De teloorgang van de molens. (1/3)

In 1875 werd in Deinze een vermicellifabriek opgericht, maar reeds in 1882 werd de fabriek omgebouwd tot een industriëel molenbedrijf voor het produceren van bakkerij grondstoffen. Het bedrijf kreeg de naam Les Moulins des Flandres. Na een brand in 1890 startte de fabriek weer op in 1892 onder de naam : Molens van Deinze.
Later kwam het bredrijf in handen van de familie Dossche. De naam werd veranderd in Dossche Mills.

Molens van Deinze omstreeks 1900 / collectie Mudel

In 2019 werd de verouderde fabriek te Deinze gesloten, omdat er problemen ontstonden met de milieuvergunning en de ietwat moeilijke bereikbaarheid per schip in de oude Leiearm. Alles verhuisde naar nieuwere en moderne vestigingen van het bedrijf. De nog 38 medewerkers die op de locatie aan de Leie nog werkzaam waren, verloren hun baan.
In 2014, toen er hier nog volop bedrijvigheid was, vrachtwagens aan en af reden en schepen aanlegden aan de loskaai, maakte ik enkele foto’s van het gebouwencomplex.

Een maand geleden werd begonnen met de sloop van de fabrieksgebouwen. Veel gebouwen op deze site van 320 ha. dateren van 1892. Alles zal onverbiddelijk verdwijnen. Alleen enkele authentieke gevels zou men trachten te bewaren.
Jullie lazen er al alles over op de blog van Fotorantje. Ook ik ging een kijkje nemen op woensdag 17 februari, toen de werkzaamheden nog maar net begonnen waren. Vanop de Leiebrug in Deinze was er nog niets bijzonders te zien. De gebouwen van de molens stonden erbij zoals vanouds.

Ik daalde de brug af en naarmate ik dichterbij kwam hoorde ik steeds meer gedaver, geronk en gebonk. Er was duidelijk iets aan de gang. Maar aan de voorgevels langs de Leie was er van de sloopwerken nog niets te merken.

Blijkbaar speelde de actie zich af achter deze torenhoge gevels. Om dat van naderbij te kunnen bekijken moest ik aan de andere kant zijn, op het bedrijventerrein zelf. Om daar te komen moest ik stukje verder wandelen, via een ommetje langs de Tolpoortstraat.

(wordt vervolgd)

De bel aan de Schelde.

Ik loop op deze blog wat achter op de tijd. Het is ondertussen al een maand geleden, we zaten toen nog volop in sneeuw, dat mijn vrouw en ik op de begraafplaats van haar geboortedorp Wichelen waren. Die begraafplaats is mooi gelegen aan de oevers van de Schelde. Daarachter ligt een natuurgebied, de Bergenmeersen genaamd, dat dienst doet als overstromingsgebied. Meer info daarover kan je lezen op de blog van Willy.
We gingen die dag een kijkje nemen aan de oever van de Schelde.

Hier begon het jaagpad dat tussen de Schelde en de Bergenmeersen loopt.

Hier begint een mooie natuurwandelroute langs schorren en slikken. Maar er waaide een ijzige noordpoolwind over deze vlakte, die niet uitnodigde om op wandel te gaan.

Hier vonden we ook het begin van het vlonderpad dat wandelaars doorheen de Bergenmeersen leidt, maar nu ondergesneeuwd lag. Het geheel zag er nogal glibberig uit en daarom waagden we ons niet verder.

Een wandeling door de Bergenmeersen zat er voor ons die dag niet in. We vertrokken terug uit Wichelen, maar waren vast besloten om, van zodra het lente werd, terug te keren om dit mooie natuurgebied wat beter te verkennen. We konden toen nog niet vermoeden dat de lente niet lang meer op zich zou laten wachten en dat wij hier vlugger zouden terug zijn dan verwacht.

Op weg van Wichelen naar huis, hielden wij nog eens halt in het centrum van Schellebelle en parkeerden onze auto aan het café “Het Veer”.

