De kunst van het drukken / 6

Wat vooraf ging

Deel 6 / De eerste uitgeversmagnaat

Christoffel Plantijn door Pieter Paul Rubbens

De pioniers die de drukkersstiel beoefenden deden dat op ambachtelijke wijze en hun oplagen bleven veeleer beperkt. Boeken waren in den beginne uitsluitend beschikbaar voor wetenschappers, religieuzen en humanisten.

Christoffel Plantijn zag dat anders. Hij heette eigenlijk Plantin, was van Franse afkomst, maar vestigde zich in 1549 in Antwerpen waar hij met zijn achtergrond als leerbewerker en boekbinder een drukkerij opende. Hij gaf zijn drukkerij de naam “De Gulden Passer” en ontwierp er een logo voor.

Het embleem van Plantijn met de “Gulden Passer’ en de bijhorende spreuk ‘Labore et constantia’ (werk en doorzettingsvermogen)


Plantijn was gehuwd met Jeanne Rivière, die hij had leren kennen in Normandië. Samen kregen ze zes dochters en een zoon. Eén dochter en één zoon stierven vroeg. Zijn andere vijf dochters leerde hij persoonlijk lezen en schrijven, zodat ze op jonge leeftijd reeds in de drukkerij konden meehelpen om de proefdrukken te lezen, zowel in het Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Italiaans en Aramees.

Het ging Plantijn voor de wind met z’n drukkerszaak, maar hij kreeg het aan de stok met het Spaanse bewind. Hij verhuisde prompt naar Leiden (Nederland), waar hij in 1576 een nieuwe drukkerij opende en algauw benoemd werd tot drukker van de universiteit van Leiden.

Gedenksteen in Leiden


Maar ondertussen slaagde hij erin om terug in de gratie te komen van de Spaanse koning Fillips II. In 1585 keerde hij terug naar Antwerpen, waar hij zich ontpopte tot een belangrijke drukker van (Spaanse) religieuze boeken. Maar hij bleef ook wetenschappelijke en humanistische werken drukken en verwierf eveneens faam als drukker van muziekpartituren.

Plantijn geloofde sterk in de maatschappelijke rol van boeken. Hij zag het groots en begon ook met het drukken van kaarten en atlassen en zelfs het vervaardigen van wereldbollen en maakte boeken met prenten voor de ongeletterden. Naast zijn drukkerijen in Antwerpen en Leiden, opende hij ook een drukkersatelier in Parijs en Frankfurt.

In Antwerpen stelde hij aan 16 persen meer dan 50 werknemers te werk, wat voor die tijd ongezien was. Het werk werd onderling geregeld via schriftelijke ordonnanties. Hierin stonden de verantwoordelijkheden van zowel het werkvolk als van de baas genoteerd. Wie zich niet aan de afspraken hield, betaalde een boete in geld of in bier.
Plantijn bood over heel Europa de meest diverse drukwerken aan, in meerdere talen en in een record aantal lettertypes. Hij deed zelfs aan een vorm van merchandising. Christoffel Plantijn was een “marketeer” die van het drukkersambacht een commerciële bedrijvigheid maakte.

Zijn vijf dochters huwelijkte hij uit en zijn vijf schoonzoons gaf hij allemaal een functie in één van zijn drukkerijen. Bij de familie Plantijn stond het belang van de zaak steeds voorop.
Het was uiteindelijk één van de schoonzoons, Jan Moretus die samen met dochter Martina Plantijn de zaak overnam, toen Christoffel Plantijn in 1589 stierf.

Jan Moretus en Martina Plantijn

Vier jaar geleden bezocht ik het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. In dit prachtig museum duik je als het ware de 16 de eeuw binnen en kom je in de wereld van Plantijn terecht. Zijn persen en letterkasten zijn er nog te bewonderen, alsook boekenkasten vol met schitterende boeken.


Geraadpleegde bronnen :
museumplantinmoretus.be
visitantwerpcity.com
medium.com
Wikipedia
Illustraties : Wikipedia (publiek domein)

De kunst van het drukken / 5

Wat vooraf ging

Deel 5 / Graveren en etsen

llustratie van het graveerproces  (1751-1780). Gravure.

