In de ban van de hertogin / 5

In Brugge

Het was op een prachtige zomerdag dat wij in Brugge aankwamen. De zon scheen uitbundig aan de blauwe hemel en deed weinig moeite om zich te verstoppen achter enkele onschuldige wolken.

De dag ervoor waren wij in het bos van Wijnendale geweest, waar op 13 maart 1482 Maria van Bourgondië, samen met haar paard op ongelukkige wijze ten val kwam, waardoor het dier bovenop haar terecht kwam. Levensgevaarlijk gewond werd Maria in allerijl naar Brugge werd gebracht, naar haar residentie in het Brugse Prinsenhof (niet te verwarren met het Prinsenhof van Gent).
Zo zag het Prinsenhof van Brugge er toen uit.

Het Prinsenhof in Brugge in de 15e eeuw. Afbeelding uit de Flandria Illustrata van Antonius Sanderius (1641)

Het was op een kille winterdag dat Maria van Bourgondië, lijkbleek en kermend van de pijn, op een draagbed dat tussen twee paarden was gespannen, het Prinsenhof werd binnengebracht. Ze werd door haar paniekerig entourage onmiddellijk naar haar privé-vertrekken gedragen en in bed gelegd. Een geneesheer werd erbij geroepen, maar die kon met zijn gebrekkige kennis en middelen alleen maar vaststellen dat Maria onnoemelijk veel pijn had.
Nonnetjes uit een naburig klooster en een deel van haar hofhouding verzamelden zich rond haar bed en begonnen te bidden voor haar heil en genezing.

Wij gingen niet naar het Prinsenhof omdat het Prinsenhof in Brugge niet meer bestaat. Op de plaats waar ooit het Prinsenhof stond staat nu een viersterrenhotel Dukes’ Palace, dat verder niets meer met Maria van Bourgondië te maken heeft.
In de zomer van 2019 maakt ik met m’n vrouw een avondlijke wandeling in Brugge en ik heb toen toevallig een foto van het hotel gemaakt.

Maar die dag wandelden wij in de richting van het Gruuthusemuseum en het Arentshuis. Op het pleintje achter het Gruuthusemuseum hoeft men, net zoals op veel plaatsen in Brugge, geen moeite te doen om zich in de middeleeuwen te wanen.

We gingen ook een kijkje nemen op het brugje aan Oud Sint-Jan, het middeleeuws hospitaal. Het kleine gebouwtje met het kapje, in de hoek, was het lijkenhuisje. Hier werden in de middeleeuwen de lijken met een bootje afgehaald en naar de begraafplaats gebracht.
Tegenwoordig doet hospitaal Oud Sint-Jan dienst als congrescentrum.

Naast het Gruuthusemuseum staat de enorme toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Met z’n 115 meter is het het de op één na hoogste bakstenen toren ter wereld. De Onze-Lieve-Vrouwekerk was onze feitelijke bestemming van die dag. Want in deze kerk is Maria van Bourgondië nog steeds aanwezig.

(wordt vervolgd)

In de ban van de hertogin / 4

De boskapel

Wij bevonden ons in het bos van Wijnendale, net zoals Maria van Bourgondië en haar gevolg deden op die bewuste 13e maart 1482. Wij waren niet op jacht en reden ook niet te paard, zoals zij, maar stapten gewoon te voet door de lange dreven tussen stoere, oude zomereiken. De wandelpaden die het bos doorkruisen waren breed en geasfalteerd, maar het ruiterpad dat Maria destijds volgde lag er wellicht lang niet zo geëffend bij.

We wandelden een eind het bos in en na een hele tijd, toen we weer dichter in de buurt van het kasteel waren, kwamen we voorbij een begroeide heuvel, waaronder zich een ijskelder bevond. Een uitgesleten trap leidde naar de toegang tot de ijskelder.
Ik kreeg het ongelukkig idee om de trap te beklauteren. Dat had ik beter niet gedaan. De treden van de trap lagen wel een halve meter uit elkaar, waren glibberig en helden af naar beneden. Bovendien was de trap aan beide zijden afgebakend met prikkeldraad. Je kon je dus nergens aan vasthouden.
Mijn acrobatische talenten zijn bovendien niet meer wat ze geweest zijn. De trap bestijgen ging nog net, maar de trap afdalen bleek een hachelijke onderneming en even vreesde ik dat ik het nooit zou halen, maar het lukte me toch om zonder kleerscheuren terug beneden te komen.

