Een fietstochtje van niks. (2/2)

Met mijn fiets aan de hand had ik via het vlonderpad de meersen overgestoken, nabij het mini-dorp “Zeveren”. Eenmaal aan de overkant fietste ik verder langsheen een mooi natuurgebied.

Volgens “Natuurpunt” heet het hier de “Zeverenbeekvallei”, een beschermd natuurgebied van 200 hectaren dat bestaat uit diverse biotopen, zoals meersen, dotterhooilanden en broekbossen. Dit natuurgebied ontstond na de ijstijden, toen hier een moeras van een metersdikke veenlaag werd gevormd.

Ik trapte gezwind verder langs een kaarsrecht macadam-baantje, met links van mij een bos en aan mijn rechterkant malse weiden, tot ik bij enkele boerderijen aankwam.

Zo reed ik ook voorbij het hoevetje waar kunstenaar Juul Claeys woonde. Toen Juul Claeys hier in 1966 zijn intrek nam, maakte hij van de stal en de duiventoren, aanpalend aan de woning, zijn atelier.

Juul Claeys werd geboren in 1930. Hij combineerde vanaf 1964 het beroep van piloot met een opleiding aan de academies van Gent en Deinze. Hij ging in de leer bij Jan Burssens, Armand Blondeel en Roger Raveel en werd in 1972 zelf leraar aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in Deinze. De kunstenaar debuteerde in een vrij klassieke stijl en evolueerde naar abstract expressionisme. Hij overleed in 2002.

Omgeven door groen en natuurschoon, fietste ik verder in de richting van het dorpscentrum van Zeveren…

… tot ik aan het dorpspleintje kwam waar de Sint-Amanduskerk staat.

De deur stond open en ik ging even binnepiepen in dit stemmig kerkje.

Op het pleintje voor de kerk staat nog steeds een schandpaal. Deze staat hier al sinds de middeleeuwen en werd tot in de 19e eeuw gebruikt. De paal die er nu staat is slechts een kopie van de originele paal, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd werd. Wat er nog rest van de oorspronkelijke paal wordt bewaard in het Museum van Deinze en de Leiestreek.

Bij deze schandpaal eindigde mijn rit. Het was tijd om huiswaarts te keren.
Net zoals het bruggetje van daarnet, was dit een fietstochtje van niks. Maar voor mij volstond het om het algemeen welzijn van mijn gewrichten te onderhouden en te genieten van een fijne nazomerdag. 🙂

Wonterwijs.

Het zonlicht weerkaatste van de overweglichten op de zijgevel van het hoekhuis ernaast, waar vroeger het wachthuisje voor de overwegwachtster stond. Ik liet de spoorweg achter mij en wandelde verder de dorpsstraat van Wontergem in.
Dit is mijn geboortedorp, waar ik tot aan mijn vijf jaar heb gewoond. Mijn geboortehuis staat er al lang niet meer. Eerlijk gezegd is het er momenteel een beetje “een dooie boel”. Winkels zijn er in het dorpscentrum niet meer te vinden. Geen bakker, geen slagerij, geen kruidenier, geen enkele herberg.

Wat verder kwam ik voorbij de “oude melkerij”. Ooit was dit de florerende zuivelfabriek “Sint-Macharius”, een melkverwerkend bedrijf dat in de jaren dertig werd gebouwd. Maar nu staat dit gebouw er al jaren verlaten en vervallen bij.

De melkerij Sint-Macharius in betere tijden

De melkerij was van 1930 tot aan de sluiting in 1993 in handen van de familie De Wulf, ook na de aansluiting bij de zuivelcoöperatie Comelco.
In 1950 werd er een nieuwer gedeelte aangebouwd dat werd ingericht en gebruikt als kaasfabriek. Geheel rechts staat het herenhuis, dat reeds zou dateren uit de 19e eeuw en diende als woonst voor de familie De Wulf. Ook dat huis staat er nu verlaten en vervallen bij.
Naar verluid zouden al deze gebouwen binnenkort worden afgebroken, waardoor alweer een stukje onroerend erfgoed in de Leiestreek voorgoed verloren gaat.

Ik wandelde verder tot aan de Sint-Agneskerk.

Voor de kerk staat een monument ter ere van mijn moeder’s oom (mijn grootoom dus) Lucien Buysse. Blijkbaar is men in dit dorp nog steeds trots op hun beroemdste inwoner ooit, die als Flandrien heel wat wielerwedstrijden won, waaronder in 1926 de Ronde van Frankrijk.
Hij was de echtgenoot van de zus van mijn grootmoeder. Als kind heb ik de man nog gekend toen hij reeds op oudere leeftijd was. Hij heeft me ooit getrakteerd met de allereerste cola die ik in mijn leven heb gedronken.

Een beetje verder staat nog een ander monument. Een monument met een molensteen. Deze molensteen is wat nog rest van een stellingmolen gebouwd in 1855. Door een brand in 1892 ging het wiekenkruis verloren. Daarna werd de molenromp nog een tijd gebruikt als stoommaalderij, maar uiteindelijk in 1917 gesloopt.
De foto bij het monument is de enige bestaande foto van de molen, die op dat moment zijn wieken al verloren had. Alle huizen die op die oude foto staan zijn inmiddels reeds lang verdwenen.

Recht tegenover de kerk staat het gemeenteschooltje. Héél lang geleden, toen de dieren nog spraken, heb ik in dit schooltje mijn eerste en tweede kleuterklasje doorlopen. Tegenwoordig luistert dit schooltje naar de naam “Wonterwijs”.
Dat is wat ik later ook ben geworden : “wonterwijs”. 😉

Wat verder in een verloren hoek achter de kerk staat dit bouwvallig huisje. Dit huisje staat hier al heel lang en lijkt tot mijn verbazing nog steeds bewoond.

Tja, Wontergem is niet meer wat het geweest is. Rondom het dorp heb je heel wat mooie residentiele woonwijken, maar deze dorpskern lijkt wel wat in de vergeethoek te zijn geraakt. Misschien is het hoog tijd dat er hier een nieuwe, frisse wind waait, zodat het dorp de gezelligheid dat het vroeger wel degelijk had, terug kan krijgen.

In een piepklein stationnetje…

2021 is door de Europese Unie uitgeroepen tot het Europees jaar van het spoor. Dat bracht de plaatselijke erfgoed- en heemkundige kringen uit onze streek op een idee.
De stad Deinze telt 17 deelgemeenten en had vroeger ongeveer evenveel treinstations. Veel van die stations zijn in de loop der tijden helaas verdwenen. Nu heeft men een fietsroute uitgestippeld langsheen al deze verdwenen stationsgebouwen en telkens op die plaatsen infoborden geplaatst met oude foto’s en met wat meer uitleg over deze treinstations van weleer. Zoals bijvoorbeeld over het oorspronkelijk station van Deinze dat in 1918 door Duitse bommen werd platgegooid. Het origineel station van Deinze is onder meer te zien op deze oude postkaart uit 1913 (collectie Mudel).

Het probleem was dat men bij sommige van die stations niet over oude foto’s beschikte. Bijvoorbeeld over het piepkleine stationnetje van Wontergem.
Wontergem is een ietwat afgelegen Leiedorp waar eigenlijk alleen maar een treinhalte was met een klein wachthuisje voor de overwegwachtster (in de volksmond ook wel “bareeldraaister” genoemd). Daarvan had men geen enkele foto. Zelfs niet in het rijke archief van het Museum van Deinze.

Het toeval wil dat Wontergem mijn geboortedorp is, waar ik tot mijn vijf jaar heb gewoond en waar ook mijn moeder geboren en getogen was. Het toeval wil ook dat mijn moeder tijdens haar jeugdige jaren nog overwegwachtster is geweest aan de spoorweg in Wontergem. In die tijd waren er nog geen slagbomen en wanneer er een trein afkwam werd de spoorweg afgesloten door middel van een op rails lopende afsluiting of “bareel”, die men door manueel aan een wiel te draaien kon open of dicht schuiven.
Op deze foto zien jullie mijn moeder als overwegwachtster in 1944. Ze was toen 17.