We zetten onze reis doorheen de geschiedenis van de boekdrukkunst nog wat verder. Het drukken der letteren verliep prima bij de pioniers van de drukkunst. De techniek van het letterzetten stond immers helemaal op punt. Maar er was eveneens behoefte om, behalve woorden en teksten, ook afbeeldingen af te drukken.
Omstreeks 1430, nog voor Gutenberg met zijn loden letters op de proppen kwam, had men ontdekt dat men een tekening die in een koperen plaat was gekrast kon afdrukken op papier.
Met een burijn (een naaldachtig gereedschap) kerfde men een tekening in een koperen plaat.

Burijnen

De koperen plaat werd ingesmeerd met inkt. Op de vlakke gedeelten van de plaat werd die weer netjes verwijderd, zodat er alleen inkt in de groeven achterbleef. Vervolgens legde men een blad papier of perkament op de plaat en bedekte men het geheel met een vilten doek. De plaat, het papier en het doek werden samen door twee cilinders geleid en zo verkreeg men met deze diepdruktechniek een perfecte afdruk.

Een gravure van omstreeks 1650 met links de gegraveerde koperen plaat en rechts de afdruk ervan

Later werden de kopergravures vaak vervangen door goedkopere houtgravures. Houtgravures worden vaak verward met houtsnedes. Er is echter een wezenlijk verschil. Bij houtgravures wordt de afbeelding gekerfd in hard hout, terwijl bij houtsnedes de afbeelding met een gutsbeitel uit zacht hout worden gesneden, wat doorgaans een grover en minder gedetailleerd resultaat geeft.

Links : houtgravure (Thomas Bewick 1847) / Rechts : houtsnede (Jozef Cantré 1926)

Intussen had men ook ontdekt dat metaal reageerde op een zuur of een base en dat met die eigenschap iets was aan te vangen.
Zo ontstond de etstechniek. Daarbij werd de koperen plaat eerst gepolijst en daarna met een wasachtige, vloeibare en zuurbestendige vernis overgoten. Eenmaal alles was gehard, maakte men met een etsnaald een tekening in het vernis. Daarna dompelde men het geheel onder in een bad met bijtend zuur dat het koper weg beet op de plaatsen waar de etsnaald het had blootgelegd. Die plaat kon men dan weer gebruiken om er een afdruk van te maken.

Gravures en etsen werden achteraf met de hand ingekleurd. Dat werd gedaan door de zogenaamde “verlichters”. Het inkleuren van gravures was een apart beroep.
Het etsen en graveren werd meestal gedaan door talentvolle kunstenaars. Daar waren soms grote namen bij. Eén van de meest bekende en bekwame etsers, door de eeuwen heen, was niemand minder dan Rembrandt van Rijn.

Zelfportret / Ets van Rembrandt van Rijn

Vandaag zijn er nog steeds mensen die de kunst van het etsen of graveren beoefenen. Toen ik nog studeerde zat etsen en graveren in ons lessenpakket, al bleef het grotendeels bij de theorie. In mijn jeugdig enthousiasme heb ik mij toen ook op een verlicht moment aan het etsen gezet, maar het werd mij al snel duidelijk dat ik deze vaardigheid maar beter kon overlaten aan echte kunstenaars.


Vanaf de tweede helft van de 16de eeuw was het technisch perfect mogelijk om zowel teksten als afbeeldingen te drukken. Dat zorgde voor een ware stroomversnelling in het verspreiden van ideeën en kennis. Geen enkel ander medium heeft ooit de cultuur en de wetenschap zo’n boost gegeven, als de boekdrukkunst.
Het zou duren tot in de 19de eeuw, toen de fotografie om de hoek kwam kijken, dat men op zoek zou gaan naar nieuwe methodes voor het reproduceren van afbeeldingen.
Maar zover zijn we nog niet op deze reis.


Illustraties : Wikimedia Commons (publiek domein)

De kunst van het drukken / 4

Wat vooraf ging

Deel 4 / De pioniers in de lage landen

Korte tijd nadat Johannes Gutenberg in 1455 zijn allereerste boek had gedrukt namen heel wat drukkers zijn techniek over. De nieuwe technologie van het letterzetten met loden, herbruikbare letters zorgde voor een ware omzwaai in de boekdrukkunst. Zowat overal in Europa was men druk in de weer met de drukkunst. Ook in de lage landen bleef men niet achter.

Laurens Janszoon Coster afgebeeld in een 17e eeuws boek over de drukkunst.