Een beetje van ons melk gebracht vervolgden we onze tocht. Nauwelijks honderd meter verderop zagen we plots het kapelletje staan.
Vaak wordt dit boskapelletje aangeduid als de plaats waar Maria van Bourgondië van haar paard is gevallen en er wordt soms beweerd dat dit kapelletje ter hare gedachtenis hier is gebouwd. Maar dat klopt niet helemaal. Toen Maria van Bourgondië in dit bos op jacht was stond hier reeds een kapelletje, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Aan het kapelletje zijn talrijke volkslegendes verbonden.

De huidige kapel dateert van omstreeks 1770 en is als beschermd monument nog steeds een bedevaartsoord.

Volgens kroniekschrijvers uit de Bourgondische tijd, was het wel vlakbij het boskapelletje dat Maria van Bourgondië ongelukkig ten val kwam.

Tijdens de jacht zag Maria plots een reiger aan de overkant van een sloot, nabij de boskapel. Ze gaf haar paard de sporen en maande het aan om over de sloot te springen. Normaal vormde dat voor een ervaren amazone, zoals Maria, geen enkel probleem. Maar bij het neerkomen struikelde het paard over een boomstronk die uit de bevroren grond stak. Het paard gleed uit en viel. Ongelukkigerwijs kwam het dier bovenop haar terecht, met zijn volle gewicht op haar rechterzijde.
Haar man Maximiliaan en haar hele gevolg kwamen op haar toegeschoten, maar Maria was ondertussen weer overeind gekrabbeld. Ze klaagde niet en was schijnbaar ongedeerd. Zij liet zich weer in het zadel lichten en het gezelschap reed terug naar het kasteel. Maar toen Maria daar van haar paard stapte zeeg ze in elkaar. Iedereen was danig geschrokken en begreep meteen dat de toestand ernstig was. Maria werd, lijkbleek en kreunend van de pijn, op een draagbaar tussen twee paarden gelegd en in allerijl teruggebracht naar het Prinsenhof in Brugge, waar zij en Maximiliaan op dat ogenblik resideerden.

Wij konden hier in Wijnendale verder niet veel meer aanvangen. We wandelden terug naar de parking bij het kasteel, waar de auto stond en we lieten het kasteel van Wijnendale achter ons. We zouden de volgende dag naar Brugge rijden, de hertogin achterna.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij
Brugseommeland.be
Illustraties : Wikimedia Commons (publiek domein)

In de ban van de hertogin / 3

Rondom het kasteel

Maria van Bourgondië en haar man Maximiliaan van Oostenrijk stonden vertrekkensklaar voor het kasteel van Wijnendale, samen met hun gastheer Adolf van Kleef-Ravenstein en met een resem andere edellieden, waaronder Engelbert van Nassau en Lodewijk van Gruuthuse. Ze waren met z’n allen op het kasteel uitgenodigd voor een jachtbanket dat door de jacht zelf werd voorafgegaan.
Ze gaven hun paarden de sporen en reden in een boog omheen het kasteel, het bos van Wijnendale tegemoet. De jacht kon beginnen.

Ook wij stonden klaar voor het kasteel van Wijnendale om hun sporen te volgen. Vooraleer wij vertrokken raadpleegden we eerst nog even een plattegrond van het kasteeldomein. Weliswaar een plattegrond uit de Flandria illustrata, het encyclopedisch boek van Antonius Sanderius, uit 1641, toen het domein er nog ongeveer hetzelfde uitzag als toen Maria van Bourgondië hier 150 jaar eerder was.
Maar sindsdien is hier toch wel een en ander veranderd.

Onder een lange rij bomen volgden wij het kaarsrecht wandelpad dat evenwijdig met het kasteeldomein is aangelegd. De akkers en velden om ons heen waren in de tijd van Maria van Bourgondië allemaal eigendom van de kasteelheer.

Hier en daar zagen we tussen de bomen en het struikgewas, resten van de vroegere omwalling omheen het kasteeldomein.

De akkers naast het wandelpad strekten zich uit, zover het oog kon reiken.

Het zitbankje naast de wandelweg dateerde volgens mij niet uit de Bourgondische tijd, maar eerder uit de tijd van de Flinstones. 🙂

We kwamen bij de restanten van een oude inrijpoort aan de achterkant van het kasteel, dat nu met een ijzeren hek is afgesloten.

Hier konden ook nog resten zien van een stuk omwallingsmuur langs een diepe gracht, die helemaal droog stond. In de verte, tussen de bomen zagen we het kasteel staan.

We naderden nu het bos van Wijnendale.

Dat deden ook Maria van Bourgondië en haar gezelschap. Maria was een ervaren ruiter. Als kind leerde ze reeds paardrijden en ze had al vaak aan jachtpartijen deelgenomen. Ze droeg op haar hand steevast een valk die voor haar op verkenning vloog tijdens de jacht.
Volgens kroniekschrijvers had Maria er zin in die dag. Ze had het onbesuisde enthousiasme geërfd van haar vader. Ze reed zelfs voorop, het Wijnendalebos in.
Het zou haar laatste jachtpartij worden.

