BLOG

De prik.

Gisteren kreeg ik mijn eerste prik met het Pfizer-vaccin. Ik heb er nauwelijks iets van gevoeld. Het verliep allemaal vlotjes en zonder ongemakken. Hoedje af voor de talrijke vrijwilligers die meehelpen in het vaccinatiecentrum om alles in goede banen te leiden.
Nu ik de prik heb gehad geeft het een geruststellend gevoel en komt er eindelijk wat licht aan het eind van de tunnel. Zo kan ik op 25 mei weer aan de slag als vrijwilliger in het museum en dat is iets waar ik heel erg naar uitkijk.
De vaccinatie campagne draait nu in ons land op volle toeren. Hopelijk komt iedereen zo vlug mogelijk aan de beurt zodat we dat vreselijke covid-virus eindelijk een hak kunnen zetten en we allemaal kunnen terugkeren naar een veilig en normaal leven.

Ierse en Britse Memorials in de Westhoek.

Omdat we nog niet meteen zin hadden om naar huis te gaan, waren we vanaf de Rijselpoort in Ieper richting Sint-Elooi en Wijtschate gereden. We zetten verder koers naar het dorpje Mesen.

We bevonden ons in het meest westelijke puntje, onderaan onze landkaart, vlakbij de Franse grens.

In Mesen hielden we halt bij de “Ierse Vredespark”, waar de Ierse toren staat. De toren herbergt de ‘war memorial books’ van John French (1922), waarin de namen staan van circa 49.000 Ierse mannen die stierven tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De 30,5 meter hoge toren is ontworpen naar het voorbeeld van de traditionele Ierse round tower. In Ierland staan tal van deze ronde Keltische torens, alleen zijn de torens aldaar minstens duizend jaar ouder dan deze in Mesen.

De toren heeft een diameter van 6,3 m en heeft een kegelvormig dak. De stenen die werden gebruikt om de buitenkant van de toren te bekleden bestaat grotendeels uit Ierse breuksteen.
Het ontwerp heeft een uniek aspect dat ervoor zorgt dat de zon het interieur alleen verlicht op het 11de uur van de 11de dag van de 11de maand, de verjaardag van de wapenstilstand die de oorlog beëindigde.

Het Vredespark verwijst ook naar de bloederige Mijnenslag van Mesen in 1917. Toen streden katholieke en protestantse Ierse soldaten hier zij aan zij. Jongeren uit Ierland bouwden mee aan de toren, als teken van vrede en verzoening. Deze site biedt een prachtig zicht op het omliggende heuvelachtige landschap. Het Iers karakter van deze site wordt nog eens beklemtoond door de keltische opschriften op de buitenmuren.

De toren werd ingehuldigd op 11 november 1998 door president Mary McAleese van Ierland, koningin Elizabeth II van het Verenigd Koninkrijk en koning Albert II van België.

Van Mesen reden we nog vijf kilometer verder naar het dorp “Ploegsteert”, dat vooral bekend is in de wereld van het wielrennen. Het parcours van de wedstrijd Gent-Wevelgem gaat voor een stuk over de befaamde “plugstreets” en Ploegsteert is ook het geboortedorp van de legendarische, maar tragische wielrenner Frank Vandenbroucke.
Wij hielden hier even halt bij het “Ploegsteert Memorial”. We parkeerden de auto naast een gezellig authentiek caféetje waar we enkele jaren geleden al eens hadden vertoefd, maar dat nu potdicht was vanwege covid.

Het Ploegsteert Memorial is een Brits oorlogsmonument. Het is opgetrokken op de Britse militaire begraafplaats Berks Cemetery Extension, net ten noorden van het dorpscentrum. Het monument herdenkt 11.390 Britse militairen die in deze omgeving sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar geen gekend graf hebben. Binnenin het cirkelvormig gebouw bevinden zich panelen waarin de namen van de gesneuvelden zijn gegraveerd.
Twee stenen leeuwen bewaken deze indrukwekkende herdenkingsplaats. Het Memorial werd ingehuldigd op 7 juni 1931 door Leopold III.

Net voorbij Ploegsteert kon je de grens over met Frankrijk, maar wij maakten rechtsomkeer en reden in plaats daarvan in de richting van Kortrijk en vandaar, via de autostrade, terug naar huis.

Ieperse vestingen. (3/3)

Op onze vroege, maar uitzonderlijk warme lentewandeling op de Ieperse vestingen, waren we aangekomen bij een “oreillon“. Volgens een info-bord dat hier stond opgesteld is een oreillon een oorlelvormige uitbouw van een militaire versterking of bastion.
De Franse terminologie voor verdedigingsbouwwerken dateert wellicht uit de 17e eeuw toen Sébastien Vauban, bouwkundige onder Lodewijk XIV, deze versterking rond de stad Ieper ontwierp en liet bouwen.