Zo was er in Haarlem de mysterieuze Laurens Janszoon Coster. Hij heette niet alleen Coster, hij was ook koster in de St.Bavo-kerk van Haarlem. Er werd ooit beweerd dat hij de echte uitvinder van de drukkunst was.
Er zouden vroege proefdrukken gevonden zijn, de zogenaamde “prototypografieën” die ouder zijn dan het eerste boek dat Gutenberg heeft gedrukt en door deze Coster zouden zijn vervaardigd.
Maar dat wordt sterk in twijfel getrokken door historici en specialisten. Men vermoed zelfs dat deze Laurens Janszoon nooit heeft bestaan. Al heeft dat de stad Haarlem niet belet om in hun stad een standbeeld voor hem op te richten.

Waar precies de bakermat ligt van de boekdrukkunst in de lage landen is moeilijk te bepalen. De eerste drukkers in de Nederlanden zouden vooral te vinden zijn geweest in de steden Delft, Gouda en Utrecht. In Utrecht werd in ieder geval het eerste boek in de lage landen gedrukt : de “Historia Scholastica”, uitgegeven in 1473.
In Delft werd het eerste boek in de Nederlandse taal gedrukt : een vertaling van het oude testament, uitgegeven door Jacob Jacobszoon Van der Meer en Mauricius Yemantszoon.
Ook de stad Deventer ontpopte zich tot een belangrijk centrum van de boekdrukkunst, met drukkers zoals Richard Pafraet, die in 1477 het “Liber bibliae moralis” uitgaf, een boek van 900 bladzijden.

“Liber bibliae moralis” gedrukt in 1477. Het boek wordt bewaard in de Athenaeumbibliotheek in Deventer.

Maar het was in de Zuidelijke lage landen dat Dirk Martens uit Aalst voor de grote doorbraak van de boekdrukkunst zorgde. Hij startte aanvankelijk bescheiden in 1473 met een drukatelier in Aalst, maar opende ruim tien jaar later meer ateliers in onder meer Antwerpen en Leuven. Hij slaagde erin om de eerste brieven van Christoffel Columbus, over de ontdekking van de Nieuwe Wereld, te drukken.
Als overtuigd humanist gaf Dirk Martens ook de eerste werken uit van de toen nog jonge Erasmus uit Rotterdam. De hoofdvogel schoot hij af toen hij in 1516 het boek “Utopia” van Thomas More uitgaf, een werk dat nog steeds tot de wereldliteratuur behoort.
Daarnaast profiteerde Dirk Martens van de bloei van de universiteit van Leuven. Door goedkope editie uit te geven voor de studenten maakte hij in academische kringen de boekdrukkunst populair.

Standbeeld van Dirk Martens op de Grote Markt van Aalst

Alle boeken die gedrukt werden vóór het jaar 1501, volgens de regels van de typografische kunst met losse letters, worden wiegendrukken of incunabelen genoemd. In een wiegendruk werd altijd een gotisch lettertype gebruikt die de kalligrafie van de oude manuscripten nabootste. Initialen en illustraties werden handmatig bijgetekend of geschilderd. Een incunabel bevatte geen titelbladzijde, paginering of koptitels.
Heel wat incunabelen worden nog wereldwijd bewaard in diverse musea, maar zijn ook zeer gegeerd bij verzamelaars. Het verzamelen van incunabelen is een hobby die helaas enkel is weggelegd voor kapitaalkrachtige mensen.

De pioniers van de drukkunst waren ambachtslui, die vaak werkten voor religieuze, humanistische of wetenschappelijke doeleinden. De gewone man in de straat had toen nauwelijks toegang tot de boekdrukkunst. Van een grafische nijverheid was er nog helemaal geen sprake.
Omstreeks 1550 verscheen in Antwerpen Christoffel Plantijn ten tonele. Hij zou een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de drukkunst schrijven.
Maar daarover heb ik het een andere keer.


Geraadpleegde bronnen:

Athenaeumbibliotheek deventer
literatuurgeschiedenis.nl
historiek.net
Wikipedia
Mijn eigen schoolcursussen van weleer

Illustraties :
Wikipedia (publiek domein)
Athenaeumbibliotheek Deventer

De kunst van het drukken / 3

WAT VOORAF GING

Deel 3 / De letterkast en de cicero

foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

De “letterkast”was in de drukkerijen van destijds een zeer inventief meubelstuk. Zo’n kast bestond uit ongeveer vijventwintig uitneembare lades, die men bovenop een schuine desk kon zetten. Iedere lade bevatte loden letters in een bepaald lettertype en in een bepaalde grote. Bovenop de kast stond nog een opzetstuk en een stevige lamp zorgde voor de nodige verlichting.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

Zo’n lade van een letterkast was universeel en werd wereldwijd op dezelfde manier onderverdeeld. Men kan het vergelijken met een toetsenbord van een schrijfmachine of computer.
In de onderste vakken lagen de “kleine letters”. Die noemde men in vakjargon “onderkastletters“. Bovenaan lagen de “hoofdletters”, die noemde men “kapitalen”. Nu nog steeds spreekt men in vakjargon over onderkastletters en kapitalen, ook al worden de letterkasten al lang niet meer gebruikt.

