erasmus uit Rotterdam. De hoofdvogel schoot hij af toen hij in 1516 het boek “Utopia” van Thomas More uitgaf, een werk dat nog steeds tot de wereldliteratuur behoort.
Daarnaast profiteerde Dirk Martens van de bloei van de universiteit van Leuven. Door goedkope editie uit te geven voor de studenten maakte hij in academische kringen de boekdrukkunst populair.

Standbeeld van Dirk Martens op de Grote Markt van Aalst

Alle boeken die gedrukt werden vóór het jaar 1501, volgens de regels van de typografische kunst met losse letters, worden wiegendrukken of incunabelen genoemd. In een wiegendruk werd altijd een gotisch lettertype gebruikt die de kalligrafie van de oude manuscripten nabootste. Initialen en illustraties werden handmatig bijgetekend of geschilderd. Een incunabel bevatte geen titelbladzijde, paginering of koptitels.
Heel wat incunabelen worden nog wereldwijd bewaard in diverse musea, maar zijn ook zeer gegeerd bij verzamelaars. Het verzamelen van incunabelen is een hobby die helaas enkel is weggelegd voor kapitaalkrachtige mensen.

De pioniers van de drukkunst waren ambachtslui, die vaak werkten voor religieuze, humanistische of wetenschappelijke doeleinden. De gewone man in de straat had toen nauwelijks toegang tot de boekdrukkunst. Van een grafische nijverheid was er nog helemaal geen sprake.
Omstreeks 1550 verscheen in Antwerpen Christoffel Plantijn ten tonele. Hij zou een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de drukkunst schrijven.
Maar daarover heb ik het een andere keer.


Geraadpleegde bronnen:

Athenaeumbibliotheek deventer
literatuurgeschiedenis.nl
historiek.net
Wikipedia
Mijn eigen schoolcursussen van weleer

Illustraties :
Wikipedia (publiek domein)
Athenaeumbibliotheek Deventer

In de ban van de hertogin / 9

De vermetele

Naast het praalgraf van Maria van Bourgondië in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge, staat het praalgraf van haar vader, Karel de Stoute. Zo werd hij genoemd, maar het woord “stout” had in de middeleeuwen enigszins een andere betekenis. Nu is “ondeugend” een synoniem van stout, maar toen verstond men onder “de stoute” eerder ” de vermetele” of “de roekeloze” of ” de dappere maar onbezonnene”.

Karel de Stoute was de zoon van de Bourgondische hertog Filips de Goede, de stichter van de orde van het guldenvlies en van Isabella van Portugal. Zelf is hij driemaal gehuwd. Het was zijn tweede vrouw, Isabella van Bourbon die de moeder was van Maria van Bourgondië. Maria was slechts acht jaar oud toen haar moeder op 29-jarige leeftijd stierf.

Isabella van Bourbon en Karel de Stoute, de ouders van Maria van Bourgondië

Het bewind van Karel de Stoute werd vooral gekenmerkt door oorlogvoering en het neerslaan van opstandelingen. In zijn drang om het Bourgondische rijk uit te breiden veroverde hij onder meer Luik, het hertogdom Gelre aan de Nederrijn en het hertogdom Lotharingen. Maar hij kreeg het ook aan de stok met de Habsburgers en met het Heilig Roomse rijk en met de koning van Frankrijk.
Hij sneuvelde uiteindelijk in 1477 op het slagveld bij een poging om de stad Nancy te veroveren.
Na zijn vroegtijdige dood moest Maria van Bourgondië hals over kop het rijk overnemen. Ze was toen amper twintig jaar oud en werd meteen geconfronteerd met de ongenoegen van het volk over het oorlogszuchtige beleid van haar vader.

Net zoals het praalgraf van Maria van Bourgondië is ook dit praalgraf op prachtige wijze versierd, geheel naar de Bourgondische tradities. Maar in tegenstelling tot deze van zijn dochter, zijn de stoffelijke resten van Karel de Stoute hier niet meer aanwezig. Na plunderingen tijdens de Franse revolutie was zijn lichaam uit de grafkelder verdwenen en is nooit meer teruggevonden.

Dichter bij Maria van Bourgondië konden we voorlopig niet meer komen. We hadden haar een laatste eer bewezen. We wilden ons graag verder verdiepen in haar levensverhaal, maar dat was iets voor later. Nu lieten we de hertogin in vrede rusten en verlieten we stilletjes de stad Brugge.

Wordt later vervolgd.