Maria van Bourgondië tijdens de jacht. Afbeelding uit de “Exellente Cronyke van Vlaenderen” (15de eeuw) / Gruuthuse museum Brugge

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo uitgegeven door De Bezige Bij
Historiek.net
Illustraties :

Wikimedia Commons (publiek domein)
Flandria Illustrata (UGent)
(publiek domein)

In de ban van de hertogin / 2

Het kasteel van Wijnendale

Wij stonden voor het kasteel van Wijnendale in de gemeente Torhout.
Het kasteel was oorspronkelijk een achthoekige waterburcht dat Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, in 1278 liet bouwen aan de rand van het Wijnendalebos. Het kasteel speelde onder meer een belangrijke rol in 1302, tijdens de Guldensporenslag, toen dit kasteel door de Fransen was bezet en moest heroverd worden.

Intussen werd het kasteel reeds herhaalde malen verbouwd. Het rechtse deel van het kasteel in lichtgeel gesteente, is het oudste gedeelte van het kasteel en dateert nog uit de 15de eeuw.

We liepen over de ophaalbrug, door de deur van een massief houten poort naar binnen.

Aan de muren van het mooie poortgebouw prijkten de wapenschilden, waarschijnlijk van de kasteelheren die met dit kasteel een verbintenis hadden. Aan het einde wachtten enkele vervaarlijke uitziende leeuwenkoppen ons op.

Het poortgebouw was aan de overkant afgesloten door een modern ogende dubbele deur die potdicht zat maar wel uitzicht bood op het binnenplein.

Aan de overkant van het binnenplein zagen wij het andere gedeelte van het kasteel dat nog steeds bewoond wordt door de familie Matthieu de Wijnendale.

In 1482 was Adolf van Kleef-Ravenstein eigenaar van het kasteel en hij had, aan het einde van een barre winter, de hertogin en haar gemaal Maximiliaan van Oostenrijk uitgenodigd voor een banket. Maximiliaan was net terug van een missie uit Saint-Omer en was blij dat hij de hertogin bij deze gelegenheid kon vergezellen.
Zoals het toen de gewoonte was, maakte het gezelschap zich meteen na de ontvangst klaar voor de jacht, om dan ’s avonds in het kasteel van een groot jachtfeest te kunnen genieten. Maria van Bourgondië en haar man zouden allebei persoonlijk deelnemen aan de jachtpartij in het bos van Wijnendale. Dat het noodlot de hertogin in dat bos zou opwachten, konden ze toen nog niet weten.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen:
De Bourgondiërs door Bart Van Loo uitgegeven door De Bezige Bij
Westtoer.be
Illustratie : Wikipedia (publiek domein)

In de ban van de hertogin / 1

De vorstin der Nederlanden

Door mijn goede vriend Manu, die als historicus reeds vele jaren gepassioneerd is door de middeleeuwen, ben ik evenzeer aangestoken met het enthousiasme voor deze periode uit de geschiedenis. De laatste maanden heb ik mij een beetje verdiept in de tijd van de Bourgondische hertogen, waarover Bart Van Loo vorig jaar zo’n fantastisch boek heeft gepubliceerd.
Tussen alle opmerkelijke figuren die in de Bourgondische tijd onze streken bevolkten, is er iemand die mij bijzonder intrigeert : Maria van Bourgondië.

Maria van Bourgondië regeerde in de tweede helft van de 15e eeuw als hertogin over het Bourgondische rijk en probeerde dat te doen met veel overleg, in tegenstelling tot haar vader Karel de Stoute, die een brutale en onbezonnen heerser was. Ze werd alom geprezen om haar schoonheid, gratie en intelligentie. Men noemde haar de vorstin der Nederlanden.
Maar haar bewind kan nauwelijks op haar conto worden geschreven. Staatszaken waren in die tijd geen vrouwenaangelegenheden. Elke belangrijke beslissing werd door haar man Maximiliaan van Oostenrijk genomen. Tijdens haar veel te korte leven heeft ze niettemin geprobeerd om rust en vrede te brengen in haar rijk.

We hebben deze zomer in Vlaanderen enkele plaatsen bezocht die nog herinneren aan Maria van Bourgondië of een link hebben met haar levensverhaal. Eigenlijk zijn we daar nog steeds mee bezig. We begonnen bij het einde en gingen eerst een kijkje nemen op de plaats waar Maria dat fatale ongeval heeft gehad.
Daarvoor moesten we naar het bos van Wijnendale, in het hartje van West-Vlaanderen. Het bos ligt op het grondgebied van de gemeente Torhout. Aan de rand ervan staat het kasteel van Wijnendale.
We konden er echter niet zomaar naar binnen. Het kasteeldomein, dat nog steeds wordt bewoond, was hermetisch afgesloten door een smeedijzeren hek.