Verder waren er in de lade vakken voorzien voor leestekens en speciale lettertekens en ook ruimtes voor het “kastwit” waarmee men spaties tussen de woorden en wit-ruimtes tussen de regels tot stand bracht.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent


Zoals een typist blindelings moet kunnen typen, zo moest een letterzetter blindelings iedere letter in de kastlade weten te vinden en ze aan een snel tempo één voor één in de zethaak kunnen plaatsen. Ieder letter stond uiteraard in spiegelschrift. Een letterzetter moest dus ook perfect een tekst in spiegelschrift kunnen lezen aan hetzelfde tempo waarop men een normale tekst leest. Al hield men bij twijfel al wel eens een spiegeltje boven het zetsel.

Binnenzicht van de de letterzetterij in drukkerij Van Melle (Gent) omstreeks 1935.
Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent
Typografische letterproef van het lettertype Egmont.
Het cijfer naast elke regel is de lettergrote
uitgedrukt in cicero. De afbeelding is niet op ware grote.
(afb :industriemuseum Gent)

De letterzetter moest dus over heel wat “skills” beschikken. Voor het zetten van een tekst had hij een zethaak ter beschikking, maar ook een cicerometer of metalen cicerolat. In de typografie werd de grote van de letters en de tussenruimtes niet uitgedrukt in centimeter, maar in cicero, genoemd naar de Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero. Eén cicero was gelijk aan 4,512 mm. Een cicero was niet decimaal, maar was onderverdeeld in twaalf punten. Op een cicerolat stonden bovenaan de cicero’s aangeduid en onderaan de centimeters.

cicerolat

De maateenheid cicero wordt nu nog steeds gebruikt in moderne computerprogramma’s voor het opmaken van teksten. Niet alleen bij dtp-programma’s voor de grafische industrie, maar ook bij het dagelijks gebruik van onze pc. De editor van WordPress maakt er weliswaar geen gebruik van, maar Microsoft Word en heel wat e-mail programma’s bijvoorbeeld, doen dat wel.
Zo kan je bij het typen van een e-mail bovenaan in je werkbalk de grote van de letters aanpassen door een dropdown open te klikken. Dan komt er een lijstje tevoorschijn van cijfers, meestal van 6 tot 72. Deze getallen zijn geen millimeters, maar cicero-punten. Letters in een normale, platte tekst hebben meestal een grote van 10 à 12 pt.
Dat hebben wij allemaal te danken aan de oude letterzetters van weleer.


In het industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : letterkasten en zetsels in het industriemuseum van Gent


Bron en illustraties : industriemuseum Gent

De kunst van het drukken / 2

Wat vooraf ging

Deel 2 / De bolleboos uit Mainz

Postuum portret van Johannes Gutenberg

Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg, zo heette hij voluit. Hij werd geboren omstreeks het jaar 1400 in Mainz en wordt algemeen beschouwd als de uitvinder van de drukkunst. Maar eigenlijk was hij een edelsmid, gespecialiseerd in fijne metaalbewerking. Hij maakte vooral metalen stempels voor het beslaan en versieren van de harnassen van de koene ridders uit die tijd.
Toen hij op een mooie dag in een drukkerij aanwezig was en de drukkers zag knoeien met hun houten letters, dacht ie waarschijnlijk bij zichzelf :”Dat moet beter kunnen”.


Eenmaal terug in zijn atelier begon Johannes Gutenberg stempels te maken uit staal. Ditmaal niet met de motieven die hij voor de harnassen gebruikte, maar met letters in spiegelschrift. De stalen letterstempels sloeg hij vervolgens diep in een koperen plaat. Zo verkreeg hij een matrijs in leesbaar schrift.
Nu kwam het er voor Gutenberg op aan om de juiste legering te vinden voor het metaal waarmee hij van zijn matrijzen afgietsels kon maken, die terug in spiegelschrift waren zodat men er een afdruk in leesbaar schrift kon van maken. Na lang experimenteren bleek een mengsel van hoofdzakelijk lood, aangelengd met tin, een legering te zijn dat net zacht genoeg was om na afkoeling gemakkelijk uit de gietvorm te kunnen halen en toch hard en duurzaam genoeg was om de druk van de pers te kunnen weerstaan.