Honderd meter verderop ontwaarden we de Poternebrug, een brug voor voetgangers langs waar men de vestinggracht kan oversteken naar het Hoornwerkpark aan de overkant.

Wij bleven echter aan deze kant van het water en zetten onze wandeling verder bovenop de vesting tot we bij een tweede oreillon kwamen. Hier konden we via een trap binnenin de vestingmuur naar beneden afdalen.

Mijn vrouw had wat last van haar pijnlijke heup, terwijl mijn kaduke rug zich tamelijk gedeisd hield die dag. Daarom daalde ik alleen de trappen af, terwijl mijn vrouw boven bleef en op een bankje wat uitrustte.

Eenmaal beneden kon ik via een loopbrug een tenaille bereiken, da’s een eilandje in de vestinggracht. Tja, al die Franse benamingen heb ik ook maar afgelezen van ons routeplan en van de infoborden.

Toen ik terug boven water kwam verlieten we de vestingen via een wandelpad dat ons naar de andere kant van de omwallingsmuur brachten. Achter de huizenrij pronkte de toren van de Sint-Jacobskerk.

Onderweg passeerden we nog een gesloten toegang tot één van de vijf kazematten in de vestingmuur. De Kazematten waren oorspronkelijk gebouwd als schuttersposten. In de Eerste Wereldoorlog boden ze echter bescherming aan de Ieperse bevolking en deden ze dienst als schuilkelders en hulpposten.
In de gerestaureerde kazematten is thans een ontmoetingscentrum, een brasserie en zelfs een brouwerij ondergebracht. Helaas was in deze corona-tijden alles potdicht.

We keerden terug naar de Rijselpoort, waar we onze wandeling waren begonnen. Bovenop de poort hadden we een mooi zicht op de Rijsselseweg, een weg die naar Frankrijk leidt.

Dat bracht ons op een idee. We hadden nog geen zin om meteen naar huis te rijden en besloten om een ommetje te maken tot aan het uiterste puntje van de Westhoek, om dan rakelings langs de grens met Frankrijk rechtsomkeer te maken. Zo zouden we een streek doorkruisen die vooral gekenmerkt wordt door het oorlogsverleden van 14-18.
Daarover maak ik volgende keer een apart logje.

Ieperse vestingen. (2/3)

Op de laatste en uitzonderlijk warme dag van maart waren we op wandel langs de vestingen in Ieper. Daar staan, langsheen de vestingsgracht, een lange rij treurwilgen met hun voeten in het water.

Men noemt de bomen treurwilgen, maar ik vind er niets treurig aan. Zeker niet op deze mooie lentedag, toen ze hun frisgroene blaadjes als een gordijn over de waterkant spreidden.

Sommige bomen stonden echt wel letterlijk met hun voeten in het water.

Omheen de vestingmuren is een mooi park aangelegd, waar ons wandelpad zich in alle richtingen opsplitste.

Aan de rand van het park zagen we deze merkwaardig geknotte boom. Een reusachtige boom die veel weg had van een modern kunstwerk.

Wat verder bracht ons pad ons tot bij het eerste “oreillon”.

(wordt vervolgd)

Ieperse vestingen (1/3).

Het was de laatste dag van de maand maart en het was uitzonderlijk warm. De thermometer haalde met gemak 25 graden. Amper een week later zou het terug vriezen en zelfs sneeuwen, maar die dag werden alle warmterecords alweer verbroken.
We bevonden ons op de Grote Markt van Ieper, waar de fonteinen zo vroeg op het jaar al voor wat verfrissing moesten zorgen.

We hadden op de radio gehoord dat het bijzonder druk was aan de kust en in steden zoals Brugge, Gent en Brussel. Maar hier lag de zonovergoten Grote Markt er rustig en virus-veilig bij.

De toren van de majestueuze Lakenhallen is aan renovatie toe en stond in de steigers.

Van de Grote Markt kuierden we via de Rijselstraat tot aan de Rijselpoort.

De Rijselpoort werd reeds in 1384 gebouwd onder Filips de Stoute, de eerste hertog van Bourgondië. Oorspronkelijk werd de poort geflankeerd door twee ronde torens. Het is de enige stadspoort uit de 14e eeuw die Ieper nog rest. De poort werd in de loop der eeuwen herhaalde malen verbouwd en werd tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd.

Bovenop de poort heeft men een mooi uitzicht op de vestingen en de vestinggrachten van Ieper. In Vlaanderen, waar door de eeuwen heen heel wat oorlogen zijn uitgevochten, zijn niet zoveel vestingen en stadswallen bewaard gebleven. Vreemd genoeg is dat in Ieper wel het geval, hoewel de stad tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig met de grond werd gelijk gemaakt.

