De kunst van het drukken.

Deel 1 / Het prille begin

Reeds van bij het prilste begin van de beschaving hebben mensen ernaar gestreefd om ideeën te verspreiden via teksten en afbeeldingen. Van zodra het perkament was uitgevonden (ca. 200 v.Ch.) werd het kunstig beschreven.
In onze contreien waren het vooral monniken die boeken schreven in sierlijke letters, verlucht met prachtige miniaturen. Ieder bladzijde van het boek vormde een kunstwerk op zich. Het waren in den beginne haast uitsluitend Bijbelse teksten en getijdenboeken die werden vervaardigd in opdracht van de machtigen en rijken der aarde. Monniken werkten soms jarenlang aan één boek. De kunst van het boekbinden hadden zij ook al onder de knie. Hun monnikenwerk was bewonderenswaardig maar ook extreem tijdrovend.

Getijdenboek ca.1420

Het probleem met deze manuscripten was ook dat er van elk boek slechts één uniek exemplaar bestond. Reeds lang zocht men naar een manier om beschreven perkament te vermenigvuldigen.
In het oude China was omstreeks het jaar 750 een kunstvorm ontstaan, waarbij men uit een blok hout letters en afbeeldingen in spiegelbeeld kerfde. Het te drukken geheel werd in één keer uit het blok gesneden. Door inkt op de uitgesneden gedeelten aan te brengen en er een vel papier (dat toen in China reeds was uitgevonden) tegenaan te wrijven, verkreeg men een afdruk van de houtsnede. Het oudste bekende boek dat op deze manier werd vervaardigd heet de diamantsutra en werd in China omstreeks het jaar 868 vervaardigd. Het wordt nog steeds bewaard in het Britisch Museum in Londen.
Omstreeks het jaar 1050 zouden er in China reeds drukpersen hebben bestaan waarmee speelkaarten werden gedrukt.

Een bladzijde uit de diamantsutra (868) / ernaast een middeleeuwse blokdruk houtsnede met de bijhorende afdruk

De oude Chinese techniek, die ook wel eens “blokdruk” wordt genoemd, was eerder een “stempeltechniek” dan een “druktechniek” en het uitkerven in spiegelbeeld van tekst in hout was nog tijdrovender en moeilijker dan het rechtstreeks schrijven op papier. De techniek van de houtsnede is wel als kunstvorm blijven bestaan tot op de dag van vandaag.
Maar omstreeks het jaar 1040 was er een Chinese ambachtsman, Bi Sheng genaamd, die op een mooie dag op het lumineuze idee kwam om aparte letters in spiegelbeeld te gaan uitsnijden in kleinere houten blokjes en deze dan samen te voegen tot een volledige tekst. De letters konden telkens worden hergebruikt voor andere teksten. Bi Sheng heeft tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit de eer ervoor mogen opstrijken, maar hij kan wel worden beschouwd als de uitvinder van het ambacht der letterzetters.

Pas in de 14 de en de eerste helft van de 15 de eeuw waaide het drukken met losse houten letters over naar Europa. Algauw werden in Europa ook de eerste drukpersen in elkaar geknutseld. Daarmee moest men met de hand een hefboom op een schroef overhalen om zo via een degel of drukijzer de drukvorm tegen het papier te persen. Het papier was op voorhand vastgeklemd en de drukvorm werd door middel van tampons met inkt ingestreken.
Maar deze techniek was niet erg populair in de middeleeuwen en er werden algauw weer boeken met de hand geschreven.
De reden daarvoor was dat de letters in hout niet erg duurzaam waren. Er werd een vrij zachte houtsoort gebruikt om het uitsnijden van de letters mogelijk te maken. Maar na enkele malen onder de pers te hebben gelegen, waren de letters plat gedrukt en vervormd. Er moesten dus regelmatig nieuwe letters worden uitgekerfd en dat nam dan alweer veel tijd in beslag. Met andere woorden, het hele systeem was voor verbetering vatbaar.
Die verbetering werd in Duitsland, in het jaar 1439, bedacht door ene Johannes Gutenberg. Maar daar heb ik het een volgende keer over.


In het Industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : een houten en gietijzeren handpers. Beide handpersen dateren uit de 19de eeuw (1825 – 1850).
Gedurende 400 jaar waren handpersen de enige persen waarmee kon worden gewerkt. Blad per blad werd het papier handmatig op de drukvorm gelegd. Door een hefboom op schroef om te halen kwam de degel vertikaal op het papier neer.
Het tegengewicht op de gietijzeren pers is versierd met het embleem van Waterloo.