“Schellebelle”, een naam die klinkt als een klok, zou betekenen “bocht in de Schelde”, al is deze verklaring niet wetenschappelijk onderbouwd. We wilden graag een kijkje gaan nemen aan het veerpont van Schellebelle, dat achter dit café lag. We wandelden tot bij de aanloopsteiger naar de veerboot, waar nog steeds de blauwe bel hangt die je kan luiden als je de veerman wil roepen.

Het veer van Schellebelle is een van de oudste overzetten aan de Schelde. Het veer zou aan het begin van de 13e eeuw ontstaan zijn nadat de Scheldeloop gewijzigd was. Tot 1950 werd er gebruikgemaakt van een houten kettingpont. Thans gebeurt de overzet met een comfortabele veerboot. Ook bij deze koude wintertemperaturen voer de veerboot voortdurend over en weer om wandelaars van de ene oever naar de andere te brengen.

Wij bleven echter aan onze kant. Terug bij de auto maakte ik in het dorpscentrum nog een foto van “het roephuisje”, in de volksmond “het kot” genoemd. Dit piepkleine gebouwtje staat hier reeds sinds mensenheugenis, wellicht van in de 17e eeuw. Het diende oorspronkelijk als roephuisje, waar de veldwachter of sjampetter vanonder het afdakje de proclamaties van de gemeente luidkeels verkondigde aan al die het wou horen. “Het kot”zou ook nog dienst hebben gedaan als “cachot” waar geboefte of dronkenlappen zo nu en dan een nachtje mochten doorbrengen.

Haar dorp aan de Schelde.

Deze week genieten we van zachte lentetemperaturen, terwijl we amper twee weken geleden nog bibberden in de sneeuw en vrieskou. Het was nog tijdens die ijs- en sneeuwdagen dat mijn vrouw en ik naar haar geboortedorp Wichelen reden. Dit dorp aan de Schelde ligt ongeveer halfweg tussen Wetteren en Dendermonde. Het was aan de kerk van Wichelen dat wij 37 jaar geleden afspraken om voor de allereerste keer samen uit te gaan.

We waren er in lange tijd niet meer geweest. We stelden vast dat men intussen in Wichelen zelfs een eigen muurschildering heeft.

We reden tot aan het “oud gemeentehuis” van Wichelen. Het gebouw dateert van 1682 en staat sinds 1945 geklasseerd als beschermd monument. Vermoedelijk kwam het huis aan het einde van de 18e eeuw in het bezit van de gemeente en diende het tot 1955 als gemeentehuis. Daarna werd het voornamelijk gebruikt voor ceremoniële plechtigheden. In de jaren ’70 werd het grondig gerestaureerd.

Onder de dubbele trap bevindt zich een deurtje. Achter dat deurtje zat tweehonderd jaar geleden het “cachot”, waar men dronkenlappen in opsloot. In het huisje ernaast, links op de foto, woonde vroeger de “doodkistenmaker”.

In dit gemeentehuis zijn mijn vrouw en ik 35 jaar geleden getrouwd. Ik heb het even nagevraagd bij Wikipedia, wij vieren dit najaar onze “koralen bruiloft”. Ons huwelijk werd 35 jaar geleden bekrachtigd door burgemeester John Taylor. Da’s een Engelse naam voor een Vlaamse burgemeester, maar diens vader was een Engelsman die als soldaat tijdens de bevrijding alhier halsoverkop verliefd was geworden op een meisje uit Wichelen.
Ik had dus 35 jaar geleden hetzelfde aan de hand.

Vlakbij het oud gemeentehuis ligt de begraafplaats van Wichelen, waar mijn schoonvader zaliger reeds sinds 1988 begraven ligt. We gingen er een kijkje nemen. Een kerkhof in de sneeuw, het is weer eens wat anders.