Gutenberg had de loden drukletter gemaakt, die telkens kon worden hergebruikt. Van de matrijzen kon men bovendien zoveel afgietsels maken als men maar wou.
Maar daarmee was de klus nog niet geklaard. De loden letters moesten op een of andere manier mooi naast elkaar op een lijn komen te staan. Om dat te verwezenlijken knutselde Gutenberg in een metaal dat voornamelijk uit koper bestond, een zethaak ineen. Daarmee stelde hij z’n eerste “zetsel” samen van een volledige boekpagina. Voor de “witruimtes” tussenin gebruikte hij blokjes in dezelfde metaallegering, maar dan zonder de verhoogde letters.

Links : zethaak in koper / Rechts : afgewerkt zetsel in losse loden letters


En zo had Johannes Gutenberg een techniek op poten gezet die een ware revolutie in de druknijverheid ontketende. Vanaf nu kon het geschreven woord overal en in grote oplagen worden verspreid. In 1455 voltooide Gutenberg zijn Gutenbergbijbel, het eerste boek dat in grotere oplage werd gedrukt en nog steeds als een meesterwerk wordt aanzien. Er werden 180 exemplaren van de bijbel gedrukt op papier en 30 exemplaren op waardevoller perkament.
De Latijnse tekst werd, zoals de traditie toen vereiste, in twee kolommen geplaatst. Het lettertype dat Gutenberg ontwierp benaderde sterk het kalligrafische handschrift waarin de oude manuscripten werden geschreven.

De eerste bladzijde van de Gutenbergbijbel (met links een close-up). De initialen werden met de hand bijgewerkt.

Gutenberg beschouwen als de uitvinder van de drukkunst is teveel eer voor de man. Het concept werd reeds eeuwen ervoor door de Chinezen bedacht. Maar hij heeft het hele systeem geperfectioneerd en werkbaar gemaakt. De techniek van het “handzetten” van loden letters met behulp van een koperen zethaak, zou meer dan 500 jaar stand houden. Hier en daar werd er wel wat bijgeschaafd, maar gedurende al die tijd bleef de techniek in essentie onveranderd. Het was pas halverwege de 20 ste eeuw dat Gutenbergs uitvindingen aan de kant zouden worden geschoven, toen de typografie een verbond sloot met de fotografie.

Letters worden uit de letterkast gehaald en in een zethaak geplaatst

MEMORIES

In de zomer van 1977 deed ik een vakantiejob bij dagblad ‘Het Volk’, een Gentse krant die later door de krantengroep ‘Het Nieuwsblad’ werd overgenomen. Gewapend met m’n zethaak stond ik er achter de letterkasten van de zetterij, waar ik de advertentie-pagina’s voor mijn rekening mocht nemen. Het was de allereerste job in m’n leven.
Toen ik op de ochtend van 17 augustus 1977 in het atelier bij m’n desk kwam, lag er nog een redactie-nota van de avond te voren. De avondploeg had in allerijl een extra krantenkop moeten zetten, die de volgende morgen vooraan in de krant moest verschijnen.
Ik weet nog hoe de tekst luidde : “Elvis Presley overleden in zijn badkamer !”

Die zomer, tijdens de laatste dagen dat ik er werkte, begon men reeds de inboedel van de handzetterij af te breken, terwijl we nog aan het zetten waren. De hele afdeling werd opgedoekt en alle materiaal verhuisde tweedehands naar kleinere drukkerijen of kwam in musea terecht of verdween samen met Johannes Gutenberg in de annalen van de geschiedenis.
Het is zoals Luc De Vos ooit zong : “Sterren komen, sterren gaan, alleen Elvis blijft bestaan.”


Geraadpleegde bronnen :
Industriemuseum Gent
historiek.net

Afbeeldingen :
Industriemuseum Gent
Wikipedia (publiek domein)

De kunst van het drukken.