Ik heb op zolder een doos waarin enkele foto’s steken van mijn moeder als jonge overwegwachtster. Dat had ik op een keer verteld aan de collega’s in het museum. Iemand van de cultuurdienst van Deinze had daarvan gehoord en enkele weken later kreeg ik telefoon van die persoon met de vraag of zij eventueel mijn privé-foto’s mocht gebruiken voor het infobord langs de fietsroute in Wontergem en ook voor publicatie in de bijhorende brochure.
Natuurlijk mocht dat en dus stuurde ik de foto’s door. Ik stuurde onder meer deze winterse foto waarop ook mijn grootvader op de voorgrond staat. Mijn grootvader deed toen geregeld vrijwilligerswerk voor de spoorweg en was daar de sporen sneeuwvrij aan het maken, terwijl mijn moeder met sneeuwballen naar haar vader aan het gooien was. Foei !
Wie de man is die op de achtergrond neergehurkt zit aan het wachthuisje weet ik niet. Misschien was dat een vroege aanbidder van mijn moeder ?

Vorige week ben ik een kijkje gaan nemen in Wontergem. Het was een eeuwigheid geleden dat ik daar nog was geweest.
Het wachthuisje aan de spoorweg stond recht tegenover het geklasseerde huis van Lucien Buysse, een Flandrien die in 1926 de Ronde van Frankrijk heeft gewonnen en die een oom was van mijn moeder.

Het wachthuisje staat er natuurlijk niet meer. Het infobord dat er nu staat valt een beetje tegen. Het is aan een nadarafsluiting bevestigd en is eerder klein en onopvallend. Hopelijk komt er later een groter infopaneel dat op ooghoogte zal worden bevestigd ?
Niettemin zijn mijn moeder en mijn grootvader dankzij dit infobord langs de fietsroute en de bijhorende brochure, weer een klein beetje meer vereeuwigd.

Volgende keer wandelen we nog wat verder in Wontergem.

Het Galgenpad. (2/2)

We waren op wandel op het platteland in en rondom het dorp Westrem, dat sinds 1977 is gefusioneerd met Wetteren. Vanaf het “Galgenveld” vervolgden wij onze weg langs het bewegwijzerde “Galgenpad”.

Driehonderd jaar geleden werden misdadigers waarschijnlijk langs hier op een paardenkar naar het Galgenveld gevoerd, waar de strop op hen wachtte.
Gelukkig rijden er tegenwoordig andere voertuigen over deze weg.

Wat verder kwamen we op een terrein waar aan plantenteelt wordt gedaan. In deze streek zijn er heel wat bomen- en plantenkwekers. We vroegen ons af waarvoor de vele stokken die hier in de grond staken dienden. We dachten eerst aan hopteelt, maar daarvoor stonden de stokken vrij dicht bij elkaar en veel hop was er hier, deze tijd van het jaar, niet te zien. Deze streek is ook overigens helemaal niet bekend omwille van de hopteelt. Vermoedelijk dienen de stokken voor een andere soort klimplanten.

Uiteindelijk kwamen we terug op geasfalteerde weg terecht. De wandeling ging verder langs akkers en talrijke boerderijen.

Omdat mijn slechte rug alweer begon te protesteren hebben we het laatste stuk van de wandeling via een alternatieve weg met een kilometer ingekort.

En zo stonden we plotseling weer aan het “ezelsbrugje” over de spoorweg.

We wandelden terug het dorp in en passeerden daarbij een heel oud dorpscafé, dat zo te zien al lang geen café meer is.

En dan kwamen we vanzelf weer uit bij de St.Martinuskerk, waar we onze wandeling waren begonnen.

Het Galgenpad. (1/2)

Op dinsdag 20 juli waren mijn vrouw en ik in Westrem, een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Wetteren. Een streek die we vrij goed kennen omdat we daar negen jaar hebben gewoond en waar we nog graag eens naar terugkeren.
Die dinsdag was het nog prachtig zomerweer, iets wat we sindsdien niet zo vaak meer hebben gehad. We zouden het “Galgenpad” volgen, een bewegwijzerde wandeling van 6,9 km, ideaal om onze stramme gewrichten los te krijgen en ver weg van alle drukte. De wandeling begon aan het pittoreske kerkje van Westrem.

De St.Martinuskerk en haar omringend kerkhof zijn gebouwd op een kleine heuvel, midden in het dorp. Sinds 1936 is het kerkje een beschermd monument. De eerste vermelding van de St.Martinuskerk is terug te vinden in een document uit 1145. Het kerkje werd in de loop der eeuwen enkele keren verbouwd.

De kerk wordt sinds januari 2018 echter niet meer gebruikt voor erediensten. Ze werd een tijd geleden ontwijd en er was intussen zelfs even een antiekzaak in gevestigd. Nu wordt ze vooral gebruikt door de cultuurdienst van de gemeente Wetteren voor kleine tentoonstellingen of evenementen.