De begraafplaats van Wichelen is mooi gelegen, langs de oevers van de Schelde. Aan de overkant van de Schelde liggen de “Bergenmeersen”, waarover ik onlangs een logje las en foto’s zag op de blog van Willy. De Bergenmeersen is een natuurgebied langs de Schelde, bestaande uit slikken en schorren dat dienst doet als overstromingsgebied.
Een toegang tot de Bergenmeersen bevond zich hier vlakbij. We wilden die meersen wel eens van iets dichterbij bekijken.

(wordt vervolgd)

De kunst van het drukken / 8

Wat vooraf ging

Deel 8 / Lood en melk

Foto genomen in het industriemuseum in Gent

De regelzetmachine was een vernuftige uitvinding die aan het einde van de 19e eeuw enthousiast werd onthaald in drukkerijen en zetterijen. De ingenieus gebouwde regelzetmachine kon in één keer een volledige tekstregel in lood gieten, waardoor het zetwerk veel sneller opschoot dan bij het handzetten met losse letters.

Maar algauw bleek dat deze machines een gevaar vormden voor de gezondheid van de mensen die in de zetterijen werkten, door de looddampen die ze verspreiden. Dat probleem was bijzonder nijpend in de zetterijen van kranten, waar soms vijftig van deze machines dicht bij elkaar stonden opgesteld.
Men bracht afzuiginstallaties aan die de meeste looddampen moesten wegnemen, maar de afzuiging bleek toch niet voldoende soelaas te brengen. Er werden nog steeds mensen ziek.

Het ziekmakende loodstof was een probleem waar men in de loodzetterijen reeds langer mee te kampen had. Maar in vroegere eeuwen nam men het niet zo nauw met de gezondheid van de mensen die in de drukkerij werkten. De verdere industrialisatie van de zetterijen maakte echter dat het zo niet langer meer kon.

Toen dacht men aan melk.
Melk bleek namelijk een goede antistof te zijn tegen het schadelijke loodstof. Die theorie is intussen min of meer achterhaald, maar toen was men ervan overtuigd dat melk de perfecte bescherming bood voor mensen die vaak met lood in aanraking kwamen. Er werd een wet uitgevaardigd die werkgevers van zetterijen en drukkerijen verplichten om aan hun werknemers gratis melk ter beschikking te stellen.

De regelzetmachine bleef in gebruik tot ongeveer het einde van de jaren ’70 van vorige eeuw. Toen ik als tiener in het hoger middelbaar studeerde, stonden er bij ons in het werkatelier van de school een aantal van deze Linotype’s opgesteld, waarop ook wij tijdens onze praktijkopleiding moesten leren werken. Iedere voor- en namiddag kregen wij, net zoals de kindjes in de kleuterklas, een melkpauze waarin we verplicht waren om melk te drinken.
Na mijn studies heb ik nooit meer op een Linotype gewerkt, maar de wet op de melkverplichting was zelfs aan het einde van mijn loopbaan, toen in de drukkerijen alle lood reeds lang vervangen was door computers, nog steeds niet afgeschaft. In de drukkerijen moest men er nog altijd voor zorgen dat er in de bedrijfskantine een ijskast stond, gevuld met flessen melk gratis ter beschikking van alle werknemers.

Reklameaffisches voor Linotype uit de jaren ’50 en ’60

Men kan dus gerust stellen dat de letterzetters van weleer de grootste melkdrinkers aller tijden waren. Afgezien van het gevaar van het lood hadden deze mensen, die foutloos tegen de klok moesten werken, sowieso een weinig benijdenswaardig beroep. De man op de foto hieronder zit op een degelijke kantoorstoel, maar pakweg een halve eeuw geleden zaten de letterzetters vaak op een doodgewone keukenstoel of zelfs op een afgedankte kerkstoel, urenlang aan één stuk te typen.

De regelzetmachine zorgde in de 19e eeuw voor een revolutionaire verandering in de drukkersnijverheid. Maar in die eeuw werden nog meer uitvindingen gedaan die voor een grote ommezwaai zorgden. Zo slaagde Joseph Nièpce erin om in 1826 met zijn camera obscura de allereerste foto te maken.
Welke uitdagingen dat met zich meebracht voor de drukkerijen, daarover vertel ik een volgende keer.

# Throwback / 2

Natte velden aan de Ijzer

In januari stonden, na overvloedige regenval, velden blank en waren sommige straten ondergelopen.
Dat was ook zo, elf jaar geleden, in de winter van het jaar 2009. Met vrouw- en zoonlief maakte ik toen een wandeling in de diepe Westhoek, langs de oevers van de Ijzer, in de gemeente Roesbrugge. De periode ervoor had het heel vaak flink geregend en de Ijzer was her en der buiten haar oevers getreden.
Bij aanvang van onze wandeling was er nog geen vuiltje en geen wolkje aan de lucht…

De velden en akkers lagen er drassig bij en onze wandeling werd algauw een modderige bedoening.

We wandelden langs uitgestrekte akkers waarop men spruiten kweekte. Ook deze groenten stonden allemaal met hun voeten in het nat.

Deze plas lag op ons pas en was breed en diep en versperde ons de weg. Aangezien er geen andere doorgang was, moesten we hier met behulp van een stevige tak “fierljeppen” om erover te geraken, iets wat me nu niet meer zou lukken.

We hielden er natte voeten en een natte broek aan over, maar we zetten onze tocht onversaagd verder. Intussen waren meer wolken komen opzetten en kwam het water om ons heen alsmaar hoger te staan.

Sommige velden stonden grotendeels blank en verder wandelen was op die plaatsen geen optie, zodat wij ons verplicht zagen om van onze uitgestippelde wandelroute af te wijken en een hele omweg te maken. Hoe verder we wandelden hoe enger het werd. Slechts een smal modderig pad bleef nog enigszins begaanbaar.

Maar nog wat verder op onze wandeling was er geen doorkomen meer aan.

We waren bang dat wij hier hopeloos vast zouden komen te zitten, volledig omring door water.

Maar zoonlief leidde ons uit de gevarenzone en vond een brugje over de Ijzer, al viel het niet meer te onderscheiden waar de rivier zich precies bevond. Het brugje leidde ons naar een hoger gelegen wegel langs waar we de bewoonde en droge wereld konden bereiken.
Goed dat we toen dat brugje hebben gevonden. Anders hadden wij daar waarschijnlijk nog steeds vast gezeten. We hadden geploeterd door water en slijk, enkele hachelijke momenten beleefd en ondervonden dat wassend water gevaarlijk kan zijn. Maar ondanks dat alles hadden we toch een leuke dag beleefd, daar in Roesbrugge.

Winterse Brielmeersen. (2/2)

Ik was op wandel in de “Brielmeersen” van Deinze. De zitbanken waren er bedekt met een laagje bevroren sneeuw. Even uitrusten op een bankje zat er dus niet in, tenzij je met een natte broek wou verder wandelen.
Enkele ooievaars in het park waren ofwel reeds terug van hun reis naar het zuiden, ofwel bleven ze liever hier overwinteren. Gelukkig hebben de vogels zwarte staartveren, anders kon je ze nauwelijks zien lopen in de sneeuw.

Van hieruit begaf ik mij naar een ander parkgedeelte om nog wat meer winterse taferelen vast te leggen.
(Sommige foto’s zijn aanklikbaar voor een groter formaat)

Een mintractor met een karretje er achteraan reed rond in het domein en bestrooide de wandelpaden met verse gehakselde boomschors, wat het wandelen een stuk minder glibberig maakte. Al viel de glibberigheid van de paden in het park eigenlijk best mee. Ze zagen er gevaarlijker uit dan ze waren.

Ik heb genoten van mijn winterse wandeling door de Brielmeersen. Intussen behoren deze wintertaferelen alweer tot het verleden. Nu maar wachten op de lente om nog eens terug te keren. Volgens de weerman zouden we komend weekend het lentegevoel al een beetje voelen kriebelen.