De oudst bewaarde drukpersen te wereld zijn te bewonderen in het prachtige Museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

Bronnen :
Industriemuseum Gent
Erfgoedinzicht
Illustraties : Wikipedia (publiek domein) / Pixabay (rechtenvrij)

Back to my roots.

We keren nog even terug naar het Industriemuseum in Gent. Het was vooral de afdeling “Grafische technieken” van het museum die er onze bijzondere aandacht kreeg.
In de historische drukkerij van het Industriemuseum werd ik als het ware veertig jaar terug in de tijd geflitst. Ik gaf uitleg aan mijn metgezellen over alles wat er te zien was en haalde herinneringen op aan vervlogen tijden.

Beroepshalve heb ik 40 jaar van mijn leven doorgebracht in de wereld van de grafische technieken en kunsten. Toen ik nog studeerde leerden we nog over de oude methodes, waarbij er nog werd gewerkt met uit lood gegoten letters, typografie genaamd. Een techniek die ik in het begin van mijn loopbaan nog zelf in de praktijk heb toegepast. Maar ook de nieuwste ontwikkelingen van de moderne offset-druk kwamen in mijn studietijd reeds aan bod. Ik was amper afgestudeerd toen de “offset” voor een enorme omwenteling zorgde in de grafische sector. De typografie was in het huwelijksbootje gestapt met de fotografie en werd voortaan de reprografie.
Nog later was het de digitalisering die in een mum van tijd de hele drukkerswereld op z’n kop zette. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt.

Foto : ©Industriemuseum Gent

Nu dacht ik zo bij mezelf, ik ben al meer dan vijftien aan het bloggen en heb het op mijn blog haast nooit gehad over het beroep dat ik zovele jaren heb uitgeoefend. Nu ik al twee jaar met pensioen ben is het misschien tijd om daar eens iets meer over te gaan schrijven.
Daarom heb ik het vermetel plan opgevat om vanaf nu, ongeveer om de maand, een artikeltje op deze blog te posten over de geschiedenis van de drukkunst, aangevuld met persoonlijke anekdotes uit mijn beroepsleven.
Het eerste artikel komt er vrijdag al aan. Daarin zal ik het hebben over het prille begin van de drukkunst toen Bi Sheng, een Chinees die leefde in de elfde eeuw, plots op een mooie dag in het jaar 1040 een lumineus idee kreeg.

Een warm weerzien.

smart

Na bijna vier maanden afwezigheid ben ik gisteren namiddag voor het eerst terug in ons museum geweest.
En of het me deugd heeft gedaan ! Het was een hartelijk en warm weerzien met iedereen die ik al die tijd heb moeten missen. Het deed me echt wel wat om terug op “den bureau” te komen. Het voelde een beetje als thuiskomen. Er was helaas ook minder goed nieuws. Twee medewerksters zullen weldra het museum definitief verlaten om andere horizonten te gaan verkennen. Zij zullen er weliswaar nog af en toe over de vloer komen, maar mede door dit nieuws werd het toch een beetje een emotionele namiddag.

Ik maakte ook van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling van de glaskunst van Jan Leenknegt te gaan bekijken en met m’n smartphone enkele kiekjes te nemen.
Wie deze tentoonstelling of de tentoonstelling “design op wielen” nog wil bezoeken in het Mudel moet zich reppen, want dit weekend is het laatste weekend dat de tentoonstellingen lopen. Virtueel zijn ze nog wel een tijdje toegankelijk, onder meer door in de rechterkolom van deze blog even te klikken op de betreffende links.

De komende weken wordt in het museum alles afgebroken en volgt de opbouw van de volgende tentoonstelling. Eenmaal dat achter de rug, kan ik mijn werkzaamheden aan het fotoarchief van het museum hervatten. Ten laatste rond half augustus kan ik er weer aan de slag als vrijwilliger. Tenminste als corona niet weer roet in het eten komt gooien.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriële evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriële nijverheden uit de voorbije eeuwen . Eén daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog véél meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.

Het industriemuseum.

Vorig weekend brachten wij een bezoek aan het Industrie museum van Gent. Ik was er vorig jaar geweest met m’n vriend Manu en deed het bezoek vorige zondag nog eens over met m’n vrouw. Ik had een bijzondere reden voor ons bezoek, maar daar kom ik later nog zeer uitgebreid op terug.
Het museum is ondergebracht in een voormalige katoenspinnerij, gelegen aan de Minnemeers in Gent. Het hoofdgebouw dateert uit 1905.

