Ieperse vestingen. (3/3)

Op onze vroege, maar uitzonderlijk warme lentewandeling op de Ieperse vestingen, waren we aangekomen bij een “oreillon“. Volgens een info-bord dat hier stond opgesteld is een oreillon een oorlelvormige uitbouw van een militaire versterking of bastion.
De Franse terminologie voor verdedigingsbouwwerken dateert wellicht uit de 17e eeuw toen Sébastien Vauban, bouwkundige onder Lodewijk XIV, deze versterking rond de stad Ieper ontwierp en liet bouwen.

Honderd meter verderop ontwaarden we de Poternebrug, een brug voor voetgangers langs waar men de vestinggracht kan oversteken naar het Hoornwerkpark aan de overkant.

Wij bleven echter aan deze kant van het water en zetten onze wandeling verder bovenop de vesting tot we bij een tweede oreillon kwamen. Hier konden we via een trap binnenin de vestingmuur naar beneden afdalen.

Mijn vrouw had wat last van haar pijnlijke heup, terwijl mijn kaduke rug zich tamelijk gedeisd hield die dag. Daarom daalde ik alleen de trappen af, terwijl mijn vrouw boven bleef en op een bankje wat uitrustte.

Eenmaal beneden kon ik via een loopbrug een tenaille bereiken, da’s een eilandje in de vestinggracht. Tja, al die Franse benamingen heb ik ook maar afgelezen van ons routeplan en van de infoborden.

Toen ik terug boven water kwam verlieten we de vestingen via een wandelpad dat ons naar de andere kant van de omwallingsmuur brachten. Achter de huizenrij pronkte de toren van de Sint-Jacobskerk.

Onderweg passeerden we nog een gesloten toegang tot één van de vijf kazematten in de vestingmuur. De Kazematten waren oorspronkelijk gebouwd als schuttersposten. In de Eerste Wereldoorlog boden ze echter bescherming aan de Ieperse bevolking en deden ze dienst als schuilkelders en hulpposten.
In de gerestaureerde kazematten is thans een ontmoetingscentrum, een brasserie en zelfs een brouwerij ondergebracht. Helaas was in deze corona-tijden alles potdicht.

We keerden terug naar de Rijselpoort, waar we onze wandeling waren begonnen. Bovenop de poort hadden we een mooi zicht op de Rijsselseweg, een weg die naar Frankrijk leidt.

Dat bracht ons op een idee. We hadden nog geen zin om meteen naar huis te rijden en besloten om een ommetje te maken tot aan het uiterste puntje van de Westhoek, om dan rakelings langs de grens met Frankrijk rechtsomkeer te maken. Zo zouden we een streek doorkruisen die vooral gekenmerkt wordt door het oorlogsverleden van 14-18.
Daarover maak ik volgende keer een apart logje.

Ieperse vestingen. (2/3)

Op de laatste en uitzonderlijk warme dag van maart waren we op wandel langs de vestingen in Ieper. Daar staan, langsheen de vestingsgracht, een lange rij treurwilgen met hun voeten in het water.

Men noemt de bomen treurwilgen, maar ik vind er niets treurig aan. Zeker niet op deze mooie lentedag, toen ze hun frisgroene blaadjes als een gordijn over de waterkant spreidden.

Sommige bomen stonden echt wel letterlijk met hun voeten in het water.

Omheen de vestingmuren is een mooi park aangelegd, waar ons wandelpad zich in alle richtingen opsplitste.

Aan de rand van het park zagen we deze merkwaardig geknotte boom. Een reusachtige boom die veel weg had van een modern kunstwerk.

Wat verder bracht ons pad ons tot bij het eerste “oreillon”.

(wordt vervolgd)

Ieperse vestingen (1/3).

Het was de laatste dag van de maand maart en het was uitzonderlijk warm. De thermometer haalde met gemak 25 graden. Amper een week later zou het terug vriezen en zelfs sneeuwen, maar die dag werden alle warmterecords alweer verbroken.
We bevonden ons op de Grote Markt van Ieper, waar de fonteinen zo vroeg op het jaar al voor wat verfrissing moesten zorgen.

We hadden op de radio gehoord dat het bijzonder druk was aan de kust en in steden zoals Brugge, Gent en Brussel. Maar hier lag de zonovergoten Grote Markt er rustig en virus-veilig bij.

De toren van de majestueuze Lakenhallen is aan renovatie toe en stond in de steigers.

Van de Grote Markt kuierden we via de Rijselstraat tot aan de Rijselpoort.

De Rijselpoort werd reeds in 1384 gebouwd onder Filips de Stoute, de eerste hertog van Bourgondië. Oorspronkelijk werd de poort geflankeerd door twee ronde torens. Het is de enige stadspoort uit de 14e eeuw die Ieper nog rest. De poort werd in de loop der eeuwen herhaalde malen verbouwd en werd tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd.

Bovenop de poort heeft men een mooi uitzicht op de vestingen en de vestinggrachten van Ieper. In Vlaanderen, waar door de eeuwen heen heel wat oorlogen zijn uitgevochten, zijn niet zoveel vestingen en stadswallen bewaard gebleven. Vreemd genoeg is dat in Ieper wel het geval, hoewel de stad tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig met de grond werd gelijk gemaakt.

Tussen 1388 en 1409 werd in Ieper deze omwalling opgetrokken. De oorspronkelijk aarden wal werden aangevuld met een acht meter hoge bakstenen muur, omgeven door een 40-tal torens en tien stadspoorten.
Vanaf 1678 liet de Franse bouwkundige Vauban de omwalling gedeeltelijke slopen en vervangen door een gebastioneerde muur. Vanaf 1683 werd de vestinggracht aangebracht. In 1815 werd Ieper een laatste keer militair versterkt, Pas in 1853 werd door de Belgische regering beslist om de vesting te ontmantelen. Torens en poorten verdwenen, maar de versterkte omwalling bleef zelfs na twee wereldoorlogen grotendeels overeind.

Vanop de Rijselpoort liepen we de vestigen op tot aan Brits militair kerkhof. Zoals op de zovele militaire kerkhoven in deze streek, liggen ook hier tientallen jonge mannen begraven die ver van huis sneuvelden tijdens “den grooten oorlog”.

Vandaar volgden we verder het wandelpad langs de vestinggracht. Het plaatje klopte niet. Het was echt zomers warm, we hadden onze truien al lang uitgetrokken, maar de bomen stonden nog bladerloos in hun wintertenue. Schaduwrijk waren ze dus niet.

Wat verder kwamen we bij de restanten van de Leeuwentoren, iets wat ons eerst een gevaarlijk uitziende put leek, waar je vooral niet wilde in vallen.

De oorspronkelijke Bourgondische toren uit de 14e eeuw werd in de Franse tijd, aan het einde van de 18e eeuw, verlaagd en omgebouwd tot een geschutsplatform waar, tussen de twee en een halve meter dikke muren, kanonnen werden geplaatst.

Een tunnelgang verbond de toren met de binnenstad. Maar die tunnel is niet meer toegankelijk.

Van hier zetten we onze gemoedelijke lentetocht verder langs de uitgestrekte vestinggracht.

(wordt vervolgd)

Een Latemse wandeling. (4/5)

We waren nog steeds op wandel in Sint-Martens-Latem. De Albijn Van den Abeele wandelroute die we aan het volgen waren ging verder via een aarden wegel langs de oevers van de Leie.

Op deze mooie, prille lentedag was het er zalig wandelen, met uitzicht op de rivier.

Menig kunstenaar hebben aan deze oevers, hun artistieke talenten ontplooit.
Albert Saverys, bijvoorbeeld, schilderde heel wat Leielandschappen.

In een vorig leven heb ik me aan de Leieboorden ook eens aan een aquarel gewaagd.