Tussen 1388 en 1409 werd in Ieper deze omwalling opgetrokken. De oorspronkelijk aarden wal werden aangevuld met een acht meter hoge bakstenen muur, omgeven door een 40-tal torens en tien stadspoorten.
Vanaf 1678 liet de Franse bouwkundige Vauban de omwalling gedeeltelijke slopen en vervangen door een gebastioneerde muur. Vanaf 1683 werd de vestinggracht aangebracht. In 1815 werd Ieper een laatste keer militair versterkt, Pas in 1853 werd door de Belgische regering beslist om de vesting te ontmantelen. Torens en poorten verdwenen, maar de versterkte omwalling bleef zelfs na twee wereldoorlogen grotendeels overeind.

Vanop de Rijselpoort liepen we de vestigen op tot aan Brits militair kerkhof. Zoals op de zovele militaire kerkhoven in deze streek, liggen ook hier tientallen jonge mannen begraven die ver van huis sneuvelden tijdens “den grooten oorlog”.

Vandaar volgden we verder het wandelpad langs de vestinggracht. Het plaatje klopte niet. Het was echt zomers warm, we hadden onze truien al lang uitgetrokken, maar de bomen stonden nog bladerloos in hun wintertenue. Schaduwrijk waren ze dus niet.

Wat verder kwamen we bij de restanten van de Leeuwentoren, iets wat ons eerst een gevaarlijk uitziende put leek, waar je vooral niet wilde in vallen.

De oorspronkelijke Bourgondische toren uit de 14e eeuw werd in de Franse tijd, aan het einde van de 18e eeuw, verlaagd en omgebouwd tot een geschutsplatform waar, tussen de twee en een halve meter dikke muren, kanonnen werden geplaatst.

Een tunnelgang verbond de toren met de binnenstad. Maar die tunnel is niet meer toegankelijk.

Van hier zetten we onze gemoedelijke lentetocht verder langs de uitgestrekte vestinggracht.

(wordt vervolgd)

De kunst van het drukken / 10

Wat vooraf ging

Deel 10 / Degels en cilinders

Met de komst van de regelzetmachine en het rastercliché was in de 19e eeuw de vooruitgang in de letterzetterijen er reeds flink op vooruit gegaan. Ook de drukpersen maakten in de loop der eeuwen een hele evolutie door.
De allereerste persen werden manueel aangedreven, op louter man- en spierkracht, waarbij een degel met de geïnkte drukvorm door middel van een hefboom op een schroef tegen het papier werd gedrukt.

Later kwamen de trapdegels, waarbij de draaibeweging van een wiel, de degel dicht liet klappen en zo het papier tegen de drukvorm perste. Deze persen werden vaak via een voetpedaal bediend.

Nog later kwamen de cilinderpersen, waarbij het papier op een roterende cilinder werd geklemd. Het zetsel bevond zich in een raam onder de cilinder. Via een vliegwiel ging de cilinder over en weer en draaide daarbij ook om z’n eigen as.
De automatische inktbak was eveneens een innoverende nieuwigheid. Via een “likrol” werd een streepje inkt op een inkttafel gelegd en daarna via een “verdeelrol” gelijkmatig verdeeld. De inkt werd vervolgens overgezet op drie andere inktrollen die uiteindelijk het zetsel inkten. Dit mechanisme zorgde voor een enorme vooruitgang in de druktechniek.

Toen kwam ook de stoommachine eraan te pas die voor de aandrijving zorgde en daarna kwam de elektriciteit. In de loop der tijden werden heel wat druksystemen uitgedokterd, de één al wat complexer dan de andere. Het zou ons veel te ver leiden om op al deze verschillende technieken in te gaan. Illustraties uit de 19e eeuw tonen een overzicht van wat er zoal aan drukpersen werd ineen geknutseld.

Het basisprincipe bij al deze technieken bleef steeds hetzelfde : het te bedrukken papier werd op een of andere manier tegen een geïnkt loden zetsel aangedrukt. Dit principe zou stand houden tot in de jaren ’70 van vorige eeuw. Pas met de komst van het “offset-methode” en de “reprografie” zouden deze machines, samen met de loden letters, definitief naar de musea verhuizen.

Wat drukpersen betreft is er één naam die klinkt als muziek in de oren van elke drukker. Het is de naam van een Duitse stad, in de deelstaat Baden-Württemberg, maar bovendien de naam van een iconisch drukpersenmerk : Heidelberg, de populairste onder alle drukpersen.
Volgende keer vertel ik daar wat meer over.


In het Industriemuseum van Gent

Bij een bezoek aan het Industriemuseum in Gent nam ik enkele foto’s van oude degel- en cilinderpersen.


Geraadpleegde bron : Industriemuseum Gent
Illustraties : Industriemuseum Gent
WikiCommons (publiek domein)