We vertrokken dus aan het kerkje voor een rustige, zomerse wandeling.
Algauw moesten we over de spoorweg via een steil gebogen “ezelsbrugje”, zoals het hier wordt genoemd. Of er nog altijd ezels dit brugje oversteken betwijfel ik.

“Het Galgenpad” liep verder langs de spoorlijn.

Het duurde een hele poos voor we naast ons de spoorweg achter het struikgewas zagen verdwijnen en het pad ons langs de akkers naar een klein bosje leidde.

Aan de rand van dat bosje moesten we een wegel inslaan, ” Het Leentje” genaamd, die uitkwam op “Het Galgenveld”.

“Het Galgenveld” is een onontgonnen veld waar in de donkerste jaren van de middeleeuwen boeven, of gewoon arme drommels die pech hadden gehad, werden opgehangen. Misschien steken hier, diep in de grond, nog de knoken van middeleeuwers die op dit veld hun laatste adem uitbliezen ? ’s Nachts dwalen hun geesten hier waarschijnlijk nog rond.

Het veld is nu een soort niemandsland. Geen boer die het in z’n hoofd haalt om dit stuk grond te bewerken of er iets aan te planten.

In de schaduw van de bomen, aan de rand van het veld, hielden we een korte drinkpauze, waarna we onze wandeling verder zetten.

(wordt vervolgd)

Een dorp in wit en blauw.(4/4)

Ik kuierde verder door de stille straatjes rondom de kerk van Hansbeke, op zoek naar nog meer wit en blauw. Joke vertelde in de reacties dat wit en blauw de kleuren waren van de baron die blijkbaar eigenaar was van zowat de helft van het dorp. Hij verplichtte de bewoners om deze kleuren te gebruiken.
Bijna achter ieder hoekje en achter iedere haag ontdekte ik een huis met een blauwe deur of witblauwe vensterluiken.

Vele huisjes zijn nog zeer authentiek en in goede staat. Toen ik terug naar de plaats wandelde waar ik de auto had achtergelaten, passeerde ik langs nog meer hoevetjes en arbeidershuisjes waar wit en blauw voor het nodige cachet zorgden.

Ik heb nog lang niet alle huisjes met wit-blauwe vensterluiken op de foto kunnen zetten.
Maar enkele dagen na deze wandeling, op een veel minder stralende dag, was ik opnieuw in de buurt van Hansbeke en reed ik nog eens tot aan de plek, een eind buiten het dorpscentrum, waar ooit het legendarisch café “De Reisduif” gelegen was.

Café De Reisduif was allesbehalve een “propere” herberg. Het werd sinds 1955 uitgebaat door Leon Van Renterghem, samen met zijn stokoude moeder die steevast naast de “leuvense stoof” zat en zich gewillig liet trakteren op “nen druppel”.
Er werd bier gedronken uit flesjes, want glazen waren er niet. Koffie of thee evenmin. De vloer en de achterkoer lagen bezaaid met flesdopjes. Het dak zat onder de duivenpoep en het toilet was slechts een plank met een gat. Mannen deden hun behoefte gewoon buiten tegen een boom en vrouwen gingen vaak bij de buren aanbellen met het verzoek om daar gebruik te mogen maken van het toilet.
In 1999 maakte zanger Johan verminnen een liedje over het café en dat was de aanzet tot een ware hype. Busladingen toeristen en ganse kolonnes motorrijders vonden de weg naar Hansbeke. Ook heel wat bekende wielrenners hielden tijdens hun trainingstochten al eens halt bij café De Reisduif.

Café De Reisduif was een curiosum. Zelf heb ik het café maar één keer bezocht, het moet zowat 25 jaar geleden zijn. Na de dood van cafébaas Leon in 2009 ging het café dicht.
Thans is het hoevetje waarin café De Reisduif was ondergebracht opgeknapt tot een mooi woonhuis.

Rond de leuvense stoof
onder rood gebakken pannen
is gezelligheid een woord
dat zacht aan je tong blijft plakken.
Niet uit glazen, maar uit flessen
kan je daar je dorst gaan lessen.
Bij Leon en bij zijn ma
Cyriel Buysse achterna…

(Johan Verminnen / fragment uit café De Reisduif)