Maar wij hadden gelukkig een bezoek aan het kasteel gereserveerd. De ingang bleek wat verderop te zijn. We moesten ons aanmelden aan de balie die was ondergebracht in een bijhuis van het kasteel.

Eenmaal we waren ingecheckt konden we aan de andere kant van het smeedijzeren hek door een kleiner hekje dat ons toegang verschafte tot de dreef en de oprijlaan naar het kasteel.

Algauw zagen we het kasteel tussen de bomen opdoemen.

Het liep tegen het einde van een zeer strenge winter aan toen Maria van Bourgondië in maart 1482 in Wijnendale arriveerde, samen met haar man Maximiliaan I van Oostenrijk en hun gevolg. Ze waren hier uitgenodigd voor een banket door Adolf van Kleef-Ravenstein, edelman en stadhouder-generaal in dienst van de Bourgondische hertogen.
De dooi was pas ingezet en de hoeven van hun paarden kletterden op de nog half bevroren grond terwijl ze naar de ophaalbrug van het kasteel toe reden. Maria verheugde zich op het feit dat ze hier in Wijnendale enkele zorgeloze dagen zou kunnen doorbrengen.

Aan het einde van de dreef stond het kasteel daar majestueus te wezen.

(wordt vervolgd)


Geraadpleegde bronnen :
De Bourgondiërs door Bart Van Loo, uitgegeven door De Bezige Bij

historiek.net
Illustratie: Wikipedia (publiek domein)

Hard, maar plezant labeur.

Voortaan werk ik weer iedere dinsdag- en vrijdagnamiddag als vrijwilliger in het museum van Deinze (Mudel). Toen ik vorige week bij mijn bureau kwam was mijn ouwe computer verdwenen en stond daar een splinternieuwe computer te pronken. Meer nog, er stonden twee splinternieuwe computers te pronken, een desktop en een laptop die aan mekaar zijn gekoppeld. Een kadootje van de stad Deinze.
Ik heb die computers natuurlijk niet gekregen, ik mag er enkel op werken in het museum. Ik heb er een paar foto’ s van genomen met m’n mobieltje om te tonen hoe hard ik daar wel werk. 😉

Op een lange tafel naast m’n bureau staan de dozen met originele foto’s opgestapeld. Dat is maar een deeltje van het fotoarchief. Ik doe het werk nu al bijna vijf jaar (met een corona-onderbreking van vijf maanden) en in die tijd heb ik ongeveer 4000 foto’s gedigitaliseerd en gearchiveerd. Van iedere foto tracht ik zoveel mogelijk achtergrond gegevens te achterhalen die ik in een beknopte commentaartekst verwerk. Alle foto’s met de nodige uitleg verschijnen op de website van erfgoedinzicht.be
Het is dus niet zo dat vrijwilligers hun tijd verbeuzelen. Er liggen overigens nog stapels foto’s op mij te wachten in het museum. Als ik alles gedaan wil krijgen moet ik minstens 100 jaar oud worden. 🙂

De kunst van het drukken / 3

WAT VOORAF GING

Deel 3 / De letterkast en de cicero

foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

De “letterkast”was in de drukkerijen van destijds een zeer inventief meubelstuk. Zo’n kast bestond uit ongeveer vijventwintig uitneembare lades, die men bovenop een schuine desk kon zetten. Iedere lade bevatte loden letters in een bepaald lettertype en in een bepaalde grote. Bovenop de kast stond nog een opzetstuk en een stevige lamp zorgde voor de nodige verlichting.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent

Zo’n lade van een letterkast was universeel en werd wereldwijd op dezelfde manier onderverdeeld. Men kan het vergelijken met een toetsenbord van een schrijfmachine of computer.
In de onderste vakken lagen de “kleine letters”. Die noemde men in vakjargon “onderkastletters“. Bovenaan lagen de “hoofdletters”, die noemde men “kapitalen”. Nu nog steeds spreekt men in vakjargon over onderkastletters en kapitalen, ook al worden de letterkasten al lang niet meer gebruikt.

Verder waren er in de lade vakken voorzien voor leestekens en speciale lettertekens en ook ruimtes voor het “kastwit” waarmee men spaties tussen de woorden en wit-ruimtes tussen de regels tot stand bracht.

Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent


Zoals een typist blindelings moet kunnen typen, zo moest een letterzetter blindelings iedere letter in de kastlade weten te vinden en ze aan een snel tempo één voor één in de zethaak kunnen plaatsen. Ieder letter stond uiteraard in spiegelschrift. Een letterzetter moest dus ook perfect een tekst in spiegelschrift kunnen lezen aan hetzelfde tempo waarop men een normale tekst leest. Al hield men bij twijfel al wel eens een spiegeltje boven het zetsel.

Binnenzicht van de de letterzetterij in drukkerij Van Melle (Gent) omstreeks 1935.
Foto uit het fotoarchief van het Industriemuseum Gent
Typografische letterproef van het lettertype Egmont.
Het cijfer naast elke regel is de lettergrote
uitgedrukt in cicero. De afbeelding is niet op ware grote.
(afb :industriemuseum Gent)

De letterzetter moest dus over heel wat “skills” beschikken. Voor het zetten van een tekst had hij een zethaak ter beschikking, maar ook een cicerometer of metalen cicerolat. In de typografie werd de grote van de letters en de tussenruimtes niet uitgedrukt in centimeter, maar in cicero, genoemd naar de Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero. Eén cicero was gelijk aan 4,512 mm. Een cicero was niet decimaal, maar was onderverdeeld in twaalf punten. Op een cicerolat stonden bovenaan de cicero’s aangeduid en onderaan de centimeters.

cicerolat

De maateenheid cicero wordt nu nog steeds gebruikt in moderne computerprogramma’s voor het opmaken van teksten. Niet alleen bij dtp-programma’s voor de grafische industrie, maar ook bij het dagelijks gebruik van onze pc. De editor van WordPress maakt er weliswaar geen gebruik van, maar Microsoft Word en heel wat e-mail programma’s bijvoorbeeld, doen dat wel.
Zo kan je bij het typen van een e-mail bovenaan in je werkbalk de grote van de letters aanpassen door een dropdown open te klikken. Dan komt er een lijstje tevoorschijn van cijfers, meestal van 6 tot 72. Deze getallen zijn geen millimeters, maar cicero-punten. Letters in een normale, platte tekst hebben meestal een grote van 10 à 12 pt.
Dat hebben wij allemaal te danken aan de oude letterzetters van weleer.


In het industriemuseum van Gent

Op de foto’s hierboven : letterkasten en zetsels in het industriemuseum van Gent


Bron en illustraties : industriemuseum Gent

Heen en weer met de Bathio. (3/3)

Ik was het brugje over de Rekkelingebeek overgestoken en kwam in de Leiemeersen terecht, waar ik meteen werd aangemaand om van de natuur te genieten. Ik deed m’n best.

Aan m’n linkerkant ontwaarde ik in de verte een oude hoeve. Het probleem was dat ik aan die kant pal tegenin het zonlicht moest fotograferen en ik was thuis m’n zonnenkap voor de lens vergeten in m’n tas te steken.

Aan m’n rechterkant stelde dat probleem zich niet.

Mijn wandelweg leidde me uiteindelijk tot aan de afslag naar de boerderij toe. Wat verder kwam de weg uit op de grote baan naar Gent. Ik besloot om hier m’n wandeling maar te beëindigen, want ik moest nog het hele stuk terug naar Astene Sas, waar ik m’n fiets had achtergelaten.

Dus keerde ik op m’n stappen weer en moest ik nogmaals de overzet met de Bathio trotseren. En dat terwijl mijn arm nog moe was van het draaien aan het wiel tijdens de eerste oversteek. Maar deze keer had ik meer geluk. Twee jongemannen moesten ook naar de overkant en wilden net van wal steken. Ik kon lekker als passagier met hen mee terwijl zij het draaiwiel voor hun rekening namen. 🙂
Soms kan het ook al eens meezitten in het leven.

Aan de overkant wandelde ik verder, langsheen de mooie oude meanders van de Leie.

Eenmaal terug aangekomen bij Astene-Sas ging ik nog even verpozen met een fris drankje op het terras van het Oud Sashuis.

En dan stapte ik op m’n fiets en reed langs nog meer van die mooie Leiemeersen terug naar huis. Qua conditietraining was het voor die dag wel genoeg geweest.

Heen en weer met de Bathio. (2/3)

Er is in Bachte-Maria-Leerne altijd al een veerdienst geweest. Tijdens de oorlogen in de zestiende eeuw stonden zelfs soldaten in voor de bewaking van de overzet.
Maar of men toen ook al aan een wiel moest draaien om het pont van de overkant naar zich toe te trekken, weet ik niet. Ik draaide me een lamme arm aan het wiel en een kwartier later lag het pont aan mijn kant aangemeerd. Oef ! So far, so good.
Op het ponton zelf stond ook zo’n wiel, waarmee ik dan het ding en mezelf naar de overkant kon draaien. Ik veegde met m’n zakdoek het zweet van m’n voorhoofd, stapte op het wiebelend veerpont en begon opnieuw te draaien.

Langzaam maar zeker kwam mijn tuig los van de oever. Daar aan die rode reddingsboei had ik vijf minuten eerder nog gestaan.

Toen ik ongeveer in het midden van de rivier was moest ik even op adem komen. Ik liet het wiel los, liet het pont was dobberen en genoot van het uitzicht over het water. Ik deed wat kine-oefeningen door met m’n armen te zwaaien om m’n pijnlijke schouders los te maken. Ik wiebelde ook wat met m’n heupen om de pijn in m’n onderrug te verlichten terwijl ik ondertussen wat ademhalingsoefeningen deed. Het moet een belachelijk zicht zijn geweest, maar er was toch niemand in de buurt.
Na tien minuten kon ik er weer tegen en draaide ik verder aan het wieletje.

Intussen was aan de overkant een meisje komen aangefietst. Gelukkig had ze me daarnet niet bezig gezien, toen ik nog mijn kine-oefeningen aan het doen was. Het meisje moest blijkbaar de andere kant uit. Ze bleef een tijdje aan de oever staan kijken hoe ik m’n laatste meters over het water aflegde. Ik was nauwelijks van het veerpont gestapt of het meisje fietste het pont op, knikte even gedag en begon toen verwoed aan het wiel te draaien. Ik had de indruk dat ze gehaast was.

Aan de overkant bevond ik mij nu op het grondgebied van Bachte-Maria-Leerne. Ik zette mijn wandeling verder. Eerst kwam ik voorbij een hotel. Een bijenhotel, weliswaar.

En dan kwam ik aan het brugje over de Rekkelingebeek. De beek waaraan op 15 juli 1325 een historische veldslag werd uitgevochten tussen de Gentenaren en de Deinzenaren. De Gentenaren wilden toen voor eens en voor altijd afrekenen met die lastige Deinzenaren, maar het pakte anders uit. Ze zijn er daar in Gent nog steeds niet goed van. 🙂

Vanop het brugje zag ik dat de Rekkelingebeek helemaal onder de eendenkroos zat.

Ook aan de andere kant van de brug, waar de beek zich verder door de Leiemeersen kronkelt.

Ik had best nog wel wat zin om verder te wandelen langsheen de Leiemeersen, dus stak ik het brugje over.

(wordt vervolgd)

Heen en weer met de Bathio. (1/3)

Om mijn conditie een beetje op peil te houden was ik een tijdje geleden op wandel langs de oude meanders van de Leie, tussen Astene en Bachte-Maria-Leerne.

Ik had Astene Sas achter mij gelaten en bevond mij op het grondgebied van Vosselare, één van de 17 deelgemeenten van de stad Deinze. Ik stapte flink door langs de mooie wandelwegen die onze streek rijk is.

Ik liep in de richting van Vosselareput, een afgebakend deel van een oude Leiearm dat reeds sinds mensenheugenis dienst doet als openluchtzwembad. Dat er heel wat plannen zijn om van deze omgeving een toeristische topper te maken bewees dit infobord dat ik onderweg tegenkwam.

De zwempoel lag verborgen achte hoge hagen en aangezien ik niet van zwemmen hou wandelde ik er gezwind voorbij. Ik volgde het bordje met de pijl en het bootje. Dit bord wees de richting aan naar het veerpont over de Leie.

De overzetplaats aan de Leie zat een beetje verborgen achter het riet.

Maar uiteindelijk kwam ik bij het veerpont dat de naam “Bathio” meekreeg. Men heeft dit veerpont zo genoemd naar de oude Germaanse benaming voor de gemeente Bachte-Maria-Leerne. In de Sint-Pietersabdij van Gent zijn oude documenten gevonden uit het jaar 820, waarin de naam Bathio reeds wordt vermeld.

Iemand had van thuis uit z’n eigen “veerplank” meegenomen om er de Leie mee over te steken.

Maar zij die denken hier een veerboot aan te treffen, komen bedrogen uit. Bathio is een trekveer, met zelfbediening. Gelukkig is het anders dan het veer in Machelen-aan-de-Leie. Hier hoef je niet aan de touwen te trekken. De dubbele touwen waarmee men het pont heen en weer kan trekken, zijn hier verbonden met een wiel. Je hoeft dus enkel maar aan het wiel te draaien.
Het ponton lag natuurlijk aangemeerd aan de overkant (zal je altijd zien), dus moest ik het eerst naar deze kant draaien. Ik aarzelde eerst even. Pfff… dat leek me een lastige karwei te worden. Dat ponton woog waarschijnlijk minstens een halve ton. Als conditietraining zou het wel kunnen tellen. Aangezien ik hier moederziel alleen was (de surfer was inmiddels verdwenen), was er niemand die mij tijdens het draaien een keertje kon aflossen. Ik voelde mijn rug nu al zeer doen.
Maar wij mannen van de Leiestreek zijn geen doetjes natuurlijk. Ik zou dat varkentje meteen een keertje gaan wassen.

(wordt vervolgd)

Terug naar het verleden.

Morgen is het 1 september en is de zomervakantie alweer voorbij. Intussen heb ik mijn vrijwilligerswerk in het museum van Deinze hervat, daar waar ik ruim vijf maanden geleden gebleven was, toen alles plotseling werd stilgelegd omwille van het corona-virus.
Ik ben opnieuw in het fotoarchief van het museum gedoken. Er moeten nog heel wat foto’s worden gedigitaliseerd en geïnventariseerd.
Foto’s zoals deze hieronder, die genomen is in Deinze tijdens de Eerste Wereldoorlog. Achter het stadhuis, in de Kaaistraat, stonden de mensen aan te schuiven voor de soep- en melkbedeling. Ze stonden allemaal dicht bij elkaar. Dat kon want er was toen geen corona. Maar er was wel veel honger en ellende.

Ook bij de Erfgoedcel is er een interessant project waar ik als vrijwilliger graag wil aan meewerken.
Er zijn op zolder, bij een overleden groottante van een mevrouw uit de Leiestreek, een aantal dozen gevonden met daarin talloze brieven. Brieven die geschreven zijn tussen 1913 en 1916 door de moeder van die groottante. Ze schreef naar haar liefje en naar haar familie. Ze werkte als dienstmeid bij een rijke Duitse familie. Toen de oorlog uitbrak moest die familie vluchten, eerst naar Parijs en later naar Duitsland. En zij moest met hen mee, omdat ze als dienstmeid zowat tot het meubilair van die familie behoorde.
Ze schrijft in haar brieven ook over de gruwelen van de oorlog. Het zijn getuigenissen uit eerste hand, op het moment dat het zich allemaal afspeelde, geschreven met potlood op broze velletjes papier.
Een schat aan erfgoedmateriaal dat allemaal moet worden gedigitaliseerd .

Voorts zijn mijn vriend Manu en ik deze zomer in de ban geraakt van een beeldschone vrouw. Wij zijn haar achterna gegaan. Geen sinecure voor twee verlegen jongens, zoals wij. Maar de dame is het waard, want ze is niet alleen mooi en knap, ze is ook rijk, intelligent, sympathiek en reeds 538 jaar dood. Maar dat laatste is slechts een detail. 🙂
Het komende najaar vertel ik er vast en zeker meer over op deze blog.

Een dorp ten voeten uit. (8/8)

Vanaf het huis van Gerard Reve zetten mijn vrouw en ik het laatste stuk in van de wandelzoektocht die deze zomer in Machelen aan de Leie werd georganiseerd.
Via een zijstraat van de Posthoornstraat maakten we eerst nog een ommetje langs “Villa De Cock”, met c.o.c.k.

Omdat bij de villa een quizvraag moest worden opgelost, ga ik daar verder niet veel over vertellen.
Na het oversteken van de steenweg van Gent naar Kortrijk, kwamen we dan in de Dorpsstraat terecht, waar we de kinepraktijk passeerden waar ik wekelijks langsga voor een oplapbeurt. Niet dat er aan mij nog veel op te lappen valt. Van een oude sloep kan men immers geen speedboot meer maken. 🙂

Een beetje verder in de Dorpsstraat staat de “mannekesschoole”, of in het Nederlands de “jongensschool”. Zo was het vroeger althans. Nu is het nog steeds een school, voor leerlingen van het lager onderwijs. Maar meisjes zijn er nu eveneens welkom.
Hier moest alweer een quizvraag opgelost worden en moesten we zien te achterhalen waarvoor de turnzaal van de school vroeger diende.

Vlak naast de school ligt het Frans militair kerkhof.
Tussen 18 en 31 oktober 1918 werd er zwaar gevochten in de Leiestreek. Franse troepen deden er alles aan om de Duitsers te verdrijven van hun posities en langs beide zijdes waren de verliezen enorm. Na de gevechten lagen de slachtoffers her en der begraven in de velden. Het gemeentebestuur van Machelen besloot om de gesneuvelde Franse troepen een eigen begraafplaats te geven. Het ‘Frans kerkhof’ werd ingericht op een stuk grond naast de gemeenteschool. 750 gesneuvelde soldaten hebben hier een laatste rustplaats gevonden.
Hier staan 750 grafzerken, maar er is er maar ééntje waarop ook een foto staat van de gesneuvelde soldaat. Voor de quiz moesten wij de naam van die soldaat zien te vinden.

Omdat ik véél te goed ben voor deze wereld, geef ik voor één keer het antwoord op deze quizvraag mee.

Nog wat verder in de Dorpsstraat staat dit intrigerend huis. Iedere keer als ik er langskom blijf ik even staan om naar het huis te kijken. Het is zo’n ouderwets gezellig herenhuis met een boomgaard ervoor en met een mooi smeedijzeren balkon boven de voordeur.

Het mooiste huis van Machelen staat nog wat verder in de Dorpsstraat. Het is het herenhuis van Gustaaf Dauwe, de vroegere dorpsdokter. Vanop de straatkant is er echter niets meer te zien van het huis. Het zit verscholen achter een grote rij hoge bomen, bijna een half bos. Enkel bij het toegangshek kan je een glimp opvangen van de orangerie die bij het huis hoort.
Dokter Dauwe was een gekend figuur in Machelen-aan-de-Leie. In de tuin die bij het huis hoort zou ook nog een fragment te zien zijn van een middeleeuwse vierschaar.

En zo naderden we weer het dorpscentrum.

Aan onze rechterkant stond nog een mooie villa die nog dateert uit de jaren ’20 van vorige eeuw. Momenteel woont kunstschilder Martin Wallaert in deze villa en heeft er ook zijn atelier in ondergebracht. De kunstschilder verhuisde vorig jaar van ’t biechtstoeleke, het oudste, piepkleine huis van het dorp, naar deze riante villa. Dat maakt voor hem waarschijnlijk wel een groot verschil.
Naast het huis staat het “Reve-muurtje”, een klein muurtje in witte steen, waarop een gedicht is gebeiteld van Gerard Reve. De schrijver zelf ligt begraven op het nieuwe kerkhof, een eind buiten het dorpscentrum. Hij ligt daar een beetje eenzaam en verlaten.
In de Nederlandse pers werd vroeger al eens geklaagd over het feit dat hun schrijver zonder veel eerbetoon begraven ligt in een godvergeten gat aan de Leie. Daar is wel iets van aan. Maar sinds Joop Schafthuizen, de partner van Reve, in 2003 werd veroordeeld tot 7 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het aanranden van een dertienjarige buurjongen en het in bezit zijn van kinderporno, is men in het dorp waarschijnlijk niet meer zo opgezet met deze twee snoeshanen.

Wat verder kwamen we aan de rotonde, waar op de hoek nog een merkwaardig huis staat.
Het is het geboortehuis van kunstschilder Roger De Backer (1897-1984). De schilder bleef er tot 1944 wonen. Het herenhuis in neo-Lodewijk XVI-stijl werd in 1843 gebouwd. De gecementeerde gevel is doorheen de jaren weinig veranderd. Tijdens de bevrijding werd de voorgevel beschoten door onbekenden. De inslagen zijn op deze foto niet te zien, maar wie vlak voor het huis staat kan ze opmerken.
Roger De Backer was een impressionist en luminist. Hij ging in de leer bij de grote Leiekunstenaar Modest Huys. Zijn werken zijn over de hele wereld verspreid, maar zijn ook te zien in het Museum van Deinze en de Leiestreek.

Temidden van de rotonde staat de Vredesboom en het oorlogsmonument, ontworpen door de bekende beeldhouwer Antoon Van Parijs. Vorig jaar, in september, maakte ik hier deze foto ter gelegenheid van 100 jaar vredesfeesten.

Niet ver van de rotonde staat het oud gemeentehuis, met daarachter feestzaal “De Gulden Poort”, de plaats waar we aan deze wandelzoektocht waren begonnen.
Het zat erop. Alle vragen waren beantwoord. Met dank aan mijn dierbare echtgenote, natuurlijk. Als ik een fiets zou winnen met deze prijskamp dan mag zij er ook een keertje mee rijden. 😉

We hebben hoe dan ook genoten van onze zoektocht door dit dorp. Machelen-aan-de-Leie is misschien niet zo pittoresk zoals de Leiedorpen Deurle of Sint-Martens-Latem, maar het is nog een heus dorp, waar het soms lijkt alsof de tijd er is blijven stilstaan, maar dat toch helemaal mee is met z’n tijd. Een dorp waar het heerlijk rustig kan zijn, maar soms ook gezellig druk, waar de mensen vriendelijk en behulpzaam zijn en waar men z’n buren nog kent. Een dorp waar cultuur en tradities in ere worden gehouden, maar waar iedereen welkom is.
Kortom, een dorp ten voeten uit.


Geraadpleegde bron : erfgoedbank Leie en Schelde