Maar laten we die jeugdzonde maar gauw vergeten en verder wandelen.

Zowat een halve kilometer verderop verwijderde ons wandelpad zich van de rivier…

…en leidde ons langs een waterzuiveringsstation van Aquafin, waar op natuurlijke wijze afvalwater gezuiverd wordt.

Uiteindelijk kregen we weer asfalt onder onze voeten en dook voor ons een gigantisch huis op. Het befaamde Torenhuis.

(wordt vervolgd)

Een latemse wandeling. (3/5)

Op onze wandelroute door Sint-Martens-latem waren we aangekomen bij de aanlegsteiger voor pleziervaarten. Van hieruit hadden we een mooi zicht op de Leie met het “Tempelhof” op de achtergrond.

Wij waren niet de enigen die bij de steiger kwamen genieten van de prille lentezon. Het was er behoorlijk druk, al bleef alles weliswaar corona-veilig genoeg.

Normaal ging de route vanaf hier verder via een knuppelpad. Maar dat pad was helaas tijdelijk afgesloten om veiligheidsredenen. Het was ons niet duidelijk wat er aan de hand was, maar het was in elk geval een tegenvaller. Hierdoor misten we een interessant stukje van de wandelroute. We moesten een omweg maken via de minder interessante Meerstraat, een vrij lange weg die dwars door de Latemse Meersen loopt. Gelukkig hadden we langs deze weg de hele tijd uitzicht op de wijde Meersen.

Dat we hier moesten uitkijken voor loslopend wild leek ons toch wat overdreven.

Wat we wel langs deze weg aantroffen waren dure villa’s, verscholen achter zwaar beveiligde afsluitingen. Reeds sinds het begin van vorige eeuw kwamen rijke industriëlen zich in Sint-Martens-Latem vestigen. Daar staat het dorp intussen ook voor bekend.

De villa’s zijn vanzelfsprekend erg mooi gelegen, met uitzicht op de Leie en de Latemse Meersen.

Bijna aan het einde van de Meerstraat ging het plots een aarden boswegel in. En zo kwamen we kwamen toch nog terecht in het kleine bos van knotwilgen, elzen en populieren, waar de Meerbeek doorheen stroomt.

Langs dit bospad hebben Albijn Van den Abeele en tal van andere Latemse kunstenaars vaak hun schildersezel neergepoot. Zoals César De Cock die in 1872 de beek in het bos op doek vereeuwigde.

Het bospad kwam uit op het afgesloten knuppelpad, waar we noodgedwongen een stukje op onze stappen moesten terugkeren om daarna via een ander pad verder te wandelen langs de open velden aan de Leieoevers.

(wordt vervolgd)

Langs schorren en slikken. (3/3)

Eenmaal we de brug over de sluis in het overstromingsgebied “de Bergenmeersen” in Wichelen hadden overgestoken, zetten we onze wandeltocht verder via het jaagpad bovenop de Scheldedijk.

Vanop dat jaagpad hadden we de hele tijd de Schelde aan onze rechterzijde.

Aan onze linkerzijde hadden we zicht op de watergeulen en grachten die de meersen doorkruisten en her en der geflankeerd werden door een “toefje” bomen.

Aan de horizon kwam het kerkje van Uitbergen steeds dichterbij. Tussen het dorp en het jaagpad stroomde de Schelde de zon tegemoet.

Het was zalig genieten op deze zachte lentedag die we van de winter cadeau hadden gekregen. Algauw lag het kerkje aan de overkant alweer een eind achter ons.

Langzamerhand naderden we het eindpunt van de Bergenmeersen.

Voor ons doemde, tegen het zonlicht in, de brug over de Schelde op waarover de weg van Overmere naar Aalst loopt.

Aan deze brug eindigde onze wandeltocht.

Toen we vanaf de brug achterom keken hadden we een mooi uitzicht over het Scheldegebied waar we vandaan kwamen.
Deze vroege lentewandeling had ons meer dan deugd gedaan in barre corona-tijden.