Gent was in de middeleeuwen een vooraanstaand centrum voor de wol- en katoenproduktie. In de 13 de en 14 de eeuw waren de Gentse lakens bekend tot ver buiten de landsgrenzen. Sinds de 16 de eeuw rezen in Gent textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond.
Wanneer je boven op de vijfde verdieping van het museum door de grote ramen kijkt heb je een prachtig panorama op de binnenstad van Gent.

Wanneer je goed kijkt zie je aan de horizon zowat alle torens van Gent opduiken. Van links naar rechts herken je de toren van de Sint-Baafskathedraal, de Sint- jacobskerk, het Belfort, de Sint-Niklaaskerk, de gebouwen van de Bond-Moyson op de Vrijdagmarkt en het Gravensteen.

Vooreerst bezochten wij in het museum de zeer interessante afdeling over de woelige geschiedenis van de textielnijverheid in Gent. In een volgend postje laat ik daar enkele sfeerbeelden van zien.
Maar eigenlijk waren we voor iets anders naar het museum gekomen. Iets waar ik later zeer uitgebreid op terug zal komen. Of had ik dat al gezegd ?

Een kunstenares in een mannenwereld.(2/2)

De ‘Académie Julian’ werd opgericht in 1868 door Rodolphe Julian. Het was een privéschool waar ook vrouwelijke studenten werden toegelaten, al moesten vrouwen er meer dan dubbel zoveel inschrijvingsgeld betalen dan mannen. De academie leverde vermaarde kunstenaars af, zoals Fernand Khnopff, Käthe Kollwitz en Henri Matisse, om er maar enkele te noemen.
In 1890 had Julian zeventien ateliers in Parijs, sommige met meer dan 150 leerlingen. Mannen en vrouwen werden in aparte ateliers ondergebracht. Aan het begin van de week kreeg ieder atelier een model toegewezen dat een bepaalde pose moest aannemen. De leerlingen kregen een week tijd om die pose op doek of op papier vast te leggen.
De leermeesters beoordeelden op het einde van de week het resultaat. Ze kozen in elk atelier telkens het beste werk van de week. De winnaar mocht de volgende week als eerste een zitplaats kiezen, wat in de overvolle ateliers een belangrijk voordeel was. De vrouwen die er les volgden waren echter vaak afhankelijk van de goodwill van hun mannelijke leermeesters.

Leerling-kunstenaressen in de académie Julian anno 1889


Hoe dan ook, in de Académie Julian leerde Louise De Hem alle knepen van het vak. In de zomer van 1891 keerde Louise terug naar Ieper en begon ze haar carrière als kunstenares uit te bouwen. Nadat ze aanvankelijk haar familieleden uitkoos om voor haar te poseren (vooral haar moeder en oudere zussen waren gewillige slachtoffers), mocht ze in 1892 de erevoorzitter van het Hof van Cassatie op doek vereeuwigen. Het was haar eerste belangrijke portretopdracht.

Louise De Hem is portretten blijven schilderen. Ze vereeuwigde leden van de lokale adel, de bourgeoisie, overheden, stadsbesturen en zelfs oversten van kloosters. Het bracht haar een aardige stuiver op. Maar daarnaast schilderde ze ook sociale taferelen, zoals het schilderij van de arme moeder die samen met de oma naar het weeshuis gaat om er haar kindje af te staan (zie lightbox deel 1).
Omstreeks 1904 besloot ze om naar Brussel te verhuizen. In Vorst ~ dan nog een plattelandsgemeente aan de rand van Brussel ~ betrok ze een dubbelwoning in art-nouveaustijl, ontworpen door Ernest Blériot. In haar nieuwe atelier werkte Louise verder aan haar oeuvre. Haar werk heeft een vrouwelijke, soms ietwat dromerige toets en wordt geklasseerd onder het post-impressionisme en het realisme.

Pas in 1908, ze is dan al 41, huwde Louise De Hem met Frédéric Lebbe, een naar Brugge uitgeweken Ieperling die als ingenieur bij de spoorwegen werkte. Van dan af werd Louise De Hem minder productief als kunstenares. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze zich met haar man schuil in het bezet Brussel. Na de oorlog kon ze blijkbaar de moed niet meer opbrengen om haar artistiek werk verder te zetten. Ze stierf bijna onopgemerkt op 22 november 1922. Ze werd net geen 56 jaar oud.

Dankzij onder meer een milde schenking van Hélène De Hem, oudere zus van Louise, en daarnaast nog tal van giften en aankopen, verwierf het stedelijke museum van Ieper een uitgebreide openbare collectie, bestaande uit bijna 90 werken van Louise De Hem, waarvan ongeveer de helft permanent worden tentoongesteld in het Yper Museum.

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door jan Dewilde, uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein