BLOG

Een dorp ten voeten uit. (4/8)

We hadden onze hoop gevestigd op Sint-Cornelius, ervan overtuigd dat hij ons kon helpen bij onze wandelzoektocht in Machelen en met de moeilijke quizvragen die ermee gepaard gingen. Maar het bleek dat we aan de heilige man ook niet veel hadden.
We verlieten dan maar de kerk langs de pittoreske oude trap, achteraan het kerkhof en kwamen zo op het plein aan de Leie terecht, dat heel toepasselijk het Leieplein heet.

De kerk van Machelen is schilderachtig gelegen aan de Leie. Maar aan de waterkant stonden extra terrassen opgesteld om de plaatselijke horeca de kans te geven een centje bij te verdienen in deze moeilijke corona tijden.
Maar de terrassen stonden in de weg om een foto te nemen van de kerk aan het water. Daarom heb ik, ter illustratie, een foto uit mijn archief opgediept. De foto dateert van 2009 en nam ik op een mooie, maar frisse lenteochtend.

Maar die namiddag was het heerlijk wandelweer. Zo’n twintig graden en afwisselend bewolkt en zonnig. Heel wat anders dus dan de tropische temperaturen die we nu meemaken.
We hadden er zin in en we maakten zelfs een ommetje langsheen de andere kant van de kerkhofmuur, waar op een privaat terrein ernaast een molensteen stond.

Deze kant van de muur omheen het kerkhof lijkt minder oud, maar is toch ook al behoorlijk oud. Honderdtwintig jaar geleden schilderde Emile Claus op deze plek “de communicanten“.

We keerden terug naar het Leieplein omdat we daar nog een stukje van de fotopuzzel dachten te vinden. Er staat een huis waarvan de rolluiken bijna altijd naar beneden zijn. Ik denk zelfs dat het niet meer bewoond is. Het is nochtans een mooi huis, maar ik kon er verder geen informatie over vinden.
Ook voor wat de fotopuzzel betreft zaten we hier op een verkeerd spoor.

Op de hoek van het Leieplein met de Karperstraat stond een groot bord dat uitnodigde om deel te nemen aan de zomerzoektocht in het dorp. Da’s waar wij mee bezig waren. Het gedeelte van de zoektocht die voor kinderen is bestemd en waarbij langs het parcours allerlei verstopte stripfiguurtjes moeten worden gezocht, sloegen wij over. Veel te moeilijk voor ons.

(wordt vervolgd)

Een dorp ten voeten uit. (3/8)

Het Roger Raveelpad had ons langs de Leie, doorheen een klein bos, terug gebracht naar het dorpscentrum. Achter de bomen zagen we de kerk links van ons opdoemen. Mijn vrouw en ik hadden er al een gedeelte van de wandelzoektocht, die deze zomer in Machelen-aan-de-Leie wordt georganiseerd, opzitten. Maar er was nog een hele weg te gaan en er moest nog een en ander gepuzzeld worden.

Vlak voor de kerk werden we plots omgeleid langs een erg smal pad omheen de oude kerkhofmuur. We waren genoodzaakt om achter elkaar te blijven. Gelukkig kwamen er geen tegenliggers ons tegemoet.

Naar het einde toe werd het pad wat breder en de muur wat lager en hadden we een mooie kijk op de leibomen die aan de andere kant van de muur staan en op fraaie wijze de strook tussen de muur en de achterzijde van de kerk afzomen.

Zo liepen we in een halve cirkel omheen de kerk tot we uiteindelijk bij de ingang van het oude kerkhof kwamen.

Bij de ingang van het kerkhof staat een lijkenhuisje dat, voor zover ik weet, niet meer als dusdanig wordt gebruikt, maar wellicht dienst doet als opberghokje voor de mensen die de begraafplaats onderhouden.
Maar ik was er toch niet helemaal gerust in. Stel je voor dat dat deurtje plots open ging …

Wandelend op het kerkhof kwamen we bij de hoofdingang van de Sint-Corneliuskerk. Ooit was deze kerk een bedevaartsoord omdat hier de relieken worden bewaard van de heilige Cornelius. De broederschap of gilde van Sint-Cornelius en Ghislenus, die in Machelen reeds in 1423 werd opgericht, waakte over de relieken. Tot in de jaren ’20 van vorige eeuw kwamen pelgrims van heinde en ver naar hier om hulp af te smeken bij de heilige Cornelius tegen stuipen en vallende ziekten.

Hier moest één van de veertien quizvragen worden opgelost die bij de zoektocht horen. Er werd gevraagd wie de laatste onderpastoor was die in deze kerk dienst deed. Daar waar katholieke parochies nu nog amper een pastoor hebben, hadden ze vroeger niet alleen een pastoor, maar ook nog een onderpastoor.
Wij hadden geen idee wie die onderpastoor van Machelen kon zijn geweest of hoe we zijn naam te weten konden komen. Daarom gingen we eens piepen binnen in de kerk.

Sint-Cornelius kon ons niet helpen. Stuipen hadden wij nog niet, al kregen we die bijna na lang vruchteloos zoeken naar de naam van die dekselse onderpastoor. Of we het antwoord uiteindelijk hebben gevonden, zeg ik lekker niet.

(wordt vervolgd)

Binnenskamers.

Vorige week heeft het Museum van Deinze en de Leiestreek (Mudel) haar deuren opnieuw geopend voor een gloednieuwe tentoonstelling. Hoog tijd dus om weer een beetje reclame te maken voor “ons” museum.
De nieuwe tentoonstelling loopt onder de titel “‘Binnenskamers”. Dit thema werd reeds gekozen voor de uitbraak van het coronavirus maar heeft in deze tijden een bijzondere weerklank gekregen.
De tentoonstelling past in het kader van de zevende biënnale van de schilderkunst en wordt tezelfdertijd in drie verschillende Leiemusea georganiseerd, namelijk in het Mudel in Deinze, het Roger Raveelmuseum in Machelen aan de Leie en het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. De musea liggen op een kwartiertje fietsafstand van elkaar en kan je met eenzelfde toegangsticket bezoeken.

In het museum in Deinze zijn alvast heel mooie werken te zien en niet alleen van kunstenaars uit de Leiestreek. Zo zijn er onder meer schilderijen te bewonderen van drie belangrijke Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw : Jan Sluijters, Charley Toorop en Carel Willink. Daarnaast zijn enkele fijne schilderijen van Jan van Beers uit Lier mij ook opgevallen.
Bij de moderne kunst had ik vooral oog voor het verbluffend werk van de Russische kunstenares Olga Fedorova. Er hangt ook opvallend werk van enkele jonge Gentse kunstenaars, onder meer knappe composities van Bendt Eyckermans en erotische kunst van Joëlle Dubois.
Naast nog heel wat meer aanstormend talent zijn natuurlijk ook de oude Latemse klassiekers aanwezig, zoals Emile Claus en Léon De Smet.
Het is een zeer gevarieerde tentoonstelling, waarin iedere kunstliefhebber wel zijn gading zal vinden en die volledig corona-proof wordt georganiseerd. Het is overigens voor de medewerkers van het museum een huzarenstukje geweest om deze tentoonstelling in volle lockdown-periode tot stand te brengen.

Hieronder staan foto’s van enkele van de werken die momenteel in het Mudel te zien zijn. De foto’s zijn aanklikbaar om ze in een groter formaat te bekijken. Ik nam de foto’s vorige vrijdag losjes uit de hand met m’n smartphone, waardoor de kwaliteit niet altijd optimaal is.

Een dorp ten voeten uit. (2/8)

Mijn vrouw en ik waren de wandelzoektocht aan het doen die deze zomer in Machelen-aan-de-Leie wordt georganiseerd, waarbij mijn vrouw zich enkel hoefde te ontfermen over het routeplan, de bijhorende quiz-vragen en de fotopuzzel, terwijl ik al de rest deed. 🙂
We waren intussen bij de oude Leiearm aangekomen. Vandaar volgden we het “Roger Raveel wandelpad“, dat aan de overkant van het water terugliep in de richting van de dorpskern.

Het Roger Raveelpad volgt een tijdje de stroom, maar wijkt op een bepaald punt af en duikt een bosje in. Het is niet echt een bosje, maar een klein natuurgebied dat hier langs de oude Leiearm is gelegen en zijn voortbestaan dankt aan Roger Raveel, die destijds op zijn eigen wijze, toen ie in de jaren ’70 met z’n vlot de Leie af voer tot in Astene, de aandacht van de overheid trok op het belang en de waarde van de natuur aan de Leiemeanders. Zonder de inzet van Raveel liepen wij nu waarschijnlijk op een parking achter een rij appartementsblokken. Maar nu doken wij dus het bos in.
Volgens de routebeschrijving moesten we over een houten brugje, wat uiteindelijk slechts een houten loopplank bleek te zijn. Hier stroomt een klein beekje en dat bleek ook een deel van de fotopuzzel te zijn, die aan de zoektocht is gekoppeld. Wat hier moet worden gezocht, daarover kan ik niets zeggen natuurlijk.

Uiteindelijk kwamen op een verhard wandelpad dat ons naar de overzet bracht.

Dit veerpont aan de Leie bestaat uit een vlot dat vast hangt aan een dubbel touw. Door aan het bovenste touw te trekken haal je het vlot naar je toe. Met het onderste touw trek je het vlot en jezelf naar de overkant. Heel vindingrijk dus. Een reddingsboei staat klaar voor het geval je erin slaagt om het vlot halfweg de rivier te doen om kantelen. Aan de Leie is men op alles voorzien.

Wij bleven echter op het droge. Van hieruit zagen we opnieuw de kerktoren staan. Een groot deel van deze zoektocht draait gewoon omheen de kerktoren. Schrik om te verdwalen hoeft men dus niet te hebben.

Het bosje lieten we achter ons en het Raveelpad bracht ons wat verder langs een mooie villa met een prachtige tuin. In deze tuin stond weer iets dat deel uitmaakte van de fotopuzzel. Maar ook daarover kan ik niets verklappen. Snoodaards liggen op de loer.
Vanaf hier wandelen we een volgende keer weer verder.

(wordt vervolgd)

Een dorp ten voeten uit. (1/8)

Onder het corona-motto “beleef eens vakantie in je eigen buurt” organiseert men deze zomer in Machelen-aan-de-Leie een wandelzoektocht in eigen dorp. Ik woon in een aanpalende gemeente, maar kom wel regelmatig in Machelen omdat daar onze favoriete bakker, slager, kruidenier, krantenboer, apotheker, huisartsen en kinesisten wonen. Ik ken dus het dorp vrij goed en wou deze wandelzoektocht wel eens doen. Maar er moeten onderweg 14 aartsmoeilijke vragen worden beantwoord en bovendien een ingewikkelde fotopuzzel worden opgelost.
Ik ben niet zo’n puzzelaar. Daarom heb ik mijn vrouw meegenomen. Ikzelf zou wat kiekjes nemen onderweg, terwijl zij zich met de vragen en de fotopuzzel zou bezig houden, alles netjes zou noteren en tegelijk de te volgen routeaanduidingen op het routeplan in de gaten zou houden. Zo leken mij de taken mooi verdeeld. 😀

Het dorp lag er die namiddag wat dromerig en loom bij. Het was nochtans een lekker wandelweertje, hoewel de zon zich af en toe verstopte achter een grijs wolkendeken. Maar er waren ook mooie opklaringen, waardoor de foto’s afwisselend zonnig en soms wat minder zonnig zijn.
Wij vertrokken op het pleintje voor het oud gemeentehuis van Machelen, waar nu een ontmoetingscentrum is in ondergebracht. Op het pleintje staat een “zuil van Raveel“.

Via een daartegenover liggende parking bereikten we een smal wandelpad dat ons langs achtertuintjes meteen uit het dorpscentrum leidde, in de richting van de oude molen.

Algauw kwamen we bij de Hostensmolen, een molen uit 1835 die reeds sinds 1904 geen wieken en geen molenrad meer heeft. Dat de molen ooit wieken heeft gehad bewijst deze stokoude postkaart.

De oude molen staat al geruime tijd te verkommeren. Uiteindelijk zouden er dan toch plannen uitgetekend zijn om het gebouw te renoveren. Geen idee wat men met de molen van plan is. De molen is weliswaar beschermd als monument, maar wieken zal hij waarschijnlijk nooit meer krijgen.

We weken wat van de uitgestippelde route af om bij het atelier van Roger Raveel een kijkje te nemen. Zoals ieder Leiedorp is ook Machelen-aan-de-Leie een kunstenaarsdorp. Maar geen enkele kunstschilder heeft zo z’n stempel op dit dorp gedrukt, als Roger Raveel. Hij was hier geboren en getogen en stierf hier in 2013.
Het atelier is te bezoeken op afspraak.

Via een smalle doorgang naast het kunstenaarsatelier bereikten we terug het open veld en lieten we algauw de dorpskern een eind achter ons.

Zo bereikten we de brug over de oude Leiearm. Mijn vrouw had intussen al enkele vragen weten op te lossen en enkele onderdelen van de fotopuzzel kunnen plaatsen. Hier kan ik niet verder op ingaan natuurlijk, want de zoektocht loopt nog steeds en misschien zijn er deelnemers met snode plannen, die hier komen lezen en zo mogelijks met de antwoorden zouden gaan lopen waarvoor ik zo hard heb moeten zwoegen. 😉

(wordt vervolgd)

De Lange Max. (4/4)

Van het terrein waar zich de geschutsbedding van de Lange Max bevond, keerden we langs dezelfde weg terug naar het centrale plein van de site. Het eerste gebouw, waar je langs komt op de site is een nieuw gebouwd huis, waarin zich een infostand bevindt en waar je tickets kan kopen.

Maar wat meteen opvalt is het “bakhuisje” dat ernaast staat. Dit bakhuisje, dat mooi gerestaureerd is, stond hier reeds toen de Duitse troepen zich hier hadden verzameld rond hun superkanon, en maakte ooit deel uit van een boerderijtje dat door de Duitsers in beslag was genomen. Een idyllisch huisje, dat midden de Vlaamse velden stond… tweehonderd meter verderop bulderde het kanon.

We wandelden even omheen het huisje. Aan de en zijkant bevond zich de deur van het kleinste kamertje, dat indertijd wellicht enkel door de hogere officieren mocht worden gebruikt.

Binnenin ziet de bakplaats, waar zich de oven bevindt, er nog steeds hetzelfde uit als toen. In deze oven hebben Duitse soldaten hun brood gebakken.

Achter de bakplaats was destijds een kleine koeienstal. De dieren in de stal konden in de winter mee profiteren van de warmte van de bakoven.
De koeienstal was nu omgebouwd tot een mini-bioscoopzaaltje. Daar speelde doorlopend een kort filmpje waarin in een notendop de historie van de Lange Max uiteen werd gezet.

Rechts van het bakhuisje stond een grote schuur. Slechts een deel ervan is nog origineel. Ernaast stond een sculptuur in knalrood metaal van Gerrit Germonpré, dezelfde kunstenaar van wie we daarvoor bij de geschutsbedding ook al werken hadden gezien.
In deze schuur bevond zich het eigenlijke museum.

Het museum is niet bijzonder groot, maar wel heel interessant. Het vertelt het verhaal over de Lange Max en belicht daarbij vooral de Duitse kant van de Eerste Wereldoorlog. Alles wordt geïllustreerd met prachtige uitvergrote foto’s en interactieve computerschermen. Er is eveneens een schaalmodel van de Lange Max nagebouwd.

Toen het Duitse leger in oktober 1918 op de vlucht moest slaan voor het Belgische en Franse eindoffensief, hebben ze nog zelf geprobeerd om het kanon te vernietigen, alvorens te vertrekken. Ze lieten de loop zakken en vuurden een granaat af op de metersdikke betonnen omwalling in de hoop dat het kanon hierdoor zou imploderen. Maar de granaat sloeg enkel een bres in het beton. Het kanon zelf bleef intact.
Na de oorlog werd het kanon een studieobject voor Franse, Britse en Amerikaanse artillerie specialisten. Tijdens het interbellum werd de Lange Max zelfs een toeristische bezienswaardigheid.
Maar in 1940 vielen de Duitsers opnieuw ons land binnen, namen het kanon in beslag en voerden het terug naar Duitsland om het aldaar te ontmantelen en te recycleren tot nieuw oorlogstuig.

Het was een boeiend bezoek aan deze Lange Max site. Een museum dat er kwam op initiatief van, en gerund wordt door enkele enthousiaste vrijwilligers, in samenwerking met archeologische kringen uit de streek en met het geld van enkele welgestelde sponsors.
Wij vonden dat het echt wel de moeite loont om voor dit museum naar het verre West-Vlaanderen te komen. Hoedje af voor wat de vrijwilligers hier voor mekaar hebben gekregen.

We dronken achteraf nog een koffie in de cafétaria. Doordat we ’s middags ons buikje hadden rond gegeten, hadden we nog geen trek in pannenkoeken of andere lekkernijen.
We verlieten de Lange Max site met een goed gevoel. Nu kwam het er alleen nog op aan om de juiste weg terug naar huis te vinden.

De Lange Max. (3/4)

Hier had het kanon dus gestaan. Een enorm tuig, het grootste kanon dat ooit is gezien. Het onding schoot reeds in de Eerste Wereldoorlog precies gerichte granaten vijftig kilometer ver. Deze gigantische betonnen krater, waarin het kanon destijds was verankerd, getuigt nog van de aanwezigheid van dit monster, dat met oorverdovend gebulder ooit dood en vernieling zaaide.

Toen de Eerste Wereldoorlog helemaal vast zat in de loopgrachten aan de Ijzer en de Somme, werd langeafstandsgeschut voor de oorlogvoerende partijen alsmaar belangrijker. De Britten deden dat vanop hun fregatten op de Noordzee, de Fransen installeerden hun zwaar geschut op spoorwegwagons. Maar de Duitsers opteerden voor het plaatsen van super artilleriegeschut, achter het front op een vaste positie. Daarom bouwde het Duitse leger, hier in Koekelare, hun gevreesde “Lange Max”.

Het kanon loste op 27 juni 1917 zijn eerste schot en al meteen werd het casino van Malo-les-Bains in Frankrijk zwaar geraakt. Er vielen elf doden. Later zou het kanon nog voor enorme verwoestingen zorgen in onder meer Duinkerke, Poperinge, Veurne en Koksijde. De geallieerden zijn er in de oorlogsjaren nooit in geslaagd om het kanon uit te schakelen.

We wandelden omheen de immense geschutsbedding. Een gruwelijke put. Op een tiental meter afstand er om heen stonden diverse infoborden opgesteld met uitleg over wat er zich hier allemaal heeft afgespeeld.

Wat verderop in het veld stond een herdenkingsmonument. Het werk heet “Bloemen tegen het vergeten” en stelt een kapotte obus voor waarin vergeet-mij-nietjes zijn gezet.

(wordt vervolgd)

De Lange Max. (2/4)

We waren in Leugenboom, een gehucht dat bij de gemeente Koekelare hoort, en we waren de weg kwijt. We wisten niet meer welke kant we uit moesten. Aan de bomen hoef je het in Leugenboom niet te vragen, natuurlijk.
We sakkerden verder langs de smalle wegjes die zich tussen de West-Vlaamse velden kronkelden. Maar plots zagen we, geheel onverwacht, langs de kant van de weg een onopvallend bordje staan die de richting aanwees naar het Lange Max Museum. En ja hoor, even later reden we door een smeedijzeren hek (dat gelukkig open stond) de parking van het museum op.

Oef ! Wat we al lang niet meer hadden durven hopen, was toch gebeurd : we hadden onze bestemming bereikt. Intussen was het al voorbij het middaguur. We waren reeds van ’s ochtends op pad en we hadden honger gekregen. Gelukkig vonden wij wat verder op de parking een fraaie cafetaria, waar we vriendelijk en volkomen corona-proof werden onthaald en waar we voor een democratische prijs van een stevige en super lekkere maaltijd konden genieten.

Daarna gingen we op pad om de site te verkennen. Het museum zelf ging pas open om twee uur, dus hadden we nog even tijd om wat rond te wandelen.
De weg naar de plaats waar de bedding zich bevindt, waarin ooit de Lange Max had gestaan, bleek tussen twee hoge hagen te lopen. Er stond niemand op wacht, dus hadden we vrije doorgang.

Zo kwamen we op een open terrein terecht, waar we aan de rand ervan, ietwat verscholen onder de bomen, een mini-versie van de Lange Max zagen staan.

Bij de toegang naar het terrein stond nog een gehavend wachthuisje, ditmaal opgetrokken uit beton. Geen idee of het een origineel wachthuisje uit W.O.I was.
Daar omheen waren diverse kunstwerken opgesteld van de uit Koekelare afkomstige en in 2017 overleden kunstenaar Gerrit Germonpré.

Vanonder een hoge boom keek een bankje uit over het terrein.

We liepen verder het veld op en plotseling stond wij voor een immens grote put.

(wordt vervolgd)

De Lange Max. (1/4)

Wij, mijn vrouw en ik, bevonden ons anderhalve week geleden ergens in het hartje van West-Vlaanderen, tussen de licht glooiende velden. Dikke wolken hingen dreigend boven ons hoofd. Onze GPS was het noorden kwijt en wij ook. We waren op zoek naar de Lange Max maar die was niet te vinden.
Jullie vragen zich misschien af wie lange Max is ? Lange Max was een kanon. Niet zomaar een kanon, maar een superkanon van het Duitse leger dat tijdens de Eerste Wereldoorlog vanuit de Westhoek projectielen afschoot tot in Duinkerke. Maar Lange Max bestaat niet meer. Al heel lang niet meer, het kanon werd ontmanteld in 1942.
Dan vragen jullie zich misschien af waarom wij, ergens in the middle of nowhere, op zoek waren naar een kanon dat niet meer bestaat ? Maar wij waren niet op zoek naar dat kanon. We waren op zoek naar het Museum De Lange Max. Dat museum staat ergens in de West-Vlaamse velden, nabij de plek waar dat kanon ooit was opgesteld. Dat was in de buurt van het dorp Koekelare, in een gehucht dat luistert naar de naam Leugenboom.
De bomen vertellen hier misschien leugens, maar niet het museum. Integendeel, ons leek het een bijzonder interessant museum om te bezoeken… als je het kan vinden.
Maar wij stonden vooralsnog in Koekelare te koekeloeren.

Dit korte filmpje hadden wij toen nog niet gezien. Het had ons misschien wat wijzer kunnen maken. Of net niet…

Wordt vervolgd.

De kunst van het drukken.

Deel 1 / Het prille begin

Reeds van bij het prilste begin van de beschaving hebben mensen ernaar gestreefd om ideeën te verspreiden via teksten en afbeeldingen. Van zodra het perkament was uitgevonden (ca. 200 v.Ch.) werd het kunstig beschreven.
In onze contreien waren het vooral monniken die boeken schreven in sierlijke letters, verlucht met prachtige miniaturen. Ieder bladzijde van het boek vormde een kunstwerk op zich. Het waren in den beginne haast uitsluitend Bijbelse teksten en getijdenboeken die werden vervaardigd in opdracht van de machtigen en rijken der aarde. Monniken werkten soms jarenlang aan één boek. De kunst van het boekbinden hadden zij ook al onder de knie. Hun monnikenwerk was bewonderenswaardig maar ook extreem tijdrovend.

Getijdenboek ca.1420

Het probleem met deze manuscripten was ook dat er van elk boek slechts één uniek exemplaar bestond. Reeds lang zocht men naar een manier om beschreven perkament te vermenigvuldigen.
In het oude China was omstreeks het jaar 750 een kunstvorm ontstaan, waarbij men uit een blok hout letters en afbeeldingen in spiegelbeeld kerfde. Het te drukken geheel werd in één keer uit het blok gesneden. Door inkt op de uitgesneden gedeelten aan te brengen en er een vel papier (dat toen in China reeds was uitgevonden) tegenaan te wrijven, verkreeg men een afdruk van de houtsnede. Het oudste bekende boek dat op deze manier werd vervaardigd heet de diamantsutra en werd in China omstreeks het jaar 868 vervaardigd. Het wordt nog steeds bewaard in het Britisch Museum in Londen.
Omstreeks het jaar 1050 zouden er in China reeds drukpersen hebben bestaan waarmee speelkaarten werden gedrukt.

Een bladzijde uit de diamantsutra (868) / ernaast een middeleeuwse blokdruk houtsnede met de bijhorende afdruk

De oude Chinese techniek, die ook wel eens “blokdruk” wordt genoemd, was eerder een “stempeltechniek” dan een “druktechniek” en het uitkerven in spiegelbeeld van tekst in hout was nog tijdrovender en moeilijker dan het rechtstreeks schrijven op papier. De techniek van de houtsnede is wel als kunstvorm blijven bestaan tot op de dag van vandaag.
Maar omstreeks het jaar 1040 was er een Chinese ambachtsman, Bi Sheng genaamd, die op een mooie dag op het lumineuze idee kwam om aparte letters in spiegelbeeld te gaan uitsnijden in kleinere houten blokjes en deze dan samen te voegen tot een volledige tekst. De letters konden telkens worden hergebruikt voor andere teksten. Bi Sheng heeft tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit de eer ervoor mogen opstrijken, maar hij kan wel worden beschouwd als de uitvinder van het ambacht der letterzetters.

Pas in de 14 de en de eerste helft van de 15 de eeuw waaide het drukken met losse houten letters over naar Europa. Algauw werden in Europa ook de eerste drukpersen in elkaar geknutseld. Daarmee moest men met de hand een hefboom op een schroef overhalen om zo via een degel of drukijzer de drukvorm tegen het papier te persen. Het papier was op voorhand vastgeklemd en de drukvorm werd door middel van tampons met inkt ingestreken.
Maar deze techniek was niet erg populair in de middeleeuwen en er werden algauw weer boeken met de hand geschreven.
De reden daarvoor was dat de letters in hout niet erg duurzaam waren. Er werd een vrij zachte houtsoort gebruikt om het uitsnijden van de letters mogelijk te maken. Maar na enkele malen onder de pers te hebben gelegen, waren de letters plat gedrukt en vervormd. Er moesten dus regelmatig nieuwe letters worden uitgekerfd en dat nam dan alweer veel tijd in beslag. Met andere woorden, het hele systeem was voor verbetering vatbaar.
Die verbetering werd in Duitsland, in het jaar 1439, bedacht door ene Johannes Gutenberg. Maar daar heb ik het een volgende keer over.


In het Industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : een houten en gietijzeren handpers. Beide handpersen dateren uit de 19de eeuw (1825 – 1850).
Gedurende 400 jaar waren handpersen de enige persen waarmee kon worden gewerkt. Blad per blad werd het papier handmatig op de drukvorm gelegd. Door een hefboom op schroef om te halen kwam de degel vertikaal op het papier neer.
Het tegengewicht op de gietijzeren pers is versierd met het embleem van Waterloo.

De oudst bewaarde drukpersen te wereld zijn te bewonderen in het prachtige Museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

Bronnen :
Industriemuseum Gent
Erfgoedinzicht
Illustraties : Wikipedia (publiek domein) / Pixabay (rechtenvrij)

Back to my roots.

We keren nog even terug naar het Industriemuseum in Gent. Het was vooral de afdeling “Grafische technieken” van het museum die er onze bijzondere aandacht kreeg.
In de historische drukkerij van het Industriemuseum werd ik als het ware veertig jaar terug in de tijd geflitst. Ik gaf uitleg aan mijn metgezellen over alles wat er te zien was en haalde herinneringen op aan vervlogen tijden.

Beroepshalve heb ik 40 jaar van mijn leven doorgebracht in de wereld van de grafische technieken en kunsten. Toen ik nog studeerde leerden we nog over de oude methodes, waarbij er nog werd gewerkt met uit lood gegoten letters, typografie genaamd. Een techniek die ik in het begin van mijn loopbaan nog zelf in de praktijk heb toegepast. Maar ook de nieuwste ontwikkelingen van de moderne offset-druk kwamen in mijn studietijd reeds aan bod. Ik was amper afgestudeerd toen de “offset” voor een enorme omwenteling zorgde in de grafische sector. De typografie was in het huwelijksbootje gestapt met de fotografie en werd voortaan de reprografie.
Nog later was het de digitalisering die in een mum van tijd de hele drukkerswereld op z’n kop zette. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt.

Foto : ©Industriemuseum Gent

Nu dacht ik zo bij mezelf, ik ben al meer dan vijftien aan het bloggen en heb het op mijn blog haast nooit gehad over het beroep dat ik zovele jaren heb uitgeoefend. Nu ik al twee jaar met pensioen ben is het misschien tijd om daar eens iets meer over te gaan schrijven.
Daarom heb ik het vermetel plan opgevat om vanaf nu, ongeveer om de maand, een artikeltje op deze blog te posten over de geschiedenis van de drukkunst, aangevuld met persoonlijke anekdotes uit mijn beroepsleven.
Het eerste artikel komt er vrijdag al aan. Daarin zal ik het hebben over het prille begin van de drukkunst toen Bi Sheng, een Chinees die leefde in de elfde eeuw, plots op een mooie dag in het jaar 1040 een lumineus idee kreeg.

Een warm weerzien.

smart

Na bijna vier maanden afwezigheid ben ik gisteren namiddag voor het eerst terug in ons museum geweest.
En of het me deugd heeft gedaan ! Het was een hartelijk en warm weerzien met iedereen die ik al die tijd heb moeten missen. Het deed me echt wel wat om terug op “den bureau” te komen. Het voelde een beetje als thuiskomen. Er was helaas ook minder goed nieuws. Twee medewerksters zullen weldra het museum definitief verlaten om andere horizonten te gaan verkennen. Zij zullen er weliswaar nog af en toe over de vloer komen, maar mede door dit nieuws werd het toch een beetje een emotionele namiddag.

Ik maakte ook van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling van de glaskunst van Jan Leenknegt te gaan bekijken en met m’n smartphone enkele kiekjes te nemen.
Wie deze tentoonstelling of de tentoonstelling “design op wielen” nog wil bezoeken in het Mudel moet zich reppen, want dit weekend is het laatste weekend dat de tentoonstellingen lopen. Virtueel zijn ze nog wel een tijdje toegankelijk, onder meer door in de rechterkolom van deze blog even te klikken op de betreffende links.

De komende weken wordt in het museum alles afgebroken en volgt de opbouw van de volgende tentoonstelling. Eenmaal dat achter de rug, kan ik mijn werkzaamheden aan het fotoarchief van het museum hervatten. Ten laatste rond half augustus kan ik er weer aan de slag als vrijwilliger. Tenminste als corona niet weer roet in het eten komt gooien.