Deel 1 / Het prille begin

Reeds van bij het prilste begin van de beschaving hebben mensen ernaar gestreefd om ideeën te verspreiden via teksten en afbeeldingen. Van zodra het perkament was uitgevonden (ca. 200 v.Ch.) werd het kunstig beschreven.
In onze contreien waren het vooral monniken die boeken schreven in sierlijke letters, verlucht met prachtige miniaturen. Ieder bladzijde van het boek vormde een kunstwerk op zich. Het waren in den beginne haast uitsluitend Bijbelse teksten en getijdenboeken die werden vervaardigd in opdracht van de machtigen en rijken der aarde. Monniken werkten soms jarenlang aan één boek. De kunst van het boekbinden hadden zij ook al onder de knie. Hun monnikenwerk was bewonderenswaardig maar ook extreem tijdrovend.

Getijdenboek ca.1420

Het probleem met deze manuscripten was ook dat er van elk boek slechts één uniek exemplaar bestond. Reeds lang zocht men naar een manier om beschreven perkament te vermenigvuldigen.
In het oude China was omstreeks het jaar 750 een kunstvorm ontstaan, waarbij men uit een blok hout letters en afbeeldingen in spiegelbeeld kerfde. Het te drukken geheel werd in één keer uit het blok gesneden. Door inkt op de uitgesneden gedeelten aan te brengen en er een vel papier (dat toen in China reeds was uitgevonden) tegenaan te wrijven, verkreeg men een afdruk van de houtsnede. Het oudste bekende boek dat op deze manier werd vervaardigd heet de diamantsutra en werd in China omstreeks het jaar 868 vervaardigd. Het wordt nog steeds bewaard in het Britisch Museum in Londen.
Omstreeks het jaar 1050 zouden er in China reeds drukpersen hebben bestaan waarmee speelkaarten werden gedrukt.

Een bladzijde uit de diamantsutra (868) / ernaast een middeleeuwse blokdruk houtsnede met de bijhorende afdruk

De oude Chinese techniek, die ook wel eens “blokdruk” wordt genoemd, was eerder een “stempeltechniek” dan een “druktechniek” en het uitkerven in spiegelbeeld van tekst in hout was nog tijdrovender en moeilijker dan het rechtstreeks schrijven op papier. De techniek van de houtsnede is wel als kunstvorm blijven bestaan tot op de dag van vandaag.
Maar omstreeks het jaar 1040 was er een Chinese ambachtsman, Bi Sheng genaamd, die op een mooie dag op het lumineuze idee kwam om aparte letters in spiegelbeeld te gaan uitsnijden in kleinere houten blokjes en deze dan samen te voegen tot een volledige tekst. De letters konden telkens worden hergebruikt voor andere teksten. Bi Sheng heeft tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit de eer ervoor mogen opstrijken, maar hij kan wel worden beschouwd als de uitvinder van het ambacht der letterzetters.

Pas in de 14 de en de eerste helft van de 15 de eeuw waaide het drukken met losse houten letters over naar Europa. Algauw werden in Europa ook de eerste drukpersen in elkaar geknutseld. Daarmee moest men met de hand een hefboom op een schroef overhalen om zo via een degel of drukijzer de drukvorm tegen het papier te persen. Het papier was op voorhand vastgeklemd en de drukvorm werd door middel van tampons met inkt ingestreken.
Maar deze techniek was niet erg populair in de middeleeuwen en er werden algauw weer boeken met de hand geschreven.
De reden daarvoor was dat de letters in hout niet erg duurzaam waren. Er werd een vrij zachte houtsoort gebruikt om het uitsnijden van de letters mogelijk te maken. Maar na enkele malen onder de pers te hebben gelegen, waren de letters plat gedrukt en vervormd. Er moesten dus regelmatig nieuwe letters worden uitgekerfd en dat nam dan alweer veel tijd in beslag. Met andere woorden, het hele systeem was voor verbetering vatbaar.
Die verbetering werd in Duitsland, in het jaar 1439, bedacht door ene Johannes Gutenberg. Maar daar heb ik het een volgende keer over.


In het Industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : een houten en gietijzeren handpers. Beide handpersen dateren uit de 19de eeuw (1825 – 1850).
Gedurende 400 jaar waren handpersen de enige persen waarmee kon worden gewerkt. Blad per blad werd het papier handmatig op de drukvorm gelegd. Door een hefboom op schroef om te halen kwam de degel vertikaal op het papier neer.
Het tegengewicht op de gietijzeren pers is versierd met het embleem van Waterloo.

De oudst bewaarde drukpersen te wereld zijn te bewonderen in het prachtige Museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

Bronnen :
Industriemuseum Gent
Erfgoedinzicht
Illustraties : Wikipedia (publiek domein) / Pixabay (rechtenvrij)