Een warm weerzien.

smart

Na bijna vier maanden afwezigheid ben ik gisteren namiddag voor het eerst terug in ons museum geweest.
En of het me deugd heeft gedaan ! Het was een hartelijk en warm weerzien met iedereen die ik al die tijd heb moeten missen. Het deed me echt wel wat om terug op “den bureau” te komen. Het voelde een beetje als thuiskomen. Er was helaas ook minder goed nieuws. Twee medewerksters zullen weldra het museum definitief verlaten om andere horizonten te gaan verkennen. Zij zullen er weliswaar nog af en toe over de vloer komen, maar mede door dit nieuws werd het toch een beetje een emotionele namiddag.

Ik maakte ook van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling van de glaskunst van Jan Leenknegt te gaan bekijken en met m’n smartphone enkele kiekjes te nemen.
Wie deze tentoonstelling of de tentoonstelling “design op wielen” nog wil bezoeken in het Mudel moet zich reppen, want dit weekend is het laatste weekend dat de tentoonstellingen lopen. Virtueel zijn ze nog wel een tijdje toegankelijk, onder meer door in de rechterkolom van deze blog even te klikken op de betreffende links.

De komende weken wordt in het museum alles afgebroken en volgt de opbouw van de volgende tentoonstelling. Eenmaal dat achter de rug, kan ik mijn werkzaamheden aan het fotoarchief van het museum hervatten. Ten laatste rond half augustus kan ik er weer aan de slag als vrijwilliger. Tenminste als corona niet weer roet in het eten komt gooien.

Over de “Mule Jenny” en de twijnmolens.

Wij brachten dus een bezoek aan het Industriemuseum in Gent, dat de industriële evolutie in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw op zeer aanschouwelijke wijze in beeld brengt. Het museum besteed tegelijkertijd ook aandacht de sociale wantoestanden, miserabele werkomstandigheden, armoede en uitbuitingen die daarmee gepaard gingen. Het museum is voornamelijk gestoeld op twee Gentse industriële nijverheden uit de voorbije eeuwen . Eén daarvan is de textielnijverheid, een nijverheid die reeds sinds de middeleeuwen voor Gent van groot economisch belang was.

We konden er een blik werpen op de “Spinning Jenny”, ook “Mule Jenny” genoemd (Jenny is een verbastering van het engelse woord “engine”), een deels met de hand aangedreven machine voor het spinnen van katoen, die aan het einde van de 18 de eeuw door Lieven Bouwens met een list van Engeland naar hier werd gesmokkeld. Daarvoor werd hij in Engeland bij verstek ter dood veroordeeld.
Katoen, dat door de slaven in Amerika werd verbouwd, werd in Engeland gesponnen maar was in die tijd nog zo goed als onbekend in de rest van Europa. Met de “Mule Jenny”, die 48 draden tegelijk kon spinnen startte Lieven Bouwens bij ons en in Frankrijk diverse katoenspinnerijen op.

Die Lieven Bouwens was echter allesbehalve een grote weldoender. De arbeiders en arbeidsters die in zijn fabrieken werkten waren onderworpen aan regels en willekeur. Voor een hongerloon moesten de mensen vaak twaalf uur per dag werken in slechte omstandigheden. Bouwens voerde ook het systeem in van boetes voor wie te weinig werkte of zich niet aan de regels hield.
Er werkten ook heel wat kinderen in zijn fabrieken. Van zodra ze 8 jaar oud waren moesten ze volop meedraaien aan de machines. Op een foto uit het museum is een groep jonge meisjes te zien die waren te werk gesteld in de spinnerijen.

Maar ondanks alle uitbuiting van zijn werkvolk, vond Lieven Bouwens dat hij nog te weinig winst maakte. Hij slaagde er zelfs in om toelating te verkrijgen om gedetineerden in de gevangenis gratis voor hem te laten werken. In het museum zagen we deze ovalen twijnmolen die ooit in de Gentse gevangenis heeft gestaan en waar gedetineerden op moesten werken. De molen dateert uit 1773 en is de oudst bewaarde twijnmolen ter wereld.

En dan was er ook nog deze indrukwekkende machine van wel 50 meter lang, die diende om gesponnen garen op bobijnen te winden. Het ding ging over een breedte van enkele meters aan een hels tempo over en weer en de arbeidsters (vaak kinderen) die erop werkten moesten steeds meelopen met de machine. Dat werd getoond in een oude filmopname die aan het eind van de zaal op de muur werd geprojecteerd. Hoe zwaar en gevaarlijk dit labeur moet zijn geweest is ook te zien in de film “Daens” van Stijn Coninckx. Als jullie acht minuutjes tijd over hebben, moeten jullie hier maar eens klikken.

Er zijn in dit museum nog véél meer interessante dingen te zien over de geschiedenis van de textielindustrie. Maar het zou ons te ver leiden om daar over uit te wijden.
Er is in het museum echter nog een andere afdeling op de vierde verdieping, die pas vorig jaar is open gegaan en gewijd is aan de geschiedenis van de grafische technieken. En laat dat nu iets zijn waar ik uit persoonlijk ervaring veel kan over vertellen. Het was vooral deze verdieping van het museum waar onze interesse naar uitging en waarvoor we naar hier waren gekomen.
Ik heb intussen het plan opgevat om op deze blog omtrent de drukkunst iets te doen. Hoe dat precies zit vertel ik volgende week.

Het industriemuseum.

Vorig weekend brachten wij een bezoek aan het Industrie museum van Gent. Ik was er vorig jaar geweest met m’n vriend Manu en deed het bezoek vorige zondag nog eens over met m’n vrouw. Ik had een bijzondere reden voor ons bezoek, maar daar kom ik later nog zeer uitgebreid op terug.
Het museum is ondergebracht in een voormalige katoenspinnerij, gelegen aan de Minnemeers in Gent. Het hoofdgebouw dateert uit 1905.

Gent was in de middeleeuwen een vooraanstaand centrum voor de wol- en katoenproduktie. In de 13 de en 14 de eeuw waren de Gentse lakens bekend tot ver buiten de landsgrenzen. Sinds de 16 de eeuw rezen in Gent textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond.
Wanneer je boven op de vijfde verdieping van het museum door de grote ramen kijkt heb je een prachtig panorama op de binnenstad van Gent.

Wanneer je goed kijkt zie je aan de horizon zowat alle torens van Gent opduiken. Van links naar rechts herken je de toren van de Sint-Baafskathedraal, de Sint- jacobskerk, het Belfort, de Sint-Niklaaskerk, de gebouwen van de Bond-Moyson op de Vrijdagmarkt en het Gravensteen.

Vooreerst bezochten wij in het museum de zeer interessante afdeling over de woelige geschiedenis van de textielnijverheid in Gent. In een volgend postje laat ik daar enkele sfeerbeelden van zien.
Maar eigenlijk waren we voor iets anders naar het museum gekomen. Iets waar ik later zeer uitgebreid op terug zal komen. Of had ik dat al gezegd ?

Een kunstenares in een mannenwereld.(2/2)

De ‘Académie Julian’ werd opgericht in 1868 door Rodolphe Julian. Het was een privéschool waar ook vrouwelijke studenten werden toegelaten, al moesten vrouwen er meer dan dubbel zoveel inschrijvingsgeld betalen dan mannen. De academie leverde vermaarde kunstenaars af, zoals Fernand Khnopff, Käthe Kollwitz en Henri Matisse, om er maar enkele te noemen.
In 1890 had Julian zeventien ateliers in Parijs, sommige met meer dan 150 leerlingen. Mannen en vrouwen werden in aparte ateliers ondergebracht. Aan het begin van de week kreeg ieder atelier een model toegewezen dat een bepaalde pose moest aannemen. De leerlingen kregen een week tijd om die pose op doek of op papier vast te leggen.
De leermeesters beoordeelden op het einde van de week het resultaat. Ze kozen in elk atelier telkens het beste werk van de week. De winnaar mocht de volgende week als eerste een zitplaats kiezen, wat in de overvolle ateliers een belangrijk voordeel was. De vrouwen die er les volgden waren echter vaak afhankelijk van de goodwill van hun mannelijke leermeesters.

Leerling-kunstenaressen in de académie Julian anno 1889


Hoe dan ook, in de Académie Julian leerde Louise De Hem alle knepen van het vak. In de zomer van 1891 keerde Louise terug naar Ieper en begon ze haar carrière als kunstenares uit te bouwen. Nadat ze aanvankelijk haar familieleden uitkoos om voor haar te poseren (vooral haar moeder en oudere zussen waren gewillige slachtoffers), mocht ze in 1892 de erevoorzitter van het Hof van Cassatie op doek vereeuwigen. Het was haar eerste belangrijke portretopdracht.

Louise De Hem is portretten blijven schilderen. Ze vereeuwigde leden van de lokale adel, de bourgeoisie, overheden, stadsbesturen en zelfs oversten van kloosters. Het bracht haar een aardige stuiver op. Maar daarnaast schilderde ze ook sociale taferelen, zoals het schilderij van de arme moeder die samen met de oma naar het weeshuis gaat om er haar kindje af te staan (zie lightbox deel 1).
Omstreeks 1904 besloot ze om naar Brussel te verhuizen. In Vorst ~ dan nog een plattelandsgemeente aan de rand van Brussel ~ betrok ze een dubbelwoning in art-nouveaustijl, ontworpen door Ernest Blériot. In haar nieuwe atelier werkte Louise verder aan haar oeuvre. Haar werk heeft een vrouwelijke, soms ietwat dromerige toets en wordt geklasseerd onder het post-impressionisme en het realisme.

Pas in 1908, ze is dan al 41, huwde Louise De Hem met Frédéric Lebbe, een naar Brugge uitgeweken Ieperling die als ingenieur bij de spoorwegen werkte. Van dan af werd Louise De Hem minder productief als kunstenares. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze zich met haar man schuil in het bezet Brussel. Na de oorlog kon ze blijkbaar de moed niet meer opbrengen om haar artistiek werk verder te zetten. Ze stierf bijna onopgemerkt op 22 november 1922. Ze werd net geen 56 jaar oud.

Dankzij onder meer een milde schenking van Hélène De Hem, oudere zus van Louise, en daarnaast nog tal van giften en aankopen, verwierf het stedelijke museum van Ieper een uitgebreide openbare collectie, bestaande uit bijna 90 werken van Louise De Hem, waarvan ongeveer de helft permanent worden tentoongesteld in het Yper Museum.

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door jan Dewilde, uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Een kunstenares in een mannenwereld.(1/2)

Louise De Hem zag voor het eerst het levenslicht in Ieper op 10 december 1866. Ze was het achtste kind van Henri De Hem en Eulalie Bartier en groeide op in een ontwricht huishouden. Haar vader was niet aanwezig bij haar geboorte. Hij had zijn gezin in de steek gelaten en woonde over de grens in Armentières.
Haar moeder runde een café in de Vleeshouwersstraat. Daar kwam geregeld Théodore Ceriez over de vloer, kunstschilder en lesgever aan de plaatselijke academie. Na verloop van tijd trok Théodore in bij het gezin, kreeg er kost en inwoon en huwde Louise’s oudere zus Hélène, ondanks het leeftijdsverschil van 26 jaar. Hij was het die als eerste het aangeboren tekentalent van Louise ontdekte en zijn schoonzus aanmoedigde om daarin verder te gaan. Aangezien er in die tijd op de academie nog geen meisjes werden toegelaten gaf hij haar thuis zelf een doorgedreven opleiding in de tekenkunst. Hij slaagde er ook in om een aantal van haar werken tentoon te stellen op belangrijke exposities, waar Louise meteen lovende kritieken oogstte.

In 1886 verliet Louise het ouderlijk huis en trok eerst naar Brussel en later naar Parijs. In Parijs lukte het haar om les te gaan volgen bij Alfred Stevens, een Belgische kunstschilder die toen furore maakte in het mondaine Parijs. De man gaf enkel les aan vrouwen. Verscheidene Belgische kunstenaressen uit die tijd ontmoeten er elkaar. Het was nog steeds een tijd waarin vrouwen hun werken vaak signeerden met de naam van hun man omdat, in de kunstwereld van toen, vrouwen nog niet echt meetelden.
Alfred Stevens liet zich overdag zelden zien in het atelier van de vrouwen, die gelegen was in een kelder onder zijn eigen atelier. De vrouwen konden de hele dag tekenen en schilderen waar ze zelf zin in hadden. Maar ’s avonds daalde Stevens af naar de kelder en kwam het geleverde werk van de dames keuren. Daarbij spaarde hij zijn kritiek niet. Al te enthousiaste vrouwelijke kunstenaressen stonden vaak weer met beide voeten op de grond nadat hij hun werk, zonder enig mededogen, compleet had afgekeurd.

Vanaf 1890 signeerde Louise De Hem haar werken met haar eigen naam. Wanneer Alfred Stevens om gezondheidsredenen geen les meer kon geven, ging Louise De Hem anatomie studeren aan de Faculteit Geneeskunde in Parijs. Dit zou haar later in staat stellen om naar naaktmodel te werken, iets wat toen in België voor vrouwen nog verboden was.
Tussen haar lessen door, werkte Louise de Hem in Parijs in het prestigieuze “atelier Cormon”, gesticht door de Franse kunstschilder Fernand Cormon. Grote namen uit de kunstgeschiedenis waren haar daar voorgegaan, zoals Vincent Van Gogh, Gauguin en Toulouse-Lautrec.
Maar in het atelier libre voelde Louise zich niet in haar sas en na haar anatomie studies trok ze naar de befaamde ‘Académie Julian”. In deze Parijse privéschool kwam Louise in een andere wereld terecht.

(wordt vervolgd)

Toulouse-lautrec (cirkeltje) in het atelier Cormon te Parijs

Lightbox / klik op een afbeelding om te vergroten

Geraadpleegde bronnen :
Louise De Hem door Jan Dewilde uitgegeven door de stad Ieper
Erfgoedinzicht.be

De gebruikte afbeeldingen behoren tot het publiek domein

Yper Museum.

Daar waar het Ieperse museum ‘In Flanders Fields’ vooral het verhaal van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek vertelt, neemt men je in het Yper Museum mee doorheen elf eeuwen geschiedenis van de Westhoek en de stad Ieper. Dat doen ze aan de hand van een grote maquette van het middeleeuwse Ieper en verder nog een unieke collectie kaarten, archeologische vondsten, munten, kant- en handwerk en nog veel meer. Zo hebben ze er ook een zeer interessante collectie middeleeuwse insignes. Iets waar ik later, in een apart logje, graag nog eens wil op terugkomen.
De opstelling in het museum is bijzonder origineel. Alleen een beetje jammer dat men bepaalde waardevolle schilderijen zo hoog tegenaan het plafond heeft opgehangen.

Er loopt in het Yper Museum momenteel een tijdelijke tentoonstelling onder de titel ‘herSTELLINGEN”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Ieper met de grond gelijk gemaakt. Deze tentoonstelling gaat over de wederopbouw en de terugkeer van het sociocultureel leven in de stad.
Hieronder enkele sfeerbeelden uit het museum.

Het Yper Museum besteed eveneens bijzondere aandacht aan de Ieperse kunstenares Louise De Hem, die leefde van 1866 tot 1922 en die bij veel mensen elders in het land misschien niet zo heel bekend is.
Een volgende keer vertel ik wat meer over het leven en werk van Louise De Hem.

De Raadszaal.

Het Mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) is sinds 5 juni heropend. Echter slechts enkel op vrijdag, zaterdag en zondag en bezoekers moeten op voorhand reserveren. De medewerkers achter de schermen van het museum werken nog steeds van thuis uit of zijn door het Deinse stadsbestuur op economische werkloosheid gesteld. Bijgevolg kan ik daar, als vrijwilliger, ook nog steeds niet aan de slag.
In afwachting heb ik een bezoekje gebracht aan het prachtige Yper Museum dat, net zoals het In Flanders Fields Museum’ gevestigd is in de imposante lakenhallen van de stad Ieper.

Aan de achterzijde, waar in feite de uitgang van het museum zich bevindt, heb je een kijk op het imponerend glasraam dat hier als sluitstuk van de wederopbouw van de Lakenhallen werd aangebracht in 1981.

Voor we het eigenlijke museum betraden gingen we eerst een kijkje nemen binnen in de mooie raadszaal, waar nog steeds huwelijken worden voltrokken tussen Ieperse verliefde mensen.

Hier binnen kregen wij een mooie blik op het indrukwekkend glasraam, dat we daarnet aan de buitenkant hadden gezien, ontworpen door Anro Brys, dat een beetje de geschiedenis van de stad Ieper samenvat.

Het glasraam leest als een stripverhaal.

In een volgend logje nemen we een kijkje in het Yper Museum zelf.

Traktatie.

Omdat ik vandaag jarig ben trakteer ik met een nieuwe reeks foto’s over Gent. Ik heb een tweede pagina toegevoegd aan “Gent in the picture” met 24 extra foto’s uit mijn albums over Gent. Allemaal foto’s die ik de voorbije tien jaar heb genomen in de stad waar ik mij thuis voel. Iedere foto is aanklikbaar en in groter formaat te bekijken.
Om naar “Gent in the picture / deel 2” te gaan hoeven jullie alleen maar op onderstaande foto te klikken.

Geen boze wolf.

Het was een item in het tv-journaal : voor de vijfde keer is een wolf opgedoken in de provincie Antwerpen. Dat is goed nieuws. We moeten de wolf met open armen ontvangen en hem met respect behandelen.
De wolf bijt af en toe wel eens een schaapje dood. Het dier moet ook eten en een lekker schapenboutje laat hij niet zomaar passeren. Waarom zouden wij een wolf niet af en toe een schaapje gunnen ? Da’s weliswaar gruwelijk voor het schaapje in kwestie, maar zo zit de natuur nu eenmaal in mekaar.
De wolf in de provincie Antwerpen komt wel abnormaal dicht bij de huizen van de mensen. Maar hij kan ook moeilijk anders in ons vol gebouwd Vlaanderen, waar bossen en natuurgebieden eerder schaars zijn.
Er zijn mensen die bang zijn dat de wolf hun spelende kinderen iets zou aandoen, nu hij zo dicht bij hun achtertuin langskomt. Die vrees is echter volstrekt ongegrond. Een wolf eet namelijk geen kleine kinderen. De sprookjes van weleer hebben hem op dat vlak een kwalijke reputatie bezorgd, maar die sprookjes zijn niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en bevatten heel wat onjuistheden. Wolven zijn bang van mensen en dus ook van kinderen. Ze gaan er voor op de vlucht. Ze lusten bovendien geen mensenvlees.
Roodkapje liep dus geen enkel gevaar. De zeven geitjes daarentegen…

Back to normal.

Vrijdag dertien maart 2020 zullen we ons nog lang herinneren. De dag dat een gluiperig virus ons leven en al onze plannen overhoop kwam gooien.
Intussen wordt het leven stilaan terug normaal. Sinds gisteren drijven sombere wolken boven ons hoofd en krijgen we af en toe de langverwachte regenbuitjes over ons heen, die het nijpend tekort aan grondwater zouden moeten bijvullen. Maar voorlopig stellen die buitjes nog niet veel voor. Ik kwam net terug van de kine toen het begon te druppelen. Wat verder zat het verkeer helemaal vast door allerhande wegenwerken. Er werd getoeterd en gevloekt. Fietsers kronkelden zich vervaarlijk tussen de stilstaande auto’s. Iedereen leek nerveus en gehaast en ik werd nat.
Ik dacht aan de heerlijk rustige, zonovergoten quarantaine-wandelingetjes van een maand geleden. Zo zou een mens heimwee krijgen naar de lockdown.

Negen levens.

Een kat heeft negen levens, zo zegt men. Onze kat Anja heeft er in elk geval minstens vier.
Het gaat alweer veel beter met haar, nadat ze voor de derde keer in één jaar tijd een beroerte kreeg. Twee weken geleden kon ze niet eens rechtop blijven staan, was haar achterpootje helemaal verlamd en verloor ze continue haar evenwicht. Nu loopt ze alweer in huis rond alsof er niets is gebeurd. Haar achterpootje lijkt weer helemaal genezen en van evenwichtsverlies schijnt ze amper nog last te hebben. Het is niet te geloven hoe veerkrachtig en sterk zo’n katje is. Daar kunnen wij mensen nog een puntje aan zuigen.

Anja lijdt opnieuw rustig haar leventje. In de bomen klauteren doet ze niet meer ~ daarvoor beschikt ze niet meer over de lenigheid uit haar topjaren, net zoals haar baasje ~ maar voor het overige doet ze weer alles wat een kat op leeftijd zoal doet : eten, slapen, spinnen, voortdurend kopjes geven, zich laten aaien en dan knorren van deugd, door het venster naar de vogels in de tuin zitten gluren, zich neervleien op de schoot van het baasje, terwijl die in z’n zetel de krant aan het lezen is, om dan bovenop die krant te gaan liggen zodat hij niet meer verder kan lezen en haar zijn volle aandacht moet schenken.
Zo is Anja aan haar vierde leven begonnen. Ze heeft er nog vijf te gaan.

Buitenlucht.

Langzaam wordt het “nieuwe normaal” weer een beetje het “oude normaal”. Voor Moeder Natuur is dat misschien minder goed nieuws. Het is merkwaardig hoe de natuur open is gebloeid en planten en dieren hun territorium hebben uitgebreid, nu de mens zich door corona noodgedwongen heeft teruggetrokken. Een aantal vogelsoorten zijn terug van weggeweest. Langs de bermen bloeien zeldzame planten weer weelderig. In de Ardennen duiken de everzwijnen terug op en de wolven hebben kleine wolfjes op de wereld gezet. Alleen met de egels ging het wat minder goed. Ook zij leken te zijn getroffen door een of andere vermetele ziekte. Maar voor het overige waren planten en dieren tijdens de lockdown van de mens duidelijk in hun nopjes.
Maar wellicht zal daar verandering in komen. Er razen weer meer auto’s en vrachtwagens over onze wegen. Lang zal het niet meer duren voor de mens zich opnieuw zal opdringen en de natuur zal moeten wijken.
Nu er nog veel zuurstof in de lucht zit, ga ik dit verlengd weekend vast op zoek naar een rustig plekje om er te genieten van de heerlijke, zuivere